Opnieuw fouten in het havo en vwo examen economie 2014

Door De-realist gepubliceerd op Thursday 29 May 00:35

Na de fouten in het economie-examen van 2013, http://plazilla.com/page/4295052640/opnieuw-fouten-in-eindexamen-economie-vwo, en http://plazilla.com/page/4295052642/bijna-geen-echte-fouten-in-het-havo-examen-economie-maar-toch, en uiteraard de grove fouten van nog een jaar eerder, http://www.kerneconomie.nl/2012/06/04/eindexamen-vwo-fouten-betreffende-opgave-3-0 was het de vraag of de versies van 2014 wel klachtenvrij gemaakt konden worden.

Helaas moet het antwoord opnieuw ontkennend luiden. Het blijft een moeilijk karwei om de examens enerzijds spannend en vernieuwend te houden, een eis zeker bij de vwo-examens waar men niet naar de bekende weg moet vragen, maar anderzijds ook zo begrijpelijk dat de antwoordmogelijkheden eenduidig zijn. Vooral dat laatste bleek niet altijd het geval.
De vragenmakers gaan soms een andere kant op dan een kandidaat zou kunnen gaan. Om dat laatste gaat het: zou kunnen gaan. Niet iedere redenering die niet in het normantwoord voorkomt is fout.
Is dit kwalijk dan ? Nee, maar wel voor zover de Commissie van Examens uitdrukkelijk voorschrijft, dat alleen de door haar gepubliceerde antwoorden als juist mogen worden gerekend:

Uitgangspunt moet steeds zijn dat het correctievoorschrift dat is opgesteld door het CvE, bindend is voor zowel de eerste als de tweede corrector. Tijdens de bespreking kan op grond artikel 3.3 (algemene regels) worden besloten andere antwoorden ook goed te keuren, mits deze vakinhoudelijk correct zijn. Op basis van artikel 7 (algemene regels) zal men zich, indien er een fout in het examen of correctiemodel zit, moeten houden aan het correctiemodel.

8aa2dbab1e9f118280752227ac4f8455_1401318
Wringende zaken in Havo examen economie 2014 1e tijdvak


Opgave 2 de vliegtaks
In deze opgave gaat het om de invoering van een ticketbelasting, alleen voor vliegen vanaf de Nederlandse luchthavens. Per ticket komt er een vast percentage tickettaks bovenop de ticketprijs.

Dan de vraag, opnieuw de al eerder verafschuwde invuloefening annex meerkeuzevraag:  Maak van de onderstaande zinnen een economisch juiste tekst.

De ticketbelasting is een voorbeeld van een ...(1)... belasting.
Keuzemogelijkheden:  1. degressieve / proportionele / progressieve

Het normantwoord: proportionele.

In het normantwoord ging de toetsenmaker er klaarblijkelijk van uit dat de belastinggrondslag de vliegtickets zijn, en hoe duurder de tickets, hoe meer taks iemand betaalt, maar in percentage evenveel.

28a15cec6ec693f6c0dce98479b9e896_1401318
Progressieve, proportionele en regressieve tarieven

Maar: wat is een nou precies een proportionele belasting. Eerst maar eens de vakliteratuur erop naslaan. (Cursivering toegevoegd)

Het CBS rept in meerdere nageslagen artikelen telkens over een directe link tussen het begrip ‘progressieve belastingen’ en het inkomen. Daar waar anders wordt bedoeld komt en wel de term ‘progressief tarief’ tegen.

De Kam definieert in 'wie betaalt de staat ? 'progressieve belastingpolitiek als een stelsel waarin (...) naarmate arme mensen minder en rijkere mensen meer belasting moeten betalen, wordt een belastingstelsel daarom progressiever.

Zo meldt de vooraanstaande macro-econoom Paul A. Samuelson: “a tax is called proportional, progressive or regressive depending upon whether it takes from high-income people the same fraction of income, a lager fraction or a smaller fraction than it takes from low-income people.”

