Diabetes Mellitus Type 1, een ingewikkelde ziekte

Door Dralik gepubliceerd op Thursday 09 April 17:57

Diabetes Mellitus, in de volksmond ook wel suikerziekte genoemd, wordt veroorzaakt door een stoornis in de stofwisseling. De stoornis veroorzaakt een absoluut of relatief gebrek aan insuline, dus het lichaam maakt dan weinig tot geen insuline aan. Hierdoor kan er een verhoogd bloedglucosegehalte ontstaan. In 2020 zijn er ongeveer 100 duizend diabetes type 1-patiënten bekend. In 2020 wordt er nog steeds onderzoek gedaan naar de pathogenese; diabetes type 1 is een ingewikkelde ziekte.

Type 1 Diabetes

Bij diabetes type 1-patiënten is er sprake van bètaceldestructie, wat leidt tot insulinedeficiëntie. Bètacellen zijn de cellen van de alvleesklier, de pancreas. Deze cellen maken insuline. Als deze cellen kapot zijn, kunnen ze geen insuline meer maken. Dat is de reden, waarom er bij mensen met diabetes type 1 geen tot weinig insuline wordt aangemaakt in het lichaam. Deze patiënten zijn van insulineafhankelijk en daarom wordt dit type ook wel insulineafhankelijke diabetes genoemd.

Het aantal diabetes type 1-patiënten is ongeveer 10% van de totale diabetespatiënten in 2020. In Nederland waren er in hetzelfde jaar ongeveer 100.000 diabetes type 1-patiënten bekend. 

Pathogenese
Net als naar de oorzaak, wordt er ook onderzoek gedaan naar de pathogenese van diabetes type 1. Bij diabetes type 1-patiënten is, volgens onderzoekers, de insulineproductie verstoord, doordat eigen lichaamscellen van het immuunsysteem, de bètacellen in de alvleesklier aanvallen en kapotmaken. Volgens de onderzoekers komen er nog wel nieuwe bètacellen bij, maar die worden weer opnieuw aangevallen en kapotgemaakt door het immuunsysteem. Hierdoor is de insulineproductie verstoord. 
Door te weinig insuline in het lichaam, is er te veel glucose in het bloed en nemen lichaamscellen te weinig glucose op. Dat is de reden waarom diabetespatiënten snel vermoeid kunnen raken. 

De oorzaak van type 1-diabetes wordt in 2020 nog steeds onderzocht. Er is uit verschillende onderzoeken naar buiten gekomen, dat genetische aanleg een oorzaak is van diabetes type 1. Door een aanleg voor HLA-DR3 en HLA-DR4, zijn deze mensen vatbaar voor diabetes type 1. Er wordt gesuggereerd dat zonder deze genen het niet mogelijk is dat iemand diabetes type 1 ontwikkelt. Ook is gebleken dat het subtype HLA-DR2 de kans op het ontwikkelen van een diabetes type 1 verlaagt.

Diagnostiek

Tijdens het consult wordt er eerst gekeken naar de klachten van de patiënt. Indien deze overeenkomen met bepaalde symptomen van diabetes type 1, staat deze diagnose bovenaan in de differentiaaldiagnose. 
Als diabetes in de differentiaaldiagnose staat, wordt de bloedglucosewaarde gemeten. De diagnose diabetes wordt gesteld door het bepalen van de bloedglucosewaarde, in (niet-)nuchtere omstandigheden. Als er geen klachten zijn, wordt de bloedglucosewaarde later nog een keer bepaald, mits de bloedglucosewaarde de eerste keer afwijkend is. 

De bloedglucosewaarde is verhoogd (hyperglykemie), als in nuchtere omstandigheden de bloedglucosewaarde hoger is dan 7,0 mmol/L (normaalwaarde 5,6 mmol/L) of in niet-nuchtere omstandigheden hoger is dan 11,1 mmol/L (normaalwaarde 7,8 mmol/L). 

De diagnose moet op tijd gesteld geworden, voordat de ketonen zich in het bloed ophopen. Ketonen ontstaan, als er te veel vet wordt afgebroken; het zijn afvalstoffen van vet. Dit kan uiteindelijk zorgen voor een keto-acidotisch coma. 

Symptomen
Bij diabetes type 1-patiënten is er sprake van te weinig/geen insuline, waardoor er een te hoge bloedglucosewaarde (een hyperglykemie) gemeten kan worden. Doordat er bijvoorbeeld te veel insuline wordt gespoten door de patiënt, kan er een hypoglykemie ontstaan; dan is er een te lage bloedglucosewaarde. Een hypo kan daarnaast ontstaan door een dieet, doordat er bijvoorbeeld te weinig voedsel met koolhydraten wordt ingenomen. Ook kan een hypo ontstaan bij veel lichamelijk activiteit. Diabetes type 1-patiënten moeten goed opletten en een balans proberen te vinden tussen eten en drinken (koolhydraten) en lichamelijk activiteit. De klachten van een hypoglykemie en een hyperglykemie verschillen van elkaar. 

