18 pagina’s Uit: ‘Omdat je jarig bent!’

Door Cchristel gepubliceerd op Tuesday 21 May 22:20

 

18 pagina’s

 

Uit: ‘Omdat je jarig bent!’

 

 

Dit document is samengesteld om een indruk te geven van het verhaal.

Een thema. Drie onderwerpen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘Omdat je jarig bent!’

Als veiligheid niet vanzelfsprekend is…

 

©hristel Steijger

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘Omdat je jarig bent!’

Copyright © 2019 Uitgeverij: ©’Dani

 

Auteur en omslagontwerp: C. Steijger

Foto omslag: D. den Ouden

Redactiewerk: HT-C Communicatie en Marketing

Drukwerk: New Energy Drukwerk B.V.

 

ISBN 978-90-829933-0-1   

NUR 320

 

Bestelling: christelsteijger@gmail.com 06-13638198 of de boekhandel

 

Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit boek mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.

 

 

Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.

 

 

 

 

 

‘Omdat je jarig bent’ is het schrijnende relaas van een vrouw die in haar hartstochtelijke strijd om veiligheid en gerechtigheid voor haar moeder volstrekt onrechtvaardig wordt bejegend door haar familie en diverse instanties. Geschreven in een geheel eigen stijl en recht uit het hart. Wat overblijft zijn onmachtige tranen. –

Hanneke Tinor-Centi, HT-C Communicatie en Marketing.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor Dani, jij verdient eer en zoveel meer dan dit verhaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pagina 17 t/m 21

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij de halte wacht ik op de bus. Ik had in 2011 alles gelezen dat ik online had kunnen vinden over reukvermogen en over gevolgen bij het ontbreken daarvan. De destijdse voorzitter van de vereniging van mensen zonder reukvermogen sprak over een taboe. Het doet in ieder geval wat. Gewoon, in het dagelijkse leven.

 

‘Ruik eens…’ Er schoof geregeld iemand iets onder mijn neus en hoe vaak ik mijn onvermogen ook benoemde, ik moest het blijven herhalen. ‘Oh, ja!’ Haha! ‘Vergeten!’ Ja nou, leuk…

 

‘Dat bestaat niet,’ merkte iemand op, die nooit had gehoord van mensen zonder reukvermogen. Hij hoorde sowieso niet goed, dacht nog dat er, door mij opgemerkte, sirenes in mijn hoofd afgingen.

 

Een ander zei: ‘Dat is mooi, dan ruik je de stinkende kattenbak ook niet.’

 

Voor mij is het verre van grappig. Ik ervaar het positieve er niet van. Ik vind het eerlijk gezegd met regelmaat best zwaar om te leven zonder reukvermogen. Ik heb diepe armoede gevoelens ervaren en dan bedoel ik dat niet in financiële zin.

Sinds ik mij er meer bewust van ben, heb ik het gevoel continu op mijn hoede te moeten zijn. Ik wil inzage hebben in, en overzicht van, de omgeving of de situatie waarin ik me bevind. Ik wil nooduitgangen kennen in onbekende gebouwen en wens geruststelling. Ik zie graag rookmelders en sprinklerinstallaties. Het is soms best vermoeiend en bij velen onbekend.

Ik zit in de bus en blader door het document. Het had jarenlang in een la gelegen. Ik had vragen mogen voorleggen aan, en antwoorden mogen ontvangen van, elf mensen die aangesloten waren bij een forum. Dit elftal ‘niet-ruikers’ varieerde in leeftijd van tieners tot zeventigers (2011). 

 

Een leven zonder reukvermogen en dan.. ?

'It sucks,’ had Geert geschreven, ‘ik besef wat ik mis, met vooral praktische gevolgen. Veel smaakt hetzelfde, maar door zout, zoet, bitter, zuur en structuren kan ik toch wat proeven. De invloed die het op mijn gezin had, was soms minder grappig, zeker in het begin. Ik kon er maar moeilijk mee overweg dat iedereen zei hoe lekker het eten was.’