Minder wetenschappelijk, maar daarom niet minder geraadpleegde definities als bijvoorbeeld van investopedia.com, als voorbeeld van tal van vergelijkbare sites, melden: ‘A tax system that requires the same percentage of income from all taxpayers, regardless of their earnings. A proportional tax applies the same tax rate across low-, middle- and high-income taxpayers

Zelfs het dubieuze doch populaire Wikipedia weet te melden: Progressieve inkomstenbelasting is een vorm van inkomstenbelasting waarbij het gemiddelde belastingtarief hoger wordt naarmate het inkomen stijgt

A proportional tax is one that imposes the same relative burden on all taxpayers—i.e., where tax liability and income grow in equal proportion. Aldus Brittanica.com.

Steeds weer zien wij in de zeer uiteenlopende, doch zeer eensluidende definities de link terugkomen tussen een progressieve belasting en het inkomen. Inkomen is de belastinggrondslag. Hoe meer inkomen iemand verdient, des te hoger de belasting.
Is een belasting niet direct aan inkomen gebonden, dan spreke men liever van een progressief tarief, dan de gehele belasting an sich dan ook maar progressief te noemen.

Maar nee, wat weet de CvE ons te vertellen : De begrippen degressief, progressief en proportioneel hebben niet per se betrekking op inkomen; het gaat om de grondslag van de heffing. Aldus een additioneel schrijven ten behoeve van de nabespreking examens.
De CvE gaat daarmee ons inziens geheel voorbij aan de laatste opmerking: het tarief is oplopend, of progressief, maar daarmee nog niet de hele belasting. Omdat werkelijk alle literatuur (en lectuur) de link met het inkomen legt, is het te begrijpen als een havo-leerling ook die richting op denkt. En dus voor optie c kiest.

Aangezien vliegen ontegenzeggelijk verbonden kan worden gezien met de hogere inkomens, moet een belasting op vliegen gerekend worden tot een belasting voor de welgestelden, en daarmee tot een progressieve belasting. De belastinggrondslag van het normantwoord kan anders worden gezien, en daarmee het juiste antwoord op de vraag. En dan zijn we weer terug bij de kritiek van de meerkeuzevraag: de kandidaat wordt niet in staat gesteld deze redenering toe te lichten.

6855a39bccf9cb18e0312002d2c2ac5d_1401318
Fout normantwoord dieselaccijns
Opgave 4 gaat ook al over meer belasting: de accijns op diesel. ‘Deze brandstof dreigt in 2012 extra duur te worden doordat de Europese Unie van plan is de lagere dieselaccijns op te trekken naar het niveau van de benzineaccijns van dat land.’ Zo luidt de opgave.

Een vervoerseconoom reageert: “De hogere dieselaccijns kan ook leiden tot een afname van overheidsinkomsten uit de transportsector. “

Schrijf de argumentatie bij het standpunt van de vervoerseconoom. Maak in deze argumentatie een onderscheid tussen de gevolgen van de belastingmaatregel indien de transportsector de hogere dieselaccijns:
- wel doorberekent in de prijzen van de vervoerscontracten en

- niet doorberekent in de prijzen van de vervoerscontracten.

Het normantwoord bij het tweede alternatief, luidt: Als de accijnsverhoging niet wordt doorberekend zullen de winstmarges in de transportsector afnemen waardoor de overheid (bij een gelijkblijvende omzet) minder winstbelasting ontvangt

Dit normantwoord maakt een ernstige redeneerfout, of gaat uit van wel hele boude veronderstelling ten aanzien van de winstbelasting. Wij gaan voorlopig uit van het eerste.
Een redeneerschema in de vorm van stappen zal dit verduidelijken. We gaan er daarbij even van uit dat de accijnsverhoging 12 eurocent per liter diesel bedraagt. Om de redenering niet al te krom in ‘winst per liter diesel’ uit te drukken, gaan we even uit van een vrachtwagen die ‘1 op 3’ rijdt.  

1. De overheid verhoogt de dieselaccijns met 12 cent. => de overheid krijgt direct 4 cent meer binnen per gereden kilometer
2. De prijzen blijven gelijk, dit is anders immers alternatief 1, dus de winsten van de vervoerders nemen met 4 cent/km af.
3. Omdat de vervoerders minder winst maken, dragen zij ook minder ‘winstbelasting’ af. Gaan we hier even uit van de vennootschapsbelasting (hoge tarief van 25%) dan betekent dit 1 cent per kilometer minder winstbelasting.
4. De overheid krijgt dus 4 cent aan accijns binnen, maar dit kent een afroomeffect van 1 cent per km vanwege de mindere ‘winstbelasting’.

