De Schaduwen - George MacDonald (1)

Door Northwind gepubliceerd op Wednesday 04 March 15:52

Hierbij het eerste deel van het tweede verhaal van George MacDonald dat ik heb vertaald. Dit is mijn persoonlijke favoriet. (De onderstaande illustratie is afkomstig van een ander boek van MacDonald, At The Back of the North Wind. Illustraties van De Shadows zijn moeilijk te vinden.) Veel leesplezier!

3e3b265aac03fd536b7b3de4627c95a2_medium.

Ralf Rinkelmann verdiende de kost met het schrijven van komische verhalen, maar hij verloor alles weer met tragische gedichten. Daarom werd hij de uitverkoren koning van de elfen, want in Elfenland wordt de vorst gekozen.


Het is zonder twijfel heel bijzonder dat de elfen een sterfelijke koning willen, maar het is een feit dat zij zich, met al hun kennis en macht, niet kunnen onttrekken aan het besef dat sommige mensen nobeler zijn dan zij, hoewel ze niet kunnen vliegen of toveren. En zo kan een man als Ralf Rinkelmann worden verkozen als er twee keer het gewone aantal verstandige kiezers is.


Hij hoefde zijn ambtswoning niet te betrekken, want zijn aanwezigheid was alleen gewenst bij bijzondere gelegenheden. Maar op een of andere manier moesten ze hem wel naar Elfenland zien te krijgen, zodat ze hem koning konden maken. Als hij eenmaal gekroond was, konden ze hem zo vaak laten halen als ze wilden, maar bij deze ceremonie was er een probleem. Want elfen hebben alleen macht over volwassen stervelingen die tussen leven en dood zweven en alleen dan kunnen ze hem naar hun eigen land dragen. Daarom moesten ze het juiste moment afwachten.


Lang hoefden ze echter niet te wachten. Ralf was erg ziek geworden en terwijl hij zweefde tussen leven en dood, droegen ze hem weg en kroonden ze hem tot koning van Elfenland. Maar na zijn kroning was het, gezien zijn slechte gezondheid, geen wonder dat hij niet rechtop op de troon van Elfenland kon zitten. Het was ook geen wonder dat alle aardmannetjes en kobolds en alle lelijke en wrede wezens die in de holen en hoeken van het koninkrijk leven, als gevolg daarvan profiteerden van zijn toestand en wild werden. Ze haalden allerlei trucs uit met hem, de koning, ze verdrongen zich rond zijn troon, klommen bij de treden omhoog en klauterden zelfs over zijn oren en ogen, twistend als muizen, zodat hij niets kon zien en nergens anders aan kon denken. Maar over deze avonturen van Ralf ga ik nu verder niets vertellen. Na krachtig en aanhoudend ingrijpen slaagde hij er met veel pijn en moeite in om zijn rebellerende onderdanen onder zijn bevel te krijgen. Ze verdwenen allemaal naar hun respectievelijke holen en hoeken en koning Ralf, die weer tot zich begon te komen, werd wakker in zijn bed, half rechtop zittend tegen de kussens.


Maar er waren talloze donkere schepsels in de kamer die in het licht van het haardvuur op zo'n vreemde, groteske, geluidloze manier rond dartelden, dat hij eerst dacht dat sommige van zijn opstandige kobolds niet samen met de anderen waren onderworpen, maar dat ze hem over de grenzen van Elfenland waren gevolgd naar de beslotenheid van zijn eigen woning in Londen. Want hoe anders konden deze dwaze, potsierlijke nijlpaardkalveren hun opwachting maken in de slaapkamer van Ralf Rinkelmann? Maar hij begreep al snel dat deze wezens, hoewel ze leken op de ondergronds wonende kobolds, heel anders waren en dat hij ze anders moest behandelen. Hij was ervan overtuigd dat ook zij zijn onderdanen waren, maar dat hij ze op een of andere manier over het hoofd had gezien bij zijn kroning (als ze aanwezig waren geweest, want hij kon zich niet herinneren ooit zulke schepsels te hebben gezien). Daarom besloot hij om speciaal te letten op hun gewoonten, hun gebruiken en hun karakters, anders zou het hem zeker te veel worden. Daarvan was dit binnendringen in zijn kamer, waar mevrouw Rinkelmann (die koningin was geworden, aangezien hij tot koning was verkozen) het avondeten zat te gebruiken bij de haard, overduidelijk een voorbode. Maar zij merkte op dat hij met een kalmere gelaatsuitdrukking om zich heen keek dan hij sinds vele dagen had gedaan, kwam overeind en liep snel en stil naar zijn bed, haar gezicht stralend van blijdschap. Het vuur leek vrolijker te branden en de figuren bedaarden en begonnen zich respectvoller te gedragen. Ze trokken zich terug naar de muur als goed opgeleide bedienden. Toen dronk de koning van Elfenland wat thee en at hij een droge geroosterde boterham en terwijl hij achteroverleunde in zijn kussens viel hij bijna in slaap. Maar niet helemaal want hij hield de indringers in de gaten.


