EEN WERK VAN LIEFDE

Door Cees Geluk gepubliceerd op Sunday 19 April 22:59

Het is half negen in de morgen als mevrouw Voskamp bij Herman wordt binnengereden. Ze is zijn eerste afspraak deze dag.

“Goedemorgen, mevrouw. Mijn naam is Herman. Ik ga u verzorgen vandaag. Nou, u heeft een mooie dag uitgekozen, zeg! Er is geen wolkje aan de lucht en het ziet er naar uit dat het de hele week dit soort weer zal zijn. Overmorgen schijnt zelfs de beste dag van deze maand tot nu toe te gaan worden. Een prachtige dag. Nou, we gaan er maar eens voor zorgen dat u dan voor de dag kunt komen.”

Mevrouw Voskamp blijft stil, maar dat deert Herman niet. Hij weet dat ze niet kan praten. Daarom houdt hij in z’n eentje het gesprek maar gaande. Onverstoorbaar verder babbelend helpt hij haar naar zijn werkplek. Hij merkt dat de gewrichten van de oude dame wat stram zijn en masseert daarom eerst haar vingers, handen en ellebogen tot ze weer soepel zijn. Ook de voeten, enkels en knieën krijgen een beurt.

“Zo, dat is klaar. Kunt u weer een beetje bewegen. Vindt u het goed als ik verder ga?”

Zonder op een antwoord te wachten helpt hij de vrouw uit haar nachtkleding en draait een kraan open. In een mum van tijd vult de geur van zeep de ruimte. Hermans keuze is deze keer op Lavendel gevallen. Vol aandacht wast hij met weldadig lauwwarm water en een zacht washandje gezicht, benen, armen, haar hele lichaam. Er wordt geen stukje huid overgeslagen. Met een milde shampoo verzorgt hij daarna de haren. Als hij klaar is droogt hij alles af met zachte en donzige handdoeken en legt haar op een vers en schoon nieuw badlaken.

“Zo. Lekker schoon en droog. Dan ga ik nu eens zien hoe mooi ik u kan maken.”

Herman opent een metalen koffertje en haalt er kwastjes, poederdoosjes, crèmes, nagellak en meer attributen van de schoonheidsspecialist uit. Dit is het onderdeel van zijn werk waar hij het meest van houdt, waar hij de meeste voldoening aan beleeft. Hij begint met het insmeren van de armen en handen met een licht gekleurde crème die de kleur van haar huid net even dat ietsje natuurlijker laat overkomen. Dan zijn de nagels aan de beurt. Hij kiest een kleur nagellak die spreekt, maar vooral niet te uitbundig is. Dat past niet bij mevrouw Voskamp, maar vooral niet bij de manier waarop hij zijn taak beleeft. Hij wil dat zijn werk wordt gezien, maar niet dat het overheerst. Als Herman het goed heeft gedaan, weet hij, is duidelijk dat er iets gebeurd is, maar niet precies wat. Aanwezig zonder opvallend te zijn. Dat is waar hij naar streeft.

Na de armen, handen en nagels is het gezicht aan de beurt. Met een zachte spons brengt hij een foundation aan. Dan pakt hij een kwastje en brengt wat poeder op. Ook hier zorgt hij ervoor dat de kleur de huid het benodigde accent geeft zonder te schreeuwen. Een penseel zorgt ervoor dat ook de lippen kleur krijgen. De wat blauwige waas die er nu over ligt, weet Herman, vindt niemand prettig om te zien. Tenslotte borstelt hij de lange grijze haren, kamt ze netjes en brengt ze met haarspelden in een wrong achter het hoofd bij elkaar. Mevrouw Voskamp reageert niet. Natuurlijk niet. Niemand reageert hier. Herman neemt een paar passen afstand en bekijkt zijn werk.

“Netjes. U ziet er goed uit. Ik zal u nu maar verder aankleden want zo kunt u niet vertrekken.”

Met mevrouw Voskamp zijn ook haar kleren meegekomen. Een mooi blauw mantelpakje en een witte blouse. Een fraaie goudkleurige broche bezet met diamantjes maakt het geheel compleet. Met enige moeite, de gewrichten willen nog steeds niet echt goed meewerken, helpt Herman zijn klant in de kleding. Als laatste zet hij haar de bril weer op. Ze kan niets meer zien, maar die bril maakt het gezicht gewoon af. Opnieuw neemt hij afstand en kijkt. Kritisch, want hij weet dat zijn werk, ook al mag het niet te duidelijk zijn, voor heel veel mensen vaak heel belangrijk is.

Op dat moment wordt er geklopt. Als Herman de deur opent staat daar de collega die mevrouw Voskamp tweeënhalf uur geleden heeft gebracht.

“Is ze klaar?”

