Wetenschappelijke theorieën over criminaliteit

Door Olaf_IsHier gepubliceerd op Tuesday 06 February 17:05

Criminologen doen onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van crimineel gedrag in de samenleving. Door middel van verschillende wetenschappen proberen zij te bestuderen waarom de één wel crimineel wordt en de ander niet. Uit deze wetenschappelijke proeven komen dan allerlei theorieën voort, die volgens hen het antwoord geeft op deze vraag. Helaas is er geen enkel theorie die het antwoord juist heeft, want zij verklaren allemaal maar een deel van het fenomeen criminaliteit. Toch geven deze theorieën een goed inzicht om het crimineel gedrag van personen te bepalen.​

 

  1. Anomietheorie
  2. Bindingstheorie
  3. Sociale controletheorie
  4. Etiketteringstheorie
  5. Gelegenheidstheorie
  6. Differentiële-associatietheorie
 
Anomietheorie
De Amerikaan Robert Merton onderzocht de verklaring voor crimineel gedrag in de maatschappelijke ongelijkheid. Mensen komen volgens hem in de maatschappelijke ongelijkheid terecht als het kloof tussen de levensdoelen en de beperkte middelen om die te bereiken te groot wordt. In de westerse wereld wilt men hoog op de maatschappelijke ladder staan en veel welvaart krijgen, maar door de beperkte middelen om dit te bereiken lukt dat niet iedereen. Volgens Merton kunnen mensen die zich in de maatschappelijke ongelijkheid bevinden hierop verschillend reageren: sommige accepteren hoe het is en andere zoeken steun tot niet-legale middelen. Dit kan leiden tot crimineel gedrag als diefstal, fraude en drugshandel. Zodra iemand steun zoekt tot niet-legale middelen, verdwijnt volgens Merton de culturele en sociale normen van die persoon.
 
Bindingstheorie
De Amerikaan Travis Hiraschi onderzocht juist waarom mensen geen steun zoeken tot niet-legale middelen. Fatsoenlijk gedrag komt volgens hem door de bindingen die we liever niet op het spel willen zetten, zoals familie, vrienden en collega's. Ook de normen en waarden die zijn aangeleerd kunnen de neiging naar niet-legale middelen doen afremmen. Mensen bij wie deze bindingen of fatsoenlijke normen en waarden ontbreken, hebben sneller de neiging om het verkeerde pad op te gaan volgens Hiraschi. Deze theorie verklaart bovendien dat jongeren meer crimineel gedrag uiten dan volwassenen, omdat de meerderjarigen vaak een vaste relatie en baan hebben.
 
Sociale controletheorie
Robert Sampson en John Laub leggen de nadruk op een specifiek onderdeel van de bindingen, namelijk de sociale controle. Bij mensen die crimineel gedrag vertonen, spelen hun ouders een belangrijke rol in het proces volgens deze twee mannen. Als de relatie tussen kind en ouders verzwakt, wordt de informele sociale controle automatisch ook zwakker en wordt de kans groter dat het kind steun zoekt tot niet-legale middelen.
 
Etiketteringstheorie
De Amerikaan Howard Becker ziet de afwijzing van de omgeving als de oorzaak voor het zoeken naar steun in niet-legale middelen. Het gaat bij deze theorie een en al om vooroordelen, want als iemand het "etiket" crimineel krijgt, zijn ze eerder geneigd tot het criminele vak. Individueel kun jij hier weinig aan doen, omdat volgens Becker de omgeving bepaalt of je een crimineel bent of niet. Neem als voorbeeld een Antilliaanse jongen die beslist om te gaan stelen, want zijn omgeving denkt toch al dat hij een crimineel is.
 
Gelegenheidstheorie
Marcus Felson baseerde zijn theorie op de ideeën van de econoom Adam Smith. Volgens Smith kiest iedere individu steeds voor zichzelf de meest gunstige optie die kosten en baten tegenover elkaar afweegt. Felson vertaalde deze principes naar een wetenschappelijke theorie, waarbij criminelen rationele beslissingen nemen om het verkeerde pad op te gaan. Volgens Felson zijn er drie omgevingsfactoren die een crimineel ertoe leidt om crimineel gedrag te vertonen, namelijk: het aantal potentiële daders, het aantal aantrekkelijke doelwitten en de mate van toezicht. Zodra deze drie factoren voordelig uitkomen voor iemand, is de kans zeer groot dat diegene tot niet-legale middelen wordt gedwongen.
 
Differentiële-associatietheorie
De Amerikaan Edwin Sutherland stelde vast dat er een samenhang bestaat tussen crimineel gedrag en de normen en waarden van de omgeving. Hij concludeert dat mensen op verschillende (differentiële) wijzen zijn verbonden (associatie) met criminaliteit. Zo zullen mensen uit hoge sociale klassen meer witteboordencriminaliteit tonen dan mensen uit lage sociale klassen. Omgekeerd werkt dit hetzelfde, want mensen uit lage sociale klassen zullen meer de neiging hebben om te gaan zakkenrollen of om de drugshandel in te gaan in vergelijking met mensen uit hoge sociale klassen. De normen en waarden uit de omgeving bepaalt dus min of meer welke soort criminaliteit wordt geaccepteerd en welke juist niet.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.