Online magazine over het leven, de samenleving, vrije tijd, sport, entertainment en spellen.
Onafhankelijk sinds 2011

De lelijkste gebouwen van Nederland

Elke stad heeft een gebouw dat iedereen aanwijst, en de verkiezingen van het lelijkste gebouw van het land leveren steevast dezelfde soort deelnemers op: een kantoorkolos aan een invalsweg, een parkeergarage in een oud centrum, een woontoren met spiegelend glas naast een kerk. Interessanter dan de lijst is de vraag waarom er zo veel overeenstemming bestaat, want smaak verschilt en over deze gevallen verschilt hij verrassend weinig.

De vier dingen die het vaakst misgaan

Schaal. Een gebouw dat veel groter is dan zijn omgeving, voelt als een inbreuk, en dat gevoel is te herleiden tot iets meetbaars: de verhouding tussen de hoogte van de bebouwing en de breedte van de straat. Raakt die verhouding uit balans, dan ervaren mensen de straat als een kloof. Vandaar dat dezelfde toren in een havengebied acceptabel is en in een negentiende-eeuwse wijk niet.

De plint. Dit is de belangrijkste en de minst genoemde. De onderste laag van een gebouw is wat een voetganger ziet en aanraakt, en een blinde plint — een gesloten wand, een garagedeur, een dienstingang, een rij gesloten luiken — maakt een straat dood, hoe fraai de rest van het gebouw ook is. Onderzoek naar loopgedrag laat zien dat mensen langs zulke wanden sneller gaan lopen en minder om zich heen kijken.

Materiaal en veroudering. Baksteen, natuursteen en hout worden mooier met de jaren; veel plaatmateriaal, gevelbeplating en kunststof worden dat niet. Een gebouw dat vies wordt op een onregelmatige manier, met strepen onder de raamdorpels en verkleurde panelen, wordt als verwaarloosd gelezen ook als het dat niet is. Dat is een keuze van de ontwerper en van de opdrachtgever, en die keuze wordt zichtbaar na een jaar of tien.

Context. Een gebouw dat geen betrekking heeft op wat ernaast staat — andere rooilijn, andere hoogtes, andere kleur, een ingang die zich van de straat afkeert — valt uit het geheel. Het gaat daarbij niet om nabootsen van het oude; goede nieuwbouw naast een monument kan uitstekend contrasteren. Het gaat om of hij van de straat kennis neemt.

Waarom de oordelen verschuiven

De gebouwen die nu op lijsten van lelijkste staan, zijn vaak van een generatie terug, en dat is een patroon dat zich herhaalt. De grote stadsvernieuwing en de wederopbouwarchitectuur werden decennia verafschuwd en zijn nu voorwerp van monumentenzorg; hetzelfde is gebeurd met industrieel erfgoed, met flatgebouwen en met het ruwe beton dat inmiddels liefhebbers en een eigen naam heeft.

De verklaring is deels gewenning en deels zeldzaamheid: zodra iets bijna verdwenen is, gaan mensen het waarderen. En deels ligt het aan onderhoud — veel verachte gebouwen zijn niet lelijk ontworpen maar slecht onderhouden en ongelukkig verbouwd, met vervangen kozijnen, dichtgezette openingen en reclame over de gevel.

Dat is een reden om voorzichtig te zijn met slopen op grond van een oordeel over schoonheid. Sloop kost bovendien een enorme hoeveelheid ingebed materiaal en energie, en dat argument weegt bij deze discussie inmiddels mee.

Wat de discussie werkelijk waard maakt

Niet het aanwijzen van monsters, maar de vraag wie het besluit heeft genomen. Achter vrijwel elk verwenst gebouw zit een reeks beslissingen: een bestemmingsplan dat een bepaald volume toestond, een grondprijs die een rendement eiste, een bezuiniging waardoor het gevelmateriaal is gewijzigd, en een welstandstoets waarin het plan is doorgekomen.

Wie invloed wil op hoe zijn omgeving wordt: die besluiten zijn openbaar en er zijn momenten om er iets over te zeggen. Omgevingsplannen worden ter inzage gelegd, aanvragen voor een omgevingsvergunning worden bekendgemaakt, en er is een termijn om te reageren. Gemeenten hebben daarnaast een commissie voor ruimtelijke kwaliteit, en veel gemeenten hebben regels over de plint en over materiaalgebruik vastgelegd in beleid dat je kunt opvragen.

Dat is aanzienlijk nuttiger dan een verkiezing, en aanzienlijk minder leuk. Vandaar dat de verkiezing er is.

De eerlijke conclusie

Een gebouw kan mooi zijn op een foto en slecht in een straat, en omgekeerd. De vraag die het meeste voorspelt over hoe mensen een gebouw zullen beoordelen, is niet hoe het eruitziet, maar wat er op ooghoogte gebeurt en of het over tien jaar nog te verdragen is. Op beide punten zakt de meerderheid van de kandidaten uit de lijstjes — en daar hoeft geen smaakoordeel bij.