“Ja hoor, kijk maar. Ik mag best tevreden zijn, al zeg ik het zelf. Is ze geen plaatje voor haar leeftijd?”

“Ja. Je zou haar de negentig niet geven.”

“Zal ik je even helpen,” vraagt Herman.

“Graag,” antwoordt de collega, en kijkt Herman nadenkend aan.

“Wat is er,” wil hij weten.

“Hoe doe je het toch, Herman, iedere dag weer. Vier, soms vijf keer per dag.”

“Ach, weet je,” zegt deze, ik ben blij dat ik dit doen kan. Ze kunnen het zelf niet meer en iemand moet het voor ze doen. En uiteindelijk helpt het de nabestaanden bij de verwerking. En dat vind ik een mooie gedachte. Zullen we dan maar?”

“Is goed.”

Samen tillen ze mevrouw Voskamp op. Herman neemt de schouders, waarbij hij voorzichtig het hoofd ondersteunt, de collega tilt aan het voeteneind. Ze tillen haar van de werktafel over in de klaarstaande kist. Herman vleit het hoofd op het satijnen kussen en slaat de deken over de benen van de dode vrouw. Dan legt hij de handen liefdevol op elkaar op haar buik. In opwelling kust hij de toppen van zijn wijs- en middelvinger en drukt die op het voorhoofd van de overledene. De collega kijkt het wat bevreemd aan.

“Evengoed toch triest,” zegt Herman.

“Wat,” vraag de collega.

“Nou, dat mevrouw overmorgen helemaal alleen zal zijn. Ik heb begrepen dat ze via haar huisarts in de hospice is geplaatst. Dat ze helemaal alleen was, dat er niemand bij haar op bezoek is geweest. Ze had helemaal niemand meer. Geen man, geen kinderen, geen familie, geen vrienden, helemaal niemand. En overmorgen gaat ze voor het laatst op reis, met niemand om afscheid van haar te nemen.”

“Jezus, Herman! Ga je daar nou niet druk om maken, wil je? Dat soort dingen gebeuren nu eenmaal. Hoe ouder mensen worden, hoe vaker het voorkomt dat ze hun vaste kring overleven, alleen achterblijven. Dat hoort bij het leven, is niks aan te doen. Zet het van je af, is mijn advies. Als je daarover gaat zitten piekeren, kun je straks misschien dit werk niet meer doen.”

“Toch vind ik het jammer voor zo’n mevrouw. Ze heeft toch ook geleefd? Wie weet zou ze het wel plezierig hebben gevonden om te weten dat er nog iemand om haar gaf. Weet je, ik ben overmorgen toch vrij, ik ga haar gewoon dat laatste stukje begeleiden.”

“Moet jij weten. Ik breng deze mevrouw terug en breng je dan de volgende patiënt. Oké?”

“Ja hoor,” zegt Herman en kijkt de collega nadenkend na.

De collega rijdt de kist met mevrouw Voskamp naar buiten, naar de koelruimte. Vandaar, weet Herman, zal ze morgen naar de aula worden gebracht. Daar zal iemand van de hospice zijn, om te registreren dat de uitvaart is geweest. Verder niemand. Er zal geen plechtigheid zijn, er is immers niemand voor wie dat zin zou hebben? Door een administratieve vergissing heeft hij haar vanochtend niet alleen ter verzorging gekregen maar gisteren, samen met de aankondiging, ook het deel van haar achtergrond dat voor de burgerlijke stand bedoeld was. En dat heeft hem geraakt. Mevrouw Angela Voskamp, negentig jaar oud, overleden in een hospice, zonder verdere bekende familie of kennissen. Hij denkt aan zijn eigen moeder, inmiddels vijfentachtig. Die belt hij iedere avond om te vragen hoe het gaat. En deze vrouw had niemand. Niet toen ze definitief afscheid van het leven moest nemen, en straks ook niet als ze voor het laatst op reis gaat. Dat kan niet, dat mag niet. Dáárom heeft hij besloten de vergissing niet te melden en heeft hij haar verzorgd alsof het voor een normale uitvaart was. Daarom ook zal hij morgen zijn vrije dag opofferen en erbij aanwezig zijn als mevrouw voor het laatst weggaat.

Als de collega de volgende ‘patiënt’ binnenbrengt wrijft Herman zijn ogen droog, klaar om opnieuw te beginnen aan wat hij een wondermooie taak vindt. Hoe doet hij het, wil zijn collega weten? Misschien wel omdat hij simpelweg van mensen houdt…

© Cees Geluk, apr. 2015

Reacties (3) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Interessant verhaal. Met plezier gelezen!
Ja, een prachtig verstild verhaal en zeker bewonderenswaardig, de mensen die dit werk doen