DE LAATSTE KANS

Door Cees Geluk gepubliceerd op Sunday 03 May 22:53

Opeens staat hij aan m’n bureau: H., mijn ‘naasthogere’. “Heb je even tien minuten voor me,” vraagt hij. Natuurlijk heb ik tien minuten. Al was het een half uur! Ondanks dat ik weet wat er gaat komen volg ik H. enigermate gespannen naar zijn kantoor. Ondertussen schiet de reden voor deze korte wandeling nog eens door mijn hoofd.

Bijna een jaar geleden werd de afdeling gereorganiseerd. Achttien collega’s verloren hun baan. Ik was blij dat ik die ‘slachting’ overleefde: ik had net een huis gekocht en kon nu de hypotheek blijven betalen. Mijn gezinsgeluk was voorlopig gered. De groep waarin ik terechtkwam leek kansen te bieden. Mijn direct leidinggevende, G., was maar één trapje ‘hoger’ dan ik en ik was de enige met mijn functieniveau in de groep. In mijn hoofd zag ik mezelf als de ‘nummer twee’, de ‘second in command’, de ‘chef-als-de-chef-er-niet-is’. Vanuit die positie, zo bedacht ik, kon ik onder begeleiding en met steun van G. rustig aan het vak van leidinggeven snuffelen, ontdekken of ik leidinggevende vaardigheden had en die uitbouwen.

Als gebruikelijk bleek de praktijk weerbarstiger dan de mooiste theorie. Een half jaar geleden ging G. op een kwade dag naar huis, klagend over pijn in zijn rug. Hij bleek een hernia te hebben en het herstel nam langer, veel langer dan normaal, in beslag. In de loop van de maanden probeerde ik, naar beste eer en geweten, de rol van G. op me te nemen. Voorzichtig, als meewerkend voorman, als ‘primus inter pares’. Want formeel had ik geen enkele macht, geen sanctie, geen mandaat. Als ik teveel zou ‘pushen’, vreesde ik dat ik me onder de collega’s volkomen onmogelijk zou maken. Ik hoorde mijn vader die me altijd had voorgehouden dat ik ‘mijn plaats moest kennen.’ Kapsones? Nee, dat kon ik niet hebben, dat was me vreemd. En zo deed de groep wat hij moest doen en probeerde ik het gat te vullen dat G. liet vallen. Totdat G. met de mededeling kwam dat hij een ‘stapje opzij’ ging doen. Hij vond dat onze groep recht had op een leidinggevende die er vaker was, vaker aanwezig kon zijn. Voor G.’s functie zou een vacature worden gesteld en in mijn hoofd leek het logisch om daarnaar te solliciteren. Het was in mijn beleving een kwestie van simpel doorschuiven. Vol goede moed schreef ik een brief en maakte een CV. Nog geen twee weken later volgde per e-mail de uitnodiging om een gesprek met H. te hebben.

Dat gesprek verliep anders dan ik me had voorgesteld. H. zat wel in de kamer, maar voerde niet het gesprek. Dat deed S., een recruiter, iemand ‘van buiten’ die tot taak had de beste kandidaat voor de functie te vinden. Het gesprek begon vriendelijk. S. wilde, zo zei ze, me beter leren kennen en vroeg me wat over mezelf te vertellen. Dat deed ik. Ik kreeg geïnteresseerde vragen, vertelde aan de hand daarvan verder. Gaandeweg werd de toon van het gesprek echter zakelijker, meer gericht op de vacature. Logisch, maar toch… Hoe zou ik dit doen, hoe zou ik die situatie aanpakken? Het vuur werd me na aan de schenen gelegd. Ik had niet op alle vragen antwoord, zei dat ook eerlijk: “Ik weet het echt niet, ik bèn immers nog geen leidinggevende.” Ik voelde me als een prooidier op de Afrikaanse savanne, en S. was een hyena die, als ze eenmaal een zwakke plek had gevonden, juist dáárop aanviel, en bleef bijten totdat de prooi was verslagen. S. stuurde het gesprek steeds verder weg van de vacature, steeds meer in de richting van mijn kennis, mijn expertise en mijn talent voor het overdragen van de kennis die ik in zestien jaar op de afdeling had opgebouwd. Was het niet beter, vroeg ze, om me daarop toe te leggen in plaats van op het leidinggeven? Ik had na drie kwartier ‘grillen’ geen weerwoord meer, gaf toe. Toen we uit elkaar gingen wist ik: mislukt. Ik zou de baan niet krijgen.