'Het lijkt misschien fijn,’ reageerde Jessica, ‘om geen vieze geurtjes meer te ruiken, maar geen reukvermogen betekent ook het gemis van alle lekkere geuren.'

Carolien schreef: ‘Eten smaakt vaak hetzelfde. Bovendien is het onpraktisch dat ik niet kan ruiken. Zo neem ik niet waar dat mijn kleinkind met een poepluier rondloopt. Ook in mijn werk als verpleegkundige kan het ongemakkelijk zijn. Ik verbaas me over verhalen van mensen die kunnen ruiken of het vermogen zijn kwijt geraakt en weten wat ze missen.'

'Een leven zonder reukvermogen heeft meer invloed dan ruikende mensen zich kunnen voorstellen,’ antwoordde Elske. ‘Het is belangrijk om daarmee rekening te houden zonder hen zielig te vinden. Ik richt me op mijn andere zintuigen. De zee ruik ik niet, maar des te meer geniet ik van het zien en horen van de golven.'

Wim benoemde het verdrietig en dramatisch: ‘Ik mis het bijna continu. Het is lastig, ook met handdoeken vervangen, maar genoeg wassen, deed ik altijd al.’

Nienke: ‘Ik kan het niet veranderen, maar het is niet gemakkelijk om ermee te leven. Mensen die kunnen ruiken, onderschatten het. Je kunt mensen zonder reuk helpen.'

Esmeralda: ‘Ik vertel voorvallen die me zijn overkomen en over de geuren die ik mis. Vaak ziet men het als iets positiefs dat ik niet kan ruiken totdat ik zeg dat ik geuren van bloemen, parfum of frisse ochtenddauw ook niet waarneem.'

Harrie noemde het een beperking: ‘Er is prima mee te leven. Soms levert het praktische problemen op. Het is bijna niet te doen, maar probeer je eens te verplaatsen in een leven zonder geuren.'

Ilonka beschreef: ‘Ik mis vooral de geuren van mijn partner, mijn zoon en de natuur.'

 

Een meerderheid kruiste ‘eens’ aan bij de stelling: Een leven zonder reukvermogen is leven zonder (vanzelfsprekend) aroma.

 

Sommigen zijn in de veronderstelling dat leven zonder een verstandelijke beperking ideaal is, maar ik ken geen mensen die qua verstand niet beperkt zijn.

Er bestaan twee zintuiglijke beperkingen, leerde ik in mijn zorgopleidingen, maar ik ken er drie en vermoed dat er meer zijn.

'Altijd eigenwijs,' zou Roderick zeggen.

'Ze heeft gelijk,' zou Marja reageren.

Ik ben eigenwijs en alert, in eerste instantie op mezelf aangewezen en altijd afhankelijk van mijn omgeving. Geuren trekken niet aan en stoten niet af. Dat gaat niet altijd goed.  Een saucijzenbroodje smaakte te lekker. Ik bestelde een tweede. Nou, daarvan had ik die nacht spijt. Ik hing, ziek, boven de pot.

Ik ervaar geen frisse omgeving na de schoonmaak, niet na een spontane regenbui of grasmaaien. Dat brandje in de meterkast had ik niet in de gaten. Een gaslek ruik ik niet en het maakt geen verschil of ik wakker ben. Waar ik ga of sta: overal is de geur hetzelfde.

 

Een vriend gaf eens tachtig euro uit aan parfum. ‘Op het werk kreeg ik allemaal complimenten van vrouwen.’ Hij keek hoopvol en was zichtbaar teleurgesteld dat ik er niets van vond. ‘Ik kocht het juist voor jou.’ Ik schoot in de lach. Hij was beledigd.

 

Een kennis, de zestig gepasseerd, was overtuigd met haar jeugdvriend de liefde van haar leven te hebben gevonden. ‘Het kwam door zijn lichaamsgeur,’ zo verklaarde ze.

Ik weet niet of ik het bed deel met iemand die stinkt of aantrekkelijk ruikt.

