Cursus 1 - Literatuur en lezer

Door Xmarjorieee_x gepubliceerd op Tuesday 10 March 22:18

Cursus 1 - Literatuur en lezer 

1 Lezers

1.1 Waarom lees je? 

Lezersreactie = effect van de tekst/ de uitwerking op jou                                                          Leesmotivaties = een reden om te lezen.                                                                                          - Leuk, plezierig, ontspannend, jezelf beter leren kennen door identificatie of inleving (herkenning), nieuwsgierigheid

Als lezer kun je een tekst prachtig, boeiend, spannend, geheimzinnig, diepzinnig, onsamenhangend, nietszeggend, ontoegankelijk of flauw. 

Effect dat een tekst op een lezer heeft wordt bepaald door; 

  1. Factoren die te maken hebben met jou als lezer;                                                waarom lees je, wie ben je als lezer en wat verwacht je?
  2. Factoren die te maken hebben met de tekst 

Begrippen door H_Justin, toegevoegd ter verduidelijking 

  • Lezersreactie: Het effect dat je krijgt bij het lezen van een tekst.
  • Leesmotivatie: De reden om te lezen.
  • Identificatie (of inleving): Het herkennen of inleven van de lezer in een tekst.
  • Literaire voorkeur (of smaak): De voorkeur van een lezer voor een literaire tekst.
  • Smaakontwikkeling: Een lezer kan zich ontwikkelen in de smaak van literaire teksten.
  • Gender: Het verschil in lezersrecactie dat bepaald wordt door sekseverschillen.
  • Een verhaal lees je met bepaalde verwachtingen. Het wel of niet uitkomen van verwachtingen is bepalend voor het effect voor jou als lezer. De titel, omslag en achterflap spelen een grote rol bij verwachtingen.
  • Genre: Het soort boek. (Bijv. thriller of roman)
  • Door suggesties krijg je als lezers vermoedens over het verdere verloop van het verhaal.
  • Indentificeren: Het ontdekken waar een verhaal over gaat.

1.1 Waarom lees je?

§2: Literaire teksten

  • Zakelijke teksten: Een tekst met alleen maar eenduidige teksten.
  • Eenduidige tekst: Een tekst waarbij de lezer na het lezen van de tekst geen vragen meer heeft. Dus een duidelijke tekst.
  • Literaire teksten: Een tekst met meerduidigheid.
  • Meerduidige tekst: Een tekst met meerdere betekenissen.
  • Open plek: Een tekstgedeelte dat voor jou als lezer onduidelijk is en vragen of een bepaalt effect bij je oproept. Open plekken ontstaan door:
  1. Informatieachterstand: Informatie die in een verhaal verzwegen is.
  2. Vermoeden: De lezer denkt meer te weten dan de personages in het verhaal.
  3. Gedrag van personages
  4. Titel
  • Gesloten einde: Aan het eind van een tekst zijn alle plekken door jou als lezer ingevuld.
  • Open einde: Aan het eind van een tekst blijven er vragen en onduidelijkheden voor jou als lezer.
  • Actieve lezer: Een lezer die zich dingen af gaat vragen en naar duidelijkheid zoekt.
  • Soorten literaire teksten:
  1. Proza: Een tekst waarbij de presentatie van de tekst geen belangrijke rol speelt. Een prozatekst van 100 pagina's of meer is een roman. Een prozatekst van 80 tot 100 bladzijdes is een novelle. Een prozatekst korter dan 80 pagina's noem je een (kort) verhaal.
  2. Gedicht: Een tekst met versregels en veel wit om de regels. De groepen bij elkaar gepresenteerde regels (= strofenworden door witregels gescheiden.
  3. Toneeltekst: Een tekst die is bedoeld om voor een groot publiek te presenteren.
  • Non-fictie verhaal: Een verhaal dat overeenkomt met de werkelijk en feitelijk en geloofwaardig is.
  • Fictieverhaal: Een verhaal dat afwijkt van de werkelijkheid.
  • Literaire non-fictie: Een betrouwbare beschrijving van de werkelijkheid met literaire technieken.

§3 Tekst, lezer en betekenis

  • Spontane belevenisgeving: Alleen maar aandacht hebben voor bepaalde aspecten van een tekst, waarbij je andere aspecten niet direct opmerkt.
  • Bewuste betekenisgeving: Een meer bewuste manier van lezen. (= analyseren)

 

 

Cursus 2

§1: Waarover wordt verteld?

