Het Laatste Avondmaal van da Vinci
Weinig schilderijen zijn zo vaak op geheime boodschappen onderzocht als het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci. Dat het werk daar aanleiding voor geeft, is begrijpelijk: het is enorm, het is opvallend anders dan eerdere versies van hetzelfde tafereel, en het is door slijtage en restauraties op veel plekken onzeker geworden. Waar onzekerheid is, groeien theorieën.
Wat er te zien is
Het werk beslaat een volledige wand van de eetzaal van een klooster in Milaan. Het moment dat is gekozen, is niet het instellen van de eucharistie maar de mededeling dat een van de aanwezigen zal verraden — en daarmee is het onderwerp niet een ritueel maar een reactie.
Dat verklaart de opzet. De figuren zijn in vier groepen van drie verdeeld, elk met eigen gebaren: ongeloof, verontwaardiging, vragen, wegduiken. Alle lijnen van het perspectief komen samen bij het hoofd in het midden, dat juist stil is terwijl om hem heen alles beweegt. Die combinatie van orde en opwinding is de reden dat het werk zo vaak wordt nagevolgd.
De techniek en de schade
Een fresco wordt op nat kalkpleister gemaakt en moet snel af. Leonardo werkte niet zo; hij wilde kunnen bijschaven en gebruikte daarom een techniek met bindmiddel op droge muur. Die keuze gaf hem de fijne overgangen die hij zocht en kostte het werk bijna zijn bestaan: de laag begon al bij zijn leven los te laten.
Daarna kwamen eeuwen van vocht, een doorgebroken deur onder het midden van de voorstelling, overschilderingen, oorlogsschade aan het gebouw en een reeks restauraties. Wat er nu hangt, is voor een deel Leonardo en voor een deel reconstructie — en precies daarom is voorzichtigheid geboden bij het uitleggen van kleine details.
De bekendste theorieën
De hardnekkigste is dat de figuur rechts van het midden geen man maar een vrouw zou zijn. Kunsthistorisch is daar geen steun voor: de jongste leerling werd in deze traditie al eeuwen als een jonge man zonder baard geschilderd, en dat staat ook zo in de voorstudies en in werk van tijdgenoten.
Verder circuleert het idee dat de gebaren, of de vorm die twee figuren samen maken, een verborgen leer aanduiden, en dat er in de stand van de handen of in het brood muzieknoten of letters te lezen zijn. Zulke patronen kun je in vrijwel elke drukke compositie vinden — wij zijn uitstekend in het zien van vormen — en ze zijn nergens in Leonardo's eigen aantekeningen terug te vinden.
Eén oud verhaal blijkt wel waar: aan de handen van de verrader ligt een omgevallen zoutvaatje, en dat was ook in Leonardo's tijd een teken van onheil. Dat is geen geheim maar gewone beeldtaal, zoals de beurs die dezelfde figuur vasthoudt.
Wat het werk echt bijzonder maakt
Niet een verborgen code, maar de keuze voor het menselijke moment. Elke figuur reageert anders op dezelfde mededeling, en je kunt van elk gezicht aflezen welk karakter erbij hoort. Dat was nieuw, en het is nog steeds de reden dat mensen in de rij staan voor een beschadigde muur in een voormalige kloosterrefter.
