Voorbeelden van amigurumi beestjes
Amigurumi is de Japanse techniek van het haken van kleine, gevulde figuurtjes: beestjes, poppetjes, voedsel, van alles. Het is onder haakwerk een aparte hoek, omdat het uit heel weinig verschillende steken bestaat en het resultaat toch driedimensionaal is. Wie één bolletje kan haken, kan vrijwel elk figuurtje maken.
Wat je nodig hebt
Katoengaren, want dat houdt zijn vorm en pluist niet uit; acryl kan ook en rekt makkelijker uit. Een haaknaald die een maat kleiner is dan het garen aangeeft — dat is de belangrijkste tip van dit hele onderwerp. Bij dicht haken blijft de vulling binnen; bij te losse steken zie je de vulling door het werk heen.
Verder vulmateriaal, een stopnaald om onderdelen aan elkaar te zetten, en veiligheidsogen of garen om de ogen te maken. Let daarbij op: bij een figuurtje voor een kind onder drie jaar geen losse ogen of kleine onderdelen gebruiken, maar ogen borduren met garen.
De steken die je gebruikt
Bijna alles in amigurumi bestaat uit vaste steken, in spiraal gehaakt in plaats van in gesloten toeren. Je begint met een magische ring of een aantal steken in een lus, en daarna is het eigenlijk maar rekenwerk: door in dezelfde steek twee keer te haken, wordt het werk breder; door twee steken samen te haken, wordt het smaller.
Met die twee handelingen maak je elke vorm. Meerderen tot de gewenste breedte geeft een schijf; daarna rechttoe haken geeft een cilinder; minderen sluit hem tot een bol. Een bol is een hoofd, een cilinder is een lichaam of een poot, een platte schijf is een oor of een voetje.
Markeer het begin van elke toer met een steekmarkeerder of een stukje garen, want in spiraalwerk is de overgang niet te zien en je verliest de tel binnen tien toeren.
Voorbeelden om mee te beginnen
Een bal met ogen is al een diertje, en dat is de aangeraden eerste opdracht: een kuiken, een bijtje of een octopus met acht gehaakte draadjes vraagt alleen een bol en wat ronde vormen.
Daarna de figuurtjes die uit een bol en een cilinder bestaan: een beertje, een varkentje, een kat, een uil. De vorm van de oren en de snuit bepaalt welk dier het wordt — dezelfde basis levert met andere oren een muis, een haas of een beer op.
Wat een stap verder gaat: poppetjes met armen en benen en met kleding, en beestjes met een langere vorm, zoals een slang, een dinosaurus of een aap. Daarbij komt het aanzetten van onderdelen kijken, en dat is de vaardigheid waar het uiteindelijk op vastloopt of goed gaat.
Stevig en net krijgen
Vul steviger dan je denkt, en vul gelijkmatig; klontjes zie je door het werk heen. Werk de vulling met een stokje of het uiteinde van een haaknaald tot in de neus en de pootjes.
Zet de onderdelen vast met de stopnaald en steek daarbij door hele steken, niet door garen. Een kop die scheef zit, komt bijna altijd doordat er ongelijk aan weerszijden is vastgezet — leg het onderdeel eerst met spelden op zijn plaats en kijk er van een afstand naar voordat je vastzet.
De ogen bepalen het gezicht meer dan wat ook. Zet ze verder uit elkaar en lager dan je intuïtie zegt; dat geeft de vriendelijke uitdrukking waar amigurumi om bekend staat. En probeer ze eerst met spelden, want veiligheidsogen zijn na het vastklikken niet meer te verplaatsen.
Tot slot: werk de draadeinden binnen het figuurtje weg voordat je het sluit, en houd van elk figuurtje een aantekening bij van de toeren die je hebt gehaakt. Dat is bij het tweede exemplaar het verschil tussen napraten en opnieuw uitzoeken.
