De noodzaak van tweetalig opvoeden
In gezinnen waarin de ouders een andere taal spreken dan de omgeving, is tweetalig opvoeden geen keuze maar de werkelijkheid. In gezinnen waarin dat niet zo is, wordt het steeds vaker een bewuste keuze. In beide gevallen duiken dezelfde vragen op, en een deel van de bezorgdheid die daarbij hoort, is door onderzoek achterhaald.
Wat onderzoek laat zien
Kinderen kunnen twee of meer talen tegelijk leren zonder dat dit hun taalvermogen schaadt. Ze halen vergelijkbare mijlpalen als eentalige kinderen, en waar er een vertraging lijkt te zijn, verdwijnt die bij het tellen van de woorden in beide talen samen.
Het door elkaar gebruiken van talen in één zin is geen teken van verwarring. Het is een normaal kenmerk van tweetalig taalgebruik dat ook bij vaardige volwassen sprekers voorkomt, en het volgt eigen regels.
Wat vroeger als voordeel werd gepresenteerd — een aanzienlijk beter denkvermogen — is genuanceerd: de eerdere claims over grote voordelen in aandacht en flexibiliteit zijn in strenger onderzoek kleiner geworden of niet teruggevonden. Wat wel overblijft, is fors en vaak onderschat: een kind dat een taal vloeiend beheerst, kan met familie praten, heeft toegang tot een tweede cultuur, en heeft later een vaardigheid die op school en op de arbeidsmarkt van waarde is.
Belangrijk is verder dat tweetaligheid een taalprobleem niet veroorzaakt en ook niet verbergt. Een kind met een taalstoornis heeft die in beide talen, en het advies om dan maar één taal te laten vallen, is niet onderbouwd en kost het kind de taal van zijn familie.
Aanpakken die werken
De bekendste is: één ouder, één taal. Elke ouder spreekt consequent zijn eigen taal met het kind. Dat is helder en het werkt, op voorwaarde dat het kind van beide talen genoeg hoort.
De tweede is: thuis de ene taal, buitenshuis de andere. Dat werkt goed wanneer de omgevingstaal op school en met vrienden vanzelf komt, wat in de praktijk vrijwel altijd het geval is.
De derde is per situatie of activiteit: een taal bij het lezen en spelen, een andere bij de maaltijd. Minder streng, en bruikbaar in gezinnen waar de eerste twee niet passen.
Welke je kiest, is minder belangrijk dan hoeveel taal het kind krijgt, en van wie. Wat nodig is, is voldoende en rijk aanbod: gesprek, voorlezen, liedjes, spel en contact met andere sprekers. Een taal die alleen uit een beeldscherm komt, wordt niet geleerd.
Waar het misgaat
De minderheidstaal verliest bijna altijd. Zodra school, vrienden en media in één taal zijn, verschuift het kind daarnaartoe, en het gaat sneller dan ouders verwachten. Dat is de reden dat de zwakkere taal bewust ondersteuning nodig heeft: familiebezoek, boeken, verhalen, contact met andere gezinnen, vakanties in het taalgebied, en een ouder die niet overschakelt zodra het kind in de andere taal antwoordt.
Verder gaat het mis bij inconsequentie in combinatie met dwang. Een kind onder druk zetten om te antwoorden in een taal die het niet vloeiend spreekt, levert weerstand op; het kind laten begrijpen zonder te hoeven spreken, houdt de taal juist levend, en het spreken volgt later vaak alsnog.
En het gaat mis wanneer een ouder met het kind spreekt in een taal die hij zelf niet goed beheerst, alleen omdat die taal nuttig lijkt. Dat levert minder rijk taalaanbod en minder warmte op, en juist die twee doen het werk.
Wat het vraagt
Vooral volhouden, over jaren, terwijl het gemakkelijkere alternatief elke dag voor het grijpen ligt. Het helpt om vroeg af te spreken wie welke taal spreekt en waarom, en om die afspraak ook met school en met opa en oma te delen.
Maak je je zorgen over de taalontwikkeling, ga dan naar een logopedist of het consultatiebureau en vraag om iemand met ervaring in meertaligheid. Laat beide talen beoordelen. En houd één ding voor ogen: de taal die je zelf het best spreekt, is de taal waarin je je kind het meest kunt meegeven.