 

Een andere dame sprak: ‘Dat ik blind ben, wil niet zeggen dat ik mijn kinderen niet kan zien.’

Ik had graag mijn kinderen willen ruiken, meer dan wie of wat ook.

 

Ik las, in 2011, dat de eigenaar van een Japanse fabriek tijdens pauzes ontspannende geuren via het aircosysteem verspreidde. Tijdens werkuren deed hij datzelfde met activerende geuren. Hij haalde een omzetverhoging van circa veertig procent.

In Nederland werden op politiebureaus en in het openbaar vervoer  proeven uitgevoerd waarbij positief activerende geuren werden verspreid. Het bleek de agressie te verminderen. 

Ook nu worden geuren ingezet op evenementen om agressie te temperen en de positiviteitsgedachte te benadrukken.

 

Geuren; het reukvermogen, het is en blijft een bijzonder fenomeen. Het schijnt zelfs dat iemand in coma geuren waarneemt. Er bestaan er bovendien onnoemelijk veel. Mij wijzen ze echter niet de weg naar een viskraam, de bakker of een fijne partner.

 

Ik was opgelucht dat onze auto verkocht was. De monteur had weliswaar gezegd dat het brandende dashboardlampje geen enkel probleem was, maar misschien had hij daarachteraan gedacht, anders ruik je het vanzelf wel.

Ik mis de auto niet, maar mag wel het stopknopje indrukken, anders kan ik een eind lopen.

 

Er zijn hier beukennootjes, tamme kastanjes en ik herinner me de heerlijke gebakjes van de vorige keer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pagina 28 t/m 30

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zonder uitzondering verklaarden ze dat herinneringen aan geuren blijvend zijn, al vervagen ze.

 

De andere vijf, waarschijnlijk zonder reukvermogen geboren, zijn: Carolien (53), verpleegkundige en oma, Harrie (26), Esmeralda (37), gek op webdesign, Nienke (16), gek op lichtcreaties en Rianne (31). Ze hebben geen van allen herinneringen aan geuren, net als ik.

 

Ik vroeg of ze het gemis delen met anderen.

Geert antwoordde: 'Ik probeer het uit te leggen, voor mij heeft het een belangrijke plek.’

Agatha: 'Nee, ik kan het zeggen, maar het komt niet over. Mensen die ruiken, kunnen zich niet indenken dat je niets ruikt. Het brengt mij in verlegenheid. Als iemand zegt dat iets lekker ruikt, dan beaam ik dat.’

Jessica: 'Niet altijd, maar als het nodig is, als er een aanleiding toe is, bijvoorbeeld als mij wordt gevraagd om iets te ruiken, geef ik het aan. Soms ga ik er dieper op in, maar uit mezelf deel ik het eigenlijk nooit met anderen.'

Carolien: 'Iedereen mag weten dat ik niet kan ruiken. Ik laat collega's in het ziekenhuis ruiken als ontlasting of urine van een patiënt er vreemd eruitziet. Thuis weet mijn familie dat ik niets ruik. Ze waarschuwen mij als er iets stinkt in de koelkast of als de kattenbak verschoond moet worden.'

Wim: 'Het is onbelangrijk. Ik vertel het alleen als het in het gesprek past.'

Elske: 'Ja, vooral in het begin wilde ik er nog wel eens over beginnen. Dat gebeurt echter steeds minder sinds het deels is hersteld.'

Harrie: 'Ja, ik maak mensen er vaak op attent. Best veel gesprekken gaan over geur. Ik geef aan dat ik het niet mis. Ik heb het nooit gehad. Het vergt aanpassingen. Zeker bij het uithuisgaan. Ik loop er niet mee te koop, maar als het gesprek die kant opgaat, vermeld ik het vaak wel. Ik vind het belangrijk dat mensen om mij heen het weten én dat er meer bekendheid voor komt.'

Nienke: 'Soms vertel ik dat ik niets ruik. Ik vind het bijvoorbeeld heel vervelend dat ik naar zweet kan ruiken zonder het te weten.'