De klachten bestaan bij diabetes type 1-patiënten meestal nog erg kort. Doordat er meer spierafbraak plaats vindt, kan er gewichtsverlies ontstaan. Andere klachten bij diabetespatiënten kunnen zijn: 

  • Vaak dorst
  • Veel plassen
  • Vermoeidheid en sufheid 
  • Huidinfecties
  • Ontstekingen 
  • Slecht of wazig zicht
  • Plotselinge humeurigheid/snel boos worden
  • Misselijk zijn of overgeven
  • Alles voelt vervelend
  • Jeuk bij de schaamstreek

Behandeling
Het doel van de behandeling is om een evenwicht te bereiken tussen de insulinespiegels in het lichaam. Voor een optimale behandeling wordt er veel energie van de patiënt verwacht; dagelijkse insulinedosering, voeding en lichamelijke inspanning moet in balans gehouden worden. Dit is belangrijk, om een hypo te voorkomen. 
Diabetes type 1-patiënten prikken vaak in hun vinger om hun bloedsuikerspiegel te meten. Indien verlaagd, nemen ze iets te eten/drinken met suiker, zodat de bloedsuikerspiegel weer normaal wordt. Indien verhoogd, wordt er insuline in het lichaam gespoten.

Insulinepreparaten
Omdat het lichaam van diabetes type 1-patiënten geen insuline kan maken, injecteren zij op een dag een paar keer insuline in hun lichaam, om een hyperglykemie te voorkomen. Er zijn kortwerkende en langwerkende insulinepreparaten. Kortwerkende insulinepreparaten worden snel opgenomen in het bloed en zijn werkzaam voor ongeveer 6-8 uur. Voorbeelden van kortwerkende insulinepreparaten zijn lispro, aspart en glulisine. Langwerkende insulinepreparaten worden langzamer opgenomen en werken voor ongeveer een dag. Voorbeelden van langwerkende insulinepreparaten zijn glargine en detemir. 
Als insuline snel opgenomen moet worden, wordt insuline in de buik gespoten (kortwerkende insuline). Als de insuline langzaam opgenomen moet worden, wordt insuline in de benen gespoten (langwerkende). Ook kan insuline in de dijbenen en armen gespoten worden. 
De arts bepaalt welk insulinepreparaat de patiënt krijgt en aan welk schema wordt gehouden. Als behandeling wordt vaak gekozen om viermaal per dag insuline te spuiten. Er wordt volgens dit schema driemaal per dag vóór het eten een kortwerkend insulinepreparaat ingespoten én voor het slapen één keer een langwerkend insulinepreparaat. 

Complicaties
Door diabetes type 1 kunnen verschillende complicaties ontstaan. Hieronder staan een paar veelvoorkomende voorbeelden: 
Hypoglykemie: kan ontstaan doordat iemand die met insuline wordt behandeld, een maaltijd heeft overgeslagen of een te zware lichamelijke inspanning heeft verricht. Dit kan leiden tot adrenerg symptomen (hoge hartslag, zweten, onrust en trillen) en later, nadat de hersencellen uitgeput zijn, ook tot neurogene symptomen (dubbelzien, hoofdpijn, verwardheid, etc.)
Retinopathie: Netvliesaandoening. Dit is een microangiopatische complicatie. Dit betekent, dat kleine bloedvaten zijn aangedaan. Door lasercoagulatie van het netvlies kan progressie en blindheid worden voorkomen. 
Nefropathie: Nierfunctieverlies. Dit is een microangiopatische complicatie
Neuropathie: Dit is dat sommige zenuwen niet goed meer werken. Dit is een microangiopatische complicatie
Hart- en vaatziekten: Dit is een macroangiopatische complicatie. Dit betekent, dat grote bloedvaten zijn aangedaan. Dit kan komen door te veel atherosclerose (vaatkalk) in de bloedvaten.
 
Verschillen met type 2
Tot de aandoening diabetes behoren twee types; type 1 en type 2. Er zijn een paar verschillen tussen deze twee types:

  • Diabetes type 1 begint voornamelijk in de puberteit. Diabetes type 2 wordt gezien als een ouderdomsziekte, want de diagnose wordt vaak gesteld bij mensen ouder dan 40 jaar. 
  • Diabetes type 1 komt familiair minder vaak voor. Bij diabetes type 2 komt dit vaker voor. 
  • Diabetes type 1 heeft volgens vele onderzoeken een genetische oorzaak. Het HLA-systeem zou hiermee te maken kunnen hebben. Diabetes type 2 heeft meer met leefstijl te maken, maar heeft ook een genetische oorzaak. Het verschil is alleen dat type 2 niets te maken heeft met het HLA-systeem, terwijl dit bij type 1 patiënten cruciaal kan zijn volgens onderzoekers.

Interne geneeskunde, C.J.Tack. Hoofdstuk 20.
https://diabeter.nl/nl/over-diabetes/type1diabetes/

 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.