H. sluit de deur van zijn kantoor. “Ga even zitten,” nodigt hij me uit. Ik gehoorzaam en neem een stoel aan de vergadertafel. H. neemt tegenover me plaats. H. heeft een rond hoofd, valt me op. Veel haar heeft hij niet meer en de ring die nog over is draagt hij heel kort geschoren, bijna gemillimeterd. Zijn kin wijkt iets naar achteren en zijn gebit vertoont een ‘overbite’. Gecombineerd met kleine pretoogjes en een stemgeluid in een redelijk hoog register maakt het dat je van H. zelfs een doodvonnis nog met een glimlach zou accepteren. “Ik heb een besluit genomen… en jij bent het niet geworden,” begint hij. In ieder geval heb ik nu zekerheid: de sollicitatie is definitief mislukt. “Wat voor ons de doorslag gaf was dat je niet al vóór je sollicitatie de leidinggevende rol hebt gepakt. Je vertelde dat je dat vanuit je opvoeding moeilijk vindt. Dat herken ik wel, we zijn van dezelfde generatie. S. is veel jonger dan wij en die heeft daar niets mee. Voor haar moet je de rol die je wilt hebben gewoon kunnen pakken, anders ben je er niet geschikt voor. Maar waar ze ook op aansloeg was je verhaal over het overdragen van kennis, dat ‘onderwijzen’ waar ook je dochters mee ‘besmet’ zijn. Dáár zit jouw kracht en dáár moet je je volgens ons op toeleggen.” H. zegt nog meer, maar dat gaat langs me heen. Belangrijkste is dat ik geen leidinggevende ga worden. Dat wist ik al, maar het doet toch pijn om het bevestigd te krijgen. H. sluit het gesprek af, ik mompel iets van dat ik dit ‘een plekje ga geven’ en dan kan ik gaan. Terug naar mijn bureau, terug naar mijn redelijk geestdodende taak binnen de groep.

Een uur later zit ik in de metro naar huis. Nu ik rust heb kan ik overdenken wat dit voor me betekent. Ik heb gesolliciteerd omdat in mijn vakgebied vacatures niet voor het oprapen liggen. Iedere kans moet je dus aangrijpen. Me concentreren op mijn talenten lijkt logisch, maar is niet mogelijk omdat alles wat ik daarin zou kunnen en zeker ook zou willen doen, al door andere afdelingen gedaan wordt en ook daar zijn vacatures niet dik gezaaid. Open sollicitaties dan? Lijkt me niet. Dit is de tweede afwijzing in vijf jaar tijd en ik ga daar van nature niet zo goed mee om.

Waarom is deze sollicitatie eigenlijk mislukt? Omdat ik netjes ben opgevoed. Tot iemand die geleerd heeft geen ‘kapsones’ te hebben. Tot iemand die pas ‘buiten de pot piest’ als hij daartoe opdracht of mandaat heeft gekregen. En wat was ook al weer het advies? Me toeleggen op mijn kennis, expertise en talenten. Een talent voor schrijven heb ik zeker, een talent voor het onderwijs ook. En de kennis om via dat onderwijs door te geven heb ik al helemaal. Maar een functie die al die elementen in zich verenigt is er niet, was er nooit en zal er ook niet komen.

Ik ben 57 jaar oud. Deze sollicitatie zag ik als een van de laatste kansen, zo niet dé laatste kans om nog een stapje in mijn loopbaan te maken. En nu die mislukt is blijft me niets anders over dan te blijven zitten waar ik zit. Vanuit de leiding zal me geen andere baan worden aangeboden, hoe hard ze ook roepen dat ze iedereen ‘in zijn kracht’ willen zetten. Mijn kennis en expertise zullen, omdat ik niet in de gelegenheid ben ze bij te houden, in recordtempo verwateren. En waar ben ik binnen het bedrijf dan nog goed voor? Dat zal ik bij de eerstvolgende reorganisatie dan wel merken, lijkt me.

Als ik voor de deur van mijn huis uit de tram stap voel ik me mentaal nog maar een schim van wie ik ooit geweest ben. Zes en dertig jaar trouwe dienst aan een stuk. Dat heb ik erop zitten. Ik heb me nooit echt op de voorgrond gedrongen, altijd op de achtergrond heel flexibel en betrouwbaar mijn werk gedaan. En wat heeft me dat opgeleverd? Twee afwijzingen in de laatste vijf jaar en een grote gapende wond waar eens mijn toch al niet grote zelfvertrouwen zat. De laatste kans op iets anders is verkeken, de bodem is onder mijn ‘joie de vivre’ weggevallen…  Ik ben moe, ik ben op, ik wil naar binnen en naar bed. Ik heb voorlopig even helemaal genoeg van de wereld.

© Cees Geluk, mei 2015

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Ja, dat is balen! Ik kan me goed voorstellen hoe je je voelt.
Blijkbaar moet je niet afwachten, maar grijpen wat er voorbij komt en dat zit dus niet in je karakter. Sterkte met het verwerken van deze tik, en een compliment over de manier waarop je het allemaal hebt opgeschreven. Niet als een rancuneus en klagerig stuk, maar als overdenking.