Meer accijns, maar minder vennootschapsbelasting
De overheid zal inderdaad minder winstbelasting binnenkrijgen, maar dit effect ligt nooit op 100%. Dit ontstaat immers alleen, als de overheid de gemiste 4 cent op de diesel alsnog in zijn geheel binnenkrijgt door de toegenomen winst van 4 cent via de winstbelasting op te eisen. Dit kan alleen als men een winstbelasting van 100% hanteert.

Alleen als de winsten dusdanig omslaan in verliezen dat er bedrijven sterk inkrimpen of failliet gaan, zal er ondanks de verhoging (of juist daardoor) per saldo minder binnenkomen.

Dit zou dan ook een juist antwoord kunnen zijn op deze vraag, waarmee dus niet de vraag fout is, maar het normantwoord wel. Het normantwoord voegt immers zelf nog toe, tussen haakjes, ‘bij een gelijkblijvende omzet’. Het is juist deze lagere omzet, door faillissementen of vlucht naar het buitenland, die een per saldo lagere opbrengst voor de overheid goed mogelijk maakt. Sterker nog: daarmee is de vraag juist nu uiterst actueel, want dit is wat wij thans zien in de grensstreek.  

 

Fouten vwo examen economie

In opgave 3 wordt een vraag en aanbodmodel voor de productie van varkensvlees geschetst. Er wordt gesproken over de negatieve externe effecten bij deze. Er wordt via een formule een bedrag in euro’s aangehangen. Zonder deze effecten mee te nemen komt men op een evenwichtsprijs van € 6,-

De vraag is dan echter:

Het onderzoeksbureau stelt: “In de evenwichtsprijs van 6 euro in het model zijn externe effecten niet meegenomen.”

10.  Zou de prijs hoger of lager moeten zijn als externe effecten worden geïnternaliseerd? Licht het antwoord toe

In zowel de zin voor de vraag als de vraagstelling zelf is het woord ‘negatieve’ weggevallen, of enige verwijzing naar de voornoemde negatieve externe effecten ontbreekt. Externe effecten kunnen ook positief zijn, en positieve externe effecten kennen, indien geïnternaliseerd, een prijsverlagend effect. Gelukkig is dit nu eens geen meerkeuzevraag, dus de kandidaat die deze alternatieve denkrichting  als zodanig benadrukt, kan gelukkig ook nog de punten scoren. Maar het normantwoord is net als de verdere vraag zo dwingend richting de negatieve effecten, dat een vluchtige correctie ongetwijfeld een genoemd positief extern effect over het hoofd zou kunnen zien.

Gezien de hele vraagstelling wijst alles echter zodanig richting de negativiteit van deze effecten, dat we ons moeilijk voor kunnen stellen dat kandidaten nu opeens met positieve effecten op de proppen zouden komen. Maar het kán wel…

861549612bc1734e5d2c537bf8b8778f_1401319

Opgave 4 Patatje oorlog

Twee plaatselijke snackbars raken in een prijzenslag verwikkeld. Men overweegt de prijzen te verlagen, teneinde meer omzet binnen te halen.
Een algemene denkfout wordt hier gehanteerd, die we nogal eens vaker tegenkomen in dit soort modellen. Alsof de (snackbar)ondernemer streeft naar een maximale omzet. Neen, deze zal zich veel meer door te behalen winst laten leiden.  Zo zouden in vraag 15 beide ondernemers de prijs niet verlagen omdat zij dan een hogere omzet zouden behalen.
Hieraan moeten wij toevoegen dat een hogere prijs, bij een hogere omzet, ook tot een hogere winst zal leiden.

Maar ook in vraag 17 redeneert men weer vanuit de omzet, getuige het normantwoord:
Een verklaring waaruit blijkt dat Jonker als reactie op een prijsverlaging door Van Vliet de hoogste omzet zal halen als hij kiest voor een prijsverlaging van 10% ( € 2.018 is meer dan € 1.950).

Concluderend
Meerkeuzevragen blijven een zwaktebod bij een vak waar men zoveel kanten uit kan als de economie. Verder moeten de examens beter gescreend worden op onvolkomenheden. Bij het denken in termen van omzetmaximalisatie zou men toch echt eens in de leer moeten bij bedrijfseconomen.

De realist
mei 2014

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.