Het debat over voltooid leven bij ouderen
Er is in Nederland een terugkerend debat over ouderen die zeggen klaar te zijn met leven zonder dat zij een ziekte hebben waaraan zij snel zullen overlijden. Het wordt soms scherp geformuleerd, tot aan uitspraken over wat er met ouderen zou moeten gebeuren. Voor wie het gesprek wil volgen, is het nuttig eerst te weten wat er feitelijk geldt en wat er dus ter discussie staat.
Wat de wet nu toestaat
Levensbeëindiging op verzoek is strafbaar, met een uitzondering voor de arts die aan de zorgvuldigheidseisen voldoet en zijn handelen meldt. Een van die eisen is dat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden.
Dat lijden hoeft niet uit één ziekte te komen. De toetsingscommissies hebben in hun oordelen aanvaard dat een samenloop van ouderdomsaandoeningen — slecht zien en horen, pijn, vallen, uitputting, verlies van zelfstandigheid — bij elkaar dat lijden kan opleveren. Voor die groep is de bestaande wet dus al bruikbaar, en er zijn ook meldingen die op die grond zorgvuldig zijn bevonden.
Wat de wet niet dekt, is de oudere die geen medische grondslag heeft: iemand die gezond is naar de maatstaven van de geneeskunde, en die zijn leven als voltooid ervaart door eenzaamheid, verlies van betekenis of de overtuiging niets meer toe te voegen. Daarvoor kan een arts binnen het huidige stelsel geen hulp geven.
Wat er wordt voorgesteld
Er liggen voorstellen om voor mensen boven een bepaalde leeftijd hulp bij zelfdoding mogelijk te maken zonder de eis van medisch lijden, met een eigen procedure: een aparte, opgeleide begeleider in plaats van een arts, een lange bedenktijd, meerdere gesprekken, en een toets door een tweede beoordelaar.
Die voorstellen zijn omstreden binnen alle groepen die erbij betrokken zijn, ook binnen de artsenorganisaties en binnen de ouderenbonden. Er is geen meerderheid voor, en er is ook geen meerderheid die het onderwerp van de agenda wil halen.
De argumenten voor
Zelfbeschikking: wie zijn hele leven zelf beslissingen heeft genomen, zou ook over het einde moeten kunnen beslissen, en niet afhankelijk moeten zijn van de vraag of een arts zijn lijden ernstig genoeg vindt.
En het voorkomen van eenzame, gewelddadige of mislukte pogingen. Mensen die geen hulp kunnen krijgen, zoeken soms een weg die voor hen en voor hun naasten veel zwaarder is, en die vaak in het geheim gaat.
De bezwaren
Het eerste is dat een wens om te sterven bij ouderen vaak voortkomt uit iets wat wel te veranderen is: eenzaamheid, pijn die onvoldoende wordt behandeld, een depressie die niet is herkend, of het gevoel tot last te zijn. Dat laatste is niet een reden om te sterven maar een signaal over de omgeving, en een depressie op hoge leeftijd wordt aantoonbaar vaak gemist.
Het tweede is druk, en die hoeft niet uitgesproken te zijn. In een samenleving waarin ouderdom als kostenpost wordt besproken, kan een aanbod tot hulp bij sterven voor kwetsbare mensen aanvoelen als een verwachting. Dat is het zwaarste bezwaar, en het is niet met procedures weg te nemen.
Het derde is de positie van de arts en van de begeleider: het beoordelen van een wens zonder medische grondslag is een taak waarvoor het beroep niet is toegerust, en een aparte functionaris ernaast schept een nieuwe beroepsgroep waarvan niemand weet hoe die zich zal ontwikkelen.
Waar het gesprek eigenlijk over gaat
Over de vraag hoeveel de samenleving bereid is te doen voordat de wens om te sterven ontstaat. Onderzoek naar ouderen met een doodswens laat betrekkelijk consequent zien dat betekenisvol contact, goede pijnbestrijding en het houden van regie over het eigen dagelijks leven die wens kunnen doen verminderen.
Dat maakt het debat over de wet niet onbelangrijk, en het zet het wel op zijn plaats: een regeling voor het einde is geen antwoord op een tekort aan aandacht ervoor.
Wie met deze gedachten rondloopt, kan erover praten met de huisarts, met een geestelijk verzorger die ook buiten een kerk werkzaam is, of met de vereniging voor een vrijwillig levenseinde. En voor een acute doodswens is er dag en nacht een anonieme hulplijn, ook per chat.