Ilonka: 'Ja, ik ben ook soms onzeker over mijn lichaamsgeur.'

Esmeralda: 'Ja, ik vermeld het doorgaans in de vorm van een gebeurtenis, bijvoorbeeld over aangebrand eten of over een openstaande gaskraan. Het is een stukje bewustwording voor mijn vrienden en mijzelf.'

 

Ons reukvermogen stuurt ons handelen instinctief en zonder nadenken. Bij gevaar maak je dat je wegkomt. Maar een neus hebben betekent niet per definitie dat die werkt. Naar schatting leefden in 2011 250.000 Nederlanders zonder reukvermogen. In 2018 steeg dit aantal naar 350.000. Op de website van het Reuk- en Smaakcentrum las ik dat zestien procent van de mensen problemen ervaart met hun reukvermogen.

Ik vermoed dat er veel onderzoeken nodig zijn, voordat we de gevolgen overzien. Antwoorden wijzen er voor mij vooral op dat ieder mens zijn eigen belevingen heeft: diversiteit is ons gegeven. Twee uitzonderingen: bijna het hele elftal omschreef zichzelf als creatief en dit werd door het volledige netwerk herkend. Het voltallige elftal had van doen gehad met gevaarlijke situaties en die hadden verkeerd kunnen aflopen.

En wie weet, misschien kan iemand het niet meer navertellen...

Eveneens opvallend is het feit dat acht van de ondervraagden aangaven over een sterk inlevingsvermogen en een hoogontwikkeld observatievermogen te beschikken.

De stelling ‘Leven zonder geurenwaarneming vraagt om aanpassingen’ werd door acht mensen erkend en ‘Ik ben optimistisch van aard’ door tien.

 

Het gebakje smaakte prima en ook de thee is op. Ik pak mijn tas in en zet de afwas weg. Ik heb nog een half uur voordat de bus komt en ga nog even de omgeving in. Ik ben gek op bos, al is het aangelegd.

 

De beukennootjes en tamme kastanjes herinneren me aan vroegere zondagse uitjes; met het hele gezin erop uit, op de fiets. Dat waren fijne momenten. Herinneringen doen ertoe...

 

Het brengt me bij een herinnering uit 2011. Ik dronk een bakje thee bij mijn ouders. Ik was weg bij de persoon met wie ik geruime tijd had samengeleefd. Ik deed niet wat ik wilde en deed wel wat eigenlijk niet paste. Kortom, ik was mezelf niet. Daarover hadden we het, aan hun ronde tafel in de keuken.

Roderick klonk nog tevreden: ‘Wij hadden het goed geregeld, he, Mar? Jij thuis bij de kinderen en ik werken.’

‘Goed geregeld? Dat was precies hoe jij het wilde!’

 

 

 

Pagina 31 en 32

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik ben vrij vlot thuis. Dit is een fijne verbinding en voor herhaling vatbaar. Bij het binnenkomen van onze woonkamer valt mijn oog op Blij. Blij is de naam van mijn eerste –nog niet voltooide- schilderwerkje, aan het begin van de emotierij.

Marja had mij, twintig jaar geleden, meegenomen naar een hobbywinkel. Ik zat in een dip, na een vrij heftig auto-ongeluk eerder dat jaar. Ik mocht iets leuks uitkiezen.

Mijn eerste aquarelwerkje op een ansichtkaart, appeltjes op een trapje, schonk ik haar. Ze was verwonderd. Dat was ze vaak van creaties van mijn hand. Des te creatiever ze mij vond, des te minder zichzelf, leek het wel.

Ik kan het niet laten om emmers te vullen, doeken over tafel uit te spreiden, verfspullen te pakken en mijn aandacht te weerleggen.   

