Samenvatting M&O H18: Kostensoorten in industriële ondernemingen

Door Karin951 gepubliceerd op Thursday 12 March 10:22

18.1 Kostensoorten

Kostensoorten zijn de kosten die in een productieproces ingedeeld zijn naar aard van de ingezette productiemiddelen.

We onderscheiden de volgende kostensoorten:

  • Kosten van de grond
  • Kosten van grond- en hulpstoffen
  • Kosten van arbeid
  • Kosten van diensten
  • belastingen
  • Kosten van duurzame productiemiddelen

 

18.2 De kosten van de grond

Grond kan worden gebruikt als vestigingsplaats en als leveranciervan delfstoffen.

Industriële bedrijven hebben liever een vestiging aan de Randstad, dan ergens in de platteland. Hoewel de grond op het platteland stukken goedkoper is, weegt dit echter niet op tegen de voordelen in de Randstad. In de Randstad zijn veel klanten en toeleveranciers gevestigd. Ook is er een goed wegennet en is er de aanwezigheid van havens.

18.3 De kosten van grond- en hulpstoffen

Bij grondstof wordt er onderscheid gemaakt tussen bruto grondstoffenverbruik en netto grondstoffenverbruik.

Bruto grondstoffenverbruik = hoeveel grondstoffen je nodig hebt om de eindproducten te maken.

Netto grondstoffenverbruik = hoeveel grondstoffen in de eindproducten zitten.

Afval = bruto grondstoffenverbruik – netto grondstoffenverbruik

 

18.4 De kosten van arbeid

Arbeidskosten zijn de kosten die worden gemaakt als er menselijke arbeid wordt ingezet bij de productie. Deze kosten bestaan uit:

  • Het brutoloon
  • De sociale premies
  • De kosten van vakantie- en snipperdagen
  • De kosten van overige faciliteiten

Er zijn twee loonstelsels beschikbaar voor de berekening van de arbeidsloon:

  • Tijdloon
  • Stukloon

Tijdloon is het loonstelsel waarbij de beloning van de werknemer afhankelijk is van de gewerkte uren.

Stukloon is het loonstelsel waarbij de beloning van de werknemer afhankelijk is van de geleverde prestatie. De prestatie hoeft niet persé in hoeveelheid te worden uitgedrukt, maar het kan ook in kwaliteit worden uitgedrukt (bijvoorbeeld minder dan 1% afgekeurde producten).

 

18.5  De kosten van diensten

Dit zijn bijvoorbeeld kosten van vervoer, verzekering, energie, schoonmakers enzovoort.

 

18.6 De belastingen

Kostprijsverhogende belastingen = belastingen die de productiekosten verhogen (bijvoorbeeld: milieuheffingen en houderschapsbelasting)

Accijns en btw verhogen de verkoopprijs.

Inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting zijn belastingen over de behaalde winst.

 

18.7 De kosten van duurzame productiemiddelen

Investeren = de aanschaf van activa

Twee selectie criteria:

              Terugverdientijd =  je kiest de investering die zich het snelst terugverdiend.

Cashflow = het bedrag dat per saldo in een jaar binnenkomt.

Cashflow = nettowinst na belasting + afschrijving

 

              Netto Contante Waarde (NCW)

Netto Contante Waarde = contante waarde van de cashflows – investering

Contante waarde = cashflow : (1+i)^n

 

Als NCW < 0 wordt het geëiste rendement niet gehaald.

Als NCW = 0 wordt het minimale rendement gehaald.

Als NCW > 0 wordt het minimale rendement overtroffen.

Afschrijvingskosten zijn geen uitgaven. Ze brengen de kosten van de waardevermindering van duurzame productiemiddelen tot uiting.

 

18.8 Financieringskosten

Interestkosten dient om de verstrekker van het vermogen schadeloos te stellen voor de tijd dat hij zijn vermogen niet kan gebruiken voor iets anders.

Financieringskosten stellen de bedrijfsleiding voor de volgende vraagstukken:

  • De hoogte van de ingecalculeerde interest
  • De duur van het vermogensbeslag
  • De grootte van het vermogensbeslag

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.