Faunus of blue rabbit snail: een bijzondere aquariumslak
Tussen de aquariumslakken zijn er een paar die niet als poetsploeg maar als sierdier worden gehouden, en de rabbit snail is daarvan de bekendste. Hij komt uit meren op het Indonesische eiland Sulawesi, hij heeft een lange, gedraaide schelp en een kop met een snuit en tastdraden die aan een haas doen denken — vandaar de naam. Er is ook een verwante, langwerpige slak uit brak water die onder een andere naam in de handel is, en beide worden geregeld door elkaar gehaald.
Wat het voor een dier is
De schelp is torenvormig met duidelijke windingen, en de kleuren lopen van goudgeel en bruin tot bijna zwart met een blauwgrijze weerschijn — die laatste wordt als blauwe vorm verkocht. Het dier zelf is stevig gebouwd en beweegt langzaam, met een kop die duidelijk te onderscheiden is en die het beest een gezicht geeft dat weinig andere slakken hebben.
Ze worden voor aquariumslakken flink van omvang, en dat is de eerste praktische overweging: een kleine bak is voor deze soort te klein.
Belangrijk om te weten: de soorten uit Sulawesi komen uit oude meren met een heel eigen chemie, en de slakken uit brak water hebben weer andere eisen. Vraag bij aankoop waar het dier uit komt en of het in de handel is gefokt of gevangen; dat bepaalt hoe het op jouw water reageert.
Waterwaarden
Voor de slakken uit de Sulawesi-meren: warm water, aan de bovenkant van wat in een gezelschapsbak gebruikelijk is, en een zuurgraad aan de basische kant met een redelijke hardheid. Dat is een combinatie die niet bij elke bak past, en die je niet moet forceren met middelen; kies liever een bak die er al aan voldoet.
Kalk in het water is noodzakelijk, want in te zacht water raakt de schelp aangetast, en bij deze lange schelpen valt dat meteen op als afbrokkeling aan de punt.
Gevoelig zijn ze vooral voor twee dingen: koper, dat bij vrijwel alle slakken en garnalen dodelijk is en dat in plantenmeststoffen en in middelen tegen vissenziekten zit; en nitraat in een slecht onderhouden bak. Regelmatig water verversen is bij deze soort geen luxe.
Voer
Het zijn vooral aaseters en afgraasslakken. Ze eten aanslag, rottend plantmateriaal, resten van visvoer en dode dieren, en ze woelen in de bodem naar voedsel — wat de bodem los houdt.
Bijvoeren is nodig in een schone bak: voertabletten voor bodembewoners, geblancheerde courgette, spinazie of sla, en af en toe iets met eiwit. Een slak die honger heeft, gaat wel aan zachte planten, en dat is de enige situatie waarin deze soort als plantenvreter wordt betrapt.
Let op dat de slakken bij het voeren aan de bak komen; ze zijn langzaam en in een bak met snelle, gulzige vissen komen ze te kort.
Gedrag en gezelschap
Ze zijn rustig, ongevaarlijk en vooral in de schemer actief. Ze graven zich geregeld half in de bodem, dus een zachte bodem van zand of fijn grind is beter dan grof grind met scherpe kanten.
Ze passen goed bij garnalen en bij vreedzame vissen. Niet samen met vissen die slakken eten, met grote kreeften of met vissen die aan tastdraden knabbelen; dat laatste is bij deze soort met zijn uitstekende kop een reëel risico.
Een deksel of een rand is aan te raden, want ze klimmen en kunnen uit een open bak kruipen.
Voortplanting
Hier zit de reden dat deze slakken bij liefhebbers zo gewaardeerd worden. Ze zijn niet tweeslachtig maar hebben mannetjes en vrouwtjes, en ze zetten geen klompjes eitjes af. Het vrouwtje brengt na een lange draagtijd een enkel jong ter wereld, af en toe twee, in een doorzichtig omhulsel waaruit een al volledig ontwikkeld slakje komt.
Dat betekent: geen explosie, geen glas vol eitjes, en een populatie die zich uiterst langzaam uitbreidt. Wie een slak wil die opruimt zonder de bak over te nemen, is bij deze soort aan het juiste adres.
Het betekent ook dat ze kwetsbaar zijn. Een langzaam voortplantende soort herstelt slecht van verlies, en dat geldt in het aquarium en in het wild. De meren op Sulawesi zijn een bijzonder en bedreigd milieu, met soorten die alleen daar voorkomen en die onder druk staan van vervuiling en van wegvangen. Kies daarom waar mogelijk nagefokte dieren en houd ze in omstandigheden waarin ze het echt volhouden — bij deze slak is dat meer dan een goede raad.