 

Blij vertaalt zich in doorschijnende kleuren, als kleurenbogen. Het is fijn om hiermee bezig te zijn. Het is vele harten rijk, met een middelpunt dat geheel overzicht biedt. Bij de rondingen van de twee buitenste harten zitten heuvels, dat is glooiend gebied. Er staan minihuisjes, de meeste voor één persoon en op een bepaald stuk voor samenwonenden. Er staan struikenrijen als afscheiding. Elk huis heeft een mini tuintje, dat via een toogdoorgang wordt bereikt. Kleurrijke en fleurige bloemen verspreiden, ongetwijfeld, de lekkerste geuren. Onze kat Miss kroelde afgelopen zomer door de lavendelstruik. Die bevindt zich hier volop. 

Wanneer ik erop inzoom, is het alsof het werkelijk bestaat. Ik loop daar. Het heeft veel weg van een gezellig vakantiepark. Ik kom over paden, langs bezette bankjes en voorbij drukbezochte kramen. Ik hoor het geld rinkelen, zie collectieve ruimtes met een enthousiast animatieteam en mensen hossen, springen en lachen.

Ik eet mee in het restaurant, waar lekkere maaltijden worden geserveerd die bij de dagbesteding zijn vervaardigd. Met rinkelbelletjes en aanlokkelijke zachte lichtsferen weten mensen de weg naar de dagbesteding te vinden. Sommigen gaan zelfstandig, anderen stappen in het terreintreintje of nemen de arm van een sociale parkwerker, die in zijn opvallend vrolijk gekleurde kleding goed zichtbaar is.

Er worden keuzes voorgelegd, op allerlei gebieden, ook bij de dagbesteding. Het ruikt lekker, zeggen ze en dat is bewust. Er wordt gebruik gemaakt van positief aantrekkelijke geuren.

Het is in schaal van een op veel, want de oppervlakte neemt, meer dan een voetbalstadion, ruimte in. Het is misschien minder sportief, maar zeker zo gewenst. Er is minder gras, maar des te krachtiger is de uitstraling van geurende bloemen, prachtige struiken en bijzondere planten. Mensen genieten van het mos onder hun blote voeten.

Het zien van de geiten, het horen van waterstroompjes en de aanwezigheid van mensen; het leeft. Vogels fluiten.

Verjaardagen worden gevierd in de grote feesttent, waar regelmatig bands optreden, desgewenst wordt elke dag dezelfde gevierd, drie keer, vier. Het maakt niet uit. Cakes komen van de dagbesteding en daar kloppen ze ook de slagroom. Er wordt gehuwd, al komt er geen ambtenaar aan te pas. (Dit dient wel op de agenda te worden vastgelegd; het creëren van een bruidstaart is geen alledaagse dagbestedingsactiviteit.)

 

 

 

 

 

Pagina 35 36 en 37

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mijn fantasie brengt mijn gedachte naar een fonds dat gericht is op maatschappelijke projecten. Misschien kan ik dat aanschrijven? Het staat niet stil in mijn kop. Ik mag beginnen bij het begin. Anderen worden blij van geur, ik van licht en kleur. Het kaarsje brandt. Ik spoel kwasten schoon, leeg de emmers en zing mee met muziek uit de boxjes: ‘You thought that my pride was gone, O no, something inside so strong..’

Het schilderwerkje mag drogen.

 

Vandaag eten we pannenkoeken. Dat doen we zelden. Het herinnert aan het bakken door Lynn,  elke vrijdag, twee jaar lang bij opa Roderick en oma Marja. Daar ging ze, meisje van dertien, op de fiets langs het spoor. Nu mag ik op de fiets, boodschappen halen, Lynn verrassen. Ze is gek op pannenkoeken.

 

Elke kleine grijze Peugeot doet mij aan Marja denken.

'Wanneer krijg ik mijn auto terug?' Haar auto bij onze deur was wel zo veilig. Ze mocht niet meer rijden. We waren onderweg naar haar huis: 'Ik moet zelf weer eens de weg op, anders verleer ik het.' Alle keren ten spijt dat ik het knap noemde dat haar vader, mijn opa, zijn autosleutel inleverde op zijn 70ste. 'Ja,’ zei ze, ‘als het niet meer gaat, dan moet je dat doen.’