  • Verhalende tekst: Een tekst die bestaat uit een aantal in zinnen weergeven gebeurtenissen. Als lezer leg je hier verbanden tussen.
  • Personages: Degene die in het verhaal voorkomen en verbonden zijn met de gebeurtenissen uit het verhaal.
  • Rollen van personages:
  1. Hoofdpersoon: Het personage dat een bepaald doel nastreeft.
  2. Bijpersonen: De personages die de hoofdpersoon hem steunen of tegenwerken bij het bereiken van zijn doel.
  • Het genre bepaalt wat het doel van het verhaal is. (Bijv. een moordoplossen = detective)
  • Als lezer kun je de personages op verschillende manieren leren kennen:
  1. Directe manier: De verteller geeft duidelijke aanwijzingen over de personages.
  2. Indirecte manier: Als lezer leer je de personages kennen door de manier waarop de personages iets doen of zeggen.
  3. Analogie: Personages worden vergeleken met iets wat over de personages zegt.
  • Verschillende manieren om over de personages te beoordelen:
  1. Psychologisch benaderen
  2. Maatschappelijk of ethisch: Het gedrag van personages dat afwijkt van van de lezer zelf. De normen en waarden van de personages zijn dan ook anders dan die van de lezer. 
  • Setting: De tijdruimtelijke situering. (= in welke tijd het zich afspeelt)
  • Verhalende teksten spelen zich in de historische tijd af.
  • Ruimte: Het aanduiden van de omgeving waar de gebeurtenissen zich afspelen.

§2: Hoe wordt verteld?

  • Structuur: De opbouw van een tekst.
  • Verteltijd: De tijd die je nodig hebt om een tekst te lezen.
  • Vertelde tijd: De tijd die de gebeurtenissen in de geschiedenis in beslag nemen.
  • Versnelling: Een gebeurtenis die lang duurt wordt kort verteld.
  • Vertraging: De tijd van een gebeurtenis is kort, maar wordt lang beschreven.
  • Scène: De vertelde tijd en de verteltijd zijn gelijk.
  • Vooruitwijzingen: Een stukje tekst waarin vertelt wordt wat nog zal gaan gebeuren.
  • Terugverwijzingen: Een stukje tekst waarin iets vertelt wordt wat al gebeurt is.
  • Flashback: Een personage beleeft een gebeurtenis die al eerder heeft plaatsgevonden.
  • Herhaling: Een onderwerp dat je de hele tijd benadrukt wordt.
  • Motieven: Elementen die in verhalen terugkeren. 
  • Er zijn 2 soorten motieven:
  1. Verhaalmotief: Een door jou als lezer herkend terugkerend betekenisvol element in een verhaal.
  2. Leidmotief: Herhaling van een woord of voor jou als lezer betekenisvol voorwerp.
  • Verhaallijn: Samenhangende reeks van gebeurtenissen.

§3: Wie vertelt?

  • Vertelinstantie: Vanuit wie het is geschreven.
  1. Auctoriale vertelinstantie: De verteller is duidelijk aanwezig en maakt geen deel uit van de personages uit het verhaal. De verteller weet wel alles van de personages.
  2. Ik-vertelinstantie: De verteller is duidelijk aanwezig in het verhaal en dat wordt vertelt. De verteller wat hij heeft beleefd of ervaren. De verteller kan een vertellend ik (= vertellen vanuit het verleden) of een belevend ik (= vertellen wanneer de verteller aan de gebeurtenissen deelneemt.)
  3. Personale vertelinstantie: De verteller is niet duidelijk aanwezig en lijkt verdwenen en onzichtbaar. Er wordt vanuit de hij-vorm gesproken.
  • Vertelinstanties kunnen een bepaald effect op jou als lezer hebben.
  • Focalisatie: De vertelinstanties of personages die in het verhaal waarnemen en/of een standpunt innemen.
  • Focalisators: De vertellers en/of personages die in het verhaal zien, denken of voelen.

§4: Aanwijzingen van de schrijver

  • Titelverklaring: Een verklaring/betekenis die jij als lezer zoekt tussen de titel en het verhaal.
  • Motto: Citaat uit een belangrijk boek.

 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.