Diabetes Mellitus Type 2; ouderdomssuikerziekte

Door Dralik gepubliceerd op Thursday 09 April 18:19

Diabetes Mellitus, in de volksmond ook wel suikerziekte genoemd, wordt veroorzaakt door een stoornis in de stofwisseling. De stoornis wordt veroorzaakt door een absoluut of relatief gebrek aan insuline. Hierdoor kan er een verhoogd bloedglucosegehalte ontstaan. Er zijn in Nederland 1,2 miljoen diabetes patiënten, waarvan ongeveer 90% bekend is met type 2.

Pathofysiologie insulinesecretie

Onder nuchtere omstandigheden, zul je na 4 uur geen glucose meer krijgen van het spijsverteringskanaal. Je lichaam heeft glucose nodig, waardoor het voor 90% glucose uit de lever ontvangt en de rest uit de nieren. Glucose wordt gevormd uit glucose-6-fosfaat door glucose-6-fosfatase (dit gebeurt uitsluitend in de lever). De glucose ontstaat door één van de volgende twee processen: glycogeen afbraak of aanmaak van glucose door aminozuren. 
Door lage insulinespiegels in het bloed, worden er meer triglyceriden in de vetcellen afgebroken. Dit wordt ook wel lipolyse genoemd. Hierbij komen vetzuren vrij, waarvan een deel in de lever wordt omgezet in acetylazijnzuur. Uit acetylazijnzuur kan weer bètahydroxyboterzuur of aceton worden gevormd. Deze drie stoffen worden ketonlichamen genoemd.

Onder niet-nuchtere omstandigheden, zullen je darmen glucose aanbieden aan je lichaam. De alvleesklier neemt de toename van de bloedglucoseconcentratie waar, waarna in de bètacellen van de alvleesklier glucose wordt omgezet in glucose-6-fosfaat, door het enzym glucokinase. Door de toegenomen glucosemetabolisme ontstaat er een toename van ATP (chemische energie). Hierdoor gaan ATP-afhankelijke kaliumkanalen dicht en de celmembraan depolariseert (wordt geactiveerd). De voltageafhankelijke calciumkanalen registreren dit en zorgen een influx van calcium; dit leidt tot insulinesecretie. 

Het incretine-effect 
Als glucose oraal wordt toegediend, wordt er meer insuline geproduceerd, vergeleken met het intraveneus toedienen van glucose. Twee darmhormonen zijn hier verantwoordelijk voor: GIP en GLP-1. Bij patiënten met type 2 diabetes is het incretine-effect verminderd. 

Diagnostiek
De diagnose diabetes wordt gesteld door het bepalen van de bloedglucosewaarde, in (niet-)nuchtere omstandigheden. Indien er geen klachten zijn, zal de bloedglucosewaarde later nog een keer bepaald worden, indien het de eerste keer afwijkend is. De bloedglucosewaarde is verhoogd (hyperglykemie), indien in nuchtere omstandigheden de bloedglucosewaarde hoger is dan 7 mmol/L of in niet-nuchtere omstandigheden hoger is dan 11,1 mmol/L. 

Etniciteit
Type 2-diabetes komt bij een bepaalde groep mensen vaker voor. In Nederland zien we dit terug bij de minderheidsgroepen; Surinamers, Antillianen, Marokkanen en Turken. 

Pathogenese
Het ontwikkelt zich vaak sluipend. Als de diagnose gesteld wordt, heeft de patiënt de ziekte al een tijdje. Bij type 2-diabetes is er sprake van zowel een tekort aan insuline (of helemaal geen insuline) als insulineresistentie (verminderde/geen werking van insuline). De insulineresistentie ontstaat voornamelijk door overgewicht, dat een belangrijke risicofactor is van type 2-diabetes.

Symptomen

  • vaak dorst en veel plassen
  • veel moe zijn
  • last van ogen, zoals rode en branderige ogen, wazig zien, dubbel zien of slecht zien
  • slecht genezende wondjes
  • kortademigheid of pijn in de benen bij het lopen
  • infecties die vaak terugkomen, zoals blaasontsteking

Behandeling
De vraag naar insuline moet verminderd worden. Dat kan door meer te bewegen, gezonder en minder te eten en door medicatie. Bloedglucoseverlagende middelen zijn: biguaniden (metformine), sulfonylureumderivaten, α-glucosidaseremmers, thiazolidinedionen (PPAR-γ-agonisten) en incretine-enhancers (DPP-4-remmers). De basis van een medicamenteuze behandeling is metformine. 

Complicaties

Bij type 2-diabetes patiënten is de kans op hart-en vaatziekten twee-tot viermaal verhoogd. 

Verschillen met type 2
Diabetes type 2 begint voornamelijk na het 40e levensjaar en komt familiair vaker voor. Het HLA-systeem heeft geen relatie met type 2. De symptomen zijn minder ernstig en het plasma-insulinespiegel kan verlaagd, gelijk of verhoogd zijn. Eilandcelantilichamen zijn afwezig. Er ontstaat zelden ketoacidose.

Bron:
Hoofdstuk 20 Interne geneeskunde. C.J. Tack.
https://www.diabetesfonds.nl/over-diabetes/heb-ik-diabetes/symptomen-van-diabetes

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.