Aan het eind van de rit vroeg ze of ik aan haar kant wilde uitstappen, ik bedankte. Het leek erop dat ze amper wist hoe de auto in elkaar stak.

'Wil je binnenkort een keer met mij hierachter op het braakliggende terrein rijden?' Ze meende het, slechts een handtekening verwijderd van een proeftest waarna ze haar rijbewijs zou kwijtraken, maar het drong niet door.

'Je gebruikt medicijnen, je mag niet rijden.'  

We waren de woonkamer binnen. Roderick zat relaxed op zijn stoel.  'Jawel, maar ik ben gestopt met de ene.'

Hij schoot naar het puntje: 'He? Wat zeg je nou?'

'Tuurlijk neemt ze die,' suste ik, 'die zit in de baxterrol, dus die krijgt ze elke dag.'

'Maar die neem ik niet en die andere ook niet. Ik vind het maar onzin, die troep kan niet goed zijn voor je maag.'

Ik keek Roderick aan en zei: 'Morgen. Morgen gaan we naar de huisarts, hierover gaan we nu geen discussie voeren.'

Hij zweeg. Met moeite.

 

Tijdens hun vijfenveertigjarig huwelijksfeest maakten ze samen een schilderijtje. Dat siert de keuken. Ik pak de kom en de mixer uit het keukenkastje. Het is beslagtijd.

Ik ben geen keukenprinses, ik doe soms maar wat, vooral met die kruiden. Ik zou niet weten wat er allemaal mogelijk is. Lynn waardeert mijn kookkunsten, dus dat is mazzel, daarvoor doe ik het graag. Voor mezelf is het een van de meest confronterende activiteiten in mijn leven zonder reuk. Los van de gevaren, die ondanks oplettendheid blijven schuilen, vergaat mijn eetlust tijdens de uitvoering. Ik kook liever op een eerder moment. Ik hou niet van chaos. Ik wens overzicht, dus na het koken, werk ik eerst de afwas weg. Dat geeft meer rust om te kunnen genieten van het eten.

Ik vermoed dat velen zonder reukvermogen, ik heb het elftal niet hiernaar gevraagd, verminderd kampen met overgewicht. Mocht ik dit juist hebben en als dit statistisch aantoonbaar te maken is, zegt het iets over de kracht van dit vermogen.

We kennen geen waarden, waarmee we reuk(on)vermogen uitdrukken, zoals we kennen bij zicht- en gehoorverminderingen. Onze smaakbeleving schijnt er behoorlijk door te worden beïnvloed. De procentuele schattingen van smaakverlies door reukverlies liepen, in 2011, uiteen van veertig tot negentig procent. Ik kan mij overigens nauwelijks voorstellen dat dit in een percentage te zetten is. Sommigen bemerken niet het verschil in smaak tussen witlof en vis, anderen niet tussen een appel en een peer. Zoetstoffen en sambal proef ik overal bovenuit. Ik zou geen aardbeienthee van kersen kunnen onderscheiden, maar wel pepermunt en zoethout.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pagina 113 en 114 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit kunnen we toch niet willen? Dit kon niet blijven bestaan voor Marja? Ze had tegen Lynn gezegd, uitgeroepen, in paniek: ‘Ik ga hier dood. Neem me mee!’ Ik had iedereen van de familie benaderd, per mail, ik weet niet eens meer hoe. Mijn onprettige gevoel, de duidingen van Marja, de man die raar deed, die sfeer, en mijn smeekbede om haar weg te halen, moeten de boventoon hebben gehad. Laten we dit proberen, alsjeblieft, we kunnen haar daar toch niet dood laten gaan? Ze had gezegd dat het allemaal niet lang zou duren.

 

Die zondagochtend ging ik naar het huis van mijn vader. Ik was vroeg. Hij opende de deur met de telefoon in zijn handen. Vanaf de eerste seconde was hij resoluut. Ik had nog niets gevraagd. Hij had blijkbaar wel mijn mail gelezen: ‘Marja komt hier de drempel niet meer over!’

