Online magazine over het leven, de samenleving, vrije tijd, sport, entertainment en spellen.
Onafhankelijk sinds 2011

Lijken honden op hun baasjes?

Het is een vaste grap: baasjes die op hun hond lijken, of omgekeerd. Er is meer dan een grap, want het is een van de weinige volkswijsheden die in onderzoek stand heeft gehouden — al betekent ze iets anders dan wat de grap suggereert.

Wat er is onderzocht

De gebruikte methode is eenvoudig en goed navolgbaar. Deelnemers krijgen een foto van een eigenaar te zien, en daarnaast twee honden: de eigen hond en een vreemde hond. De vraag is welke van de twee bij deze persoon hoort.

Deelnemers scoren daarbij duidelijk beter dan het toeval, en dat resultaat is in verschillende landen en met verschillende opzetten teruggevonden. Het werkt het duidelijkst bij raszuivere honden en minder goed bij kruisingen, wat een aanwijzing geeft over de oorzaak.

Vervolgonderzoek heeft geprobeerd te achterhalen waarop mensen letten. Het meest opvallende resultaat: als je alleen de ogen laat zien — van mens en hond — lukt het koppelen nog steeds. Verberg je de ogen, dan zakt het resultaat in. De regio rond de ogen blijkt dus het meeste te dragen, al is nog niet uitgemaakt waar dat precies in zit.

Verklaringen

De sterkste verklaring is de keuze. Mensen kiezen geen willekeurige hond; ze kiezen een hond die ze aantrekkelijk vinden, en wat we aantrekkelijk vinden, heeft een voorkeur voor het bekende. Datzelfde effect is beschreven bij de keuze van partners en van vrienden: vertrouwdheid werkt als voorkeur, en je eigen gezicht is het meest vertrouwde dat er is.

Daar komt het beeld bij dat mensen van zichzelf hebben. Wie zichzelf sportief vindt, kiest een hond die bij dat beeld past; wie rust zoekt, kiest een rustige hond. De hond wordt op die manier een deel van de zelfpresentatie, net als kleding of een auto, en dat is bij raszuivere honden met een duidelijk karakter het sterkst.

Verder speelt de gelijkenis in leefstijl mee. Eigenaar en hond bewegen evenveel of even weinig, eten mee met hetzelfde ritme, en dat werkt op de lange duur door in lichaamsvorm en conditie. Onderzoek naar overgewicht bij honden en hun eigenaren wijst in die richting.

Wat er ook in zit, is de kijker zelf. Als een beoordelaar weet dat de vraag over gelijkenis gaat, gaat hij gelijkenis zoeken, en ons brein is daar buitengewoon goed in. Dat is de reden dat dit onderzoek met controlegroepen en vreemde honden moet worden gedaan, en niet met de vraag of iemand gelijkenis ziet.

Ook in gedrag

Naast het uiterlijk is er onderzoek naar de overeenkomst in karakter, en daar zijn verbanden gevonden tussen persoonlijkheidstrekken van de eigenaar en gedrag van de hond: angstige honden komen vaker voor bij eigenaren die zelf gespannen zijn, en een hond met veel gedragsproblemen bij eigenaren met minder consequentie in de opvoeding.

Dat is geen kwestie van gelijkenis maar van invloed, en hier zit ook de enige praktische les van het hele onderwerp: het gedrag van een hond is voor een groot deel het gedrag van het huishouden. Wie dat serieus neemt, verandert bij een probleemhond eerst iets in zijn eigen dagindeling en niet in de hond.

Wat het niet betekent

Niet dat honden naar hun eigenaar gaan lijken. De gelijkenis ontstaat bij de keuze en niet in de loop van de jaren; er is geen bewijs voor het idee dat een gezicht zich aanpast.

En niet dat je aan een hond kunt zien wat voor mens de eigenaar is. Het resultaat is een verband dat boven het toeval uitkomt over veel paren, en het zegt niets over een afzonderlijke hond en een afzonderlijke persoon. Dat onderscheid tussen een statistisch verband en een uitspraak over één geval is bij dit soort onderzoek het punt dat in de berichtgeving altijd als eerste sneuvelt.