‘Ze is helderder,’ zei ik. ‘Ze hebben haar eindelijk van de medicatie af, ze herkent jou weer. Ze herkent waarschijnlijk ook haar huis weer en met inzet van iedereen moet het toch mogelijk zijn. Ik wil ..’

‘We kunnen niets! Wij gaan niets doen! Hoor je dat? Heb je wel enig idee hoelang jouw moeder al ziek is?’

‘Nou? Ga je een eerlijk antwoord geven?’

‘Dertig jaar!’

‘O ja, dertig jaar! Ben je de gezinsverzorgers vergeten? Al zeker veertig jaar! En wat wil je zeggen? Dertig jaar dementie? Hou toch op!’

‘Opdonderen, hier! Wegwezen trut!’ Tom trok me de keuken uit, hij duwde me door de hal en slingerde me naar buiten. ‘Jij moet een afspraak maken met je huisarts!’ Tranen sprongen in mijn ogen. ‘Jij bent ziek in je kop!' Ik dacht dat dit mijn broertje was. Ik fietste de straat uit, waar ooit mijn ouderlijk huis stond; het huis van mijn ouders.

 

Thuis zette ik koffie. Ik was amper bijgekomen. Lynn kwam de keuken in: ‘Ik ga eten en naar oma.’ Shit, dacht ik. Nu alweer? ‘Na gisteravond zie ik het niet zitten..’ Ik had nog niet verteld over deze ochtend. ‘Je hoeft niet mee,’ zei ze. ‘Ik appte opa net. Hij gaat zo die kant op. Dus ik ben niet alleen.’

 

Ze belde, weinig later, vanuit het huis: ‘Opa was er al. Er kwam een medewerkster binnen, ze zwaaide met een envelop en zei dat er post was voor Marja, o nee, voor Roderick, maar je kijkt toch eerst waar die naartoe moet? Opa las nieuwe huisregels voor. Er mogen geen opnames meer worden gemaakt, geen foto’s en geen video’s.’

Spraakopnames helpen mij voorkomen dat ik in mijn gevoel zou schieten, ze helpen om mijn kalmte te bewaren. Omdat ik niet meer wist wat ik moest met die nachtdienst, had ik gezegd het op te nemen. Ik hoopte dat ze me met rust zou laten.

Lynn had aardig rondgezwaaid met haar mobiel en er was niet een keer verzocht om dat te laten.

Tom had zaterdag geopperd een camera op te hangen in de kamer waar Marja verbleef. Hij had geen bezoek afgelegd maar hoorde van zijn kind dat die buurman ook bij hem nare gevoelens had opgeroepen.

Lynn vroeg of ik kwam. ‘Na dat gedoe van gisteravond? Daar weer binnen lopen?’

 

 

 

 

 

Pagina’s 184 185 en 186

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het was dus niet voor niets. Roderick moet met haar in de benedenruimte hebben gezeten. Hij kwam naar buiten, aan de voorkant, om Lynn te halen. Marja, waarschijnlijk in paniek, niet wetende waar Roderick naartoe was, nam een achteruitgang. Spoedig moet het gemis van Marja zijn opgemerkt. Deuren sloten. Roderick was nog niet bij Lynn.

De brandweer kwam snel. Ik had het grotendeels gefilmd, omdat Tom raar deed en om die bewakers, die aanwezig waren. De tijd van mijn opname kwam overeen met de tijd uit het nieuwsbericht, waarin de oudere dame later werd vervangen voor een jonge.

De foto met de hond moet kort na het terugbrengen zijn gemaakt. Ik kan die foto niet meer zien. Veel andere ook niet…

Maar mijn moment kwam. Een nieuw moment kwam. Ik zou haar meenemen, zoals de advocaat suggereerde.

 

De afspraak tussen Ester en Lynn wilde niet vlotten:

 

20-03-17, 16:08

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.