Nu verliet de koningin de kamer om het avondeten klaar te maken voor de jonge prinsen en prinsessen, het vuur brandde zachter en kijk, de capriolen van de figuren werden zwarter en wilder dan ooit Tot hun favoriete spelletjes behoorden blijkbaar verstoppertje, tikkertje, grijnzen en verdwijnen en andere spelletjes die erop leken. Het was nogal verontrustend dat ze in de slaapkamer van de koning werden gespeeld. Het was bijna net zo erg als wanneer bepaalde wezens in het huis zouden rondspoken, wezens van wie de namen niet in een elfenvertelling thuishoren, want de Elfenlanders gaan niet uit vrije wil met ze om.
'Maar het is maar goed dat ze hun pantoffels aan hebben!' zei de koning bij zichzelf, want zijn hoofd deed pijn.


Terwijl hij achterover leunde, met zijn ogen half dicht en half open, te moe om nog langer naar hun spelletjes te kijken, maar toch veel meer geamuseerd dan geërgerd over de vrijheden die ze zich veroorloofden (het scheen hem toe dat het blijmoedige wezens waren, eerder speels dan onbeleefd), merkte hij plotseling op dat twee van de wezens van de muur naar voren waren gestapt. Ze stonden als ongeordende massa's, net als grote spinnen, midden in de kamer, een halve meter van het bed van zijne majesteit. Gebarend, buigend en wegduikend op de meest lachwekkend onderdanige manier en soms plechtig ronddraaiend op één been, alsof ze dat als het hoogste teken van eerbetoon beschouwden.


'Wat willen jullie?' vroeg de koning.
'Wij hopen dat het uwe majesteit behaagt ons beter te leren kennen', antwoordden ze. 'We zijn onderdanen van uw majesteit'.
'Dat weet ik. Het verheugt me om kennis te maken', antwoordde de koning.
'We zijn echter niet wat u denkt. We zijn niet zo dwaas als uwe majesteit denkt'.
'Ik houd het voor onmogelijk om jullie te vergelijken met iets dat ik al ken', antwoordde de koning, die graag verder met ze wilde praten en zei wat hem het eerst te binnen schoot, 'soldaten, zeelui of wat dan ook: jullie staan niet lang genoeg stil. Ik denk dat jullie bij de brandweer horen, aangezien jullie steeds het licht doven'.


'Maak alstublieft geen grapjes, majesteit'. En terwijl ze deze woorden spraken, want ze spraken steeds tegelijkertijd bij dit gesprek, maakten ze een statige buiteling in de richting van de koning.
'Geen grapjes!?' zei hij 'en jullie dan? Jullie maken de hele tijd grappen. Wat zijn jullie?'
'De Schaduwen, Sire. En als we grappen maken, Sire, maken we ze altijd in alle ernst. Maar misschien kan uwe majesteit ons niet zo duidelijk zien'.
'Ik kan jullie uitstekend zien', repliceerde de koning.

'Sta me toe, majesteit', zei een van de Schaduwen en terwijl hij sprak, kwam hij dichterbij. Hij hief een donkere wijsvinger en bewoog hem soepel maar voorzichtig langs het voorhoofd van de vorst, van de ene slaap naar de andere. De koning voelde een zachte aanraking als van water door elke krocht en over elke top van de bergketen van zijn gedachten glijden. Ongemerkt had hij hierbij zijn ogen gesloten en toen hij ze weer opendeed, merkte hij dat ze in meer dan een opzicht waren geopend toen de vinger werd weggehaald. Het scheen hem toe dat de kamer naar alle kanten groter was geworden; hij kon de muren zelfs niet precies onderscheiden en rond om hem heen stonden roerloos de Schaduwen. Ze waren lang en statig en nogal angstaanjagend van uiterlijk, ondanks hun kolderieke gelaatstrekken. Ze leken precies op de plaatjes van Puriteinen, zoals ze werden getekend door Cavaliers, met lange armen en hele lange dunne benen, grote slappe voeten en gezichten met overheersende lange kinnen en uitstekende neuzen. Maar hun eigenaardige vormen vielen niet op vanwege hun ernstige houding, zodat ze er griezelig uitzagen met hun begrafenisachtige zwarte kleding. Maar de koning mocht maar één blik werpen op deze schepsels. De spreker zwaaide met zijn schimmige hand door het beeld en toen zag de koning weer de vuurverlichte muren en donkere figuren die erop dansten. De twee die namens de anderen hadden gesproken, leken ook te zijn verdwenen, maar uiteindelijk zag de koning ze: ze stonden elk aan een kant van de open haard. Ze bleven dicht bij de schoorsteenmuur en praatten met elkaar voor de schoorsteenmantel langs, om direct licht van het vuur te vermijden, want hoewel ze licht nodig hebben om zichtbaar te kunnen worden voor mensenogen, vonden ze licht helemaal niet prettig en veroorzaakten ze het ook niet, zoals hij spoedig te weten zou komen. Na een paar minuten naderden ze het bed weer en zeiden ze het volgende:
'Het wordt nu donker, majesteit. Buiten in de sneeuw, bedoelen we. Uwe majesteit kan vanuit uw bed het koude licht zien van de grote lijkwade, een schitterend kleed waar de Schaduwen op kunnen dansen, majesteit. Al onze broeders en zusters zijn nu in de kerk, voordat ze hun nachtwerk gaan uitvoeren'.


'Gaan ze altijd naar de kerk voordat ze aan het werk gaan?'
'Ze gaan altijd eerst naar de kerk'.
'Waar is de kerk?'
'In IJsland. Zou uwe majesteit het willen zien?'
'Maar hoe kan ik met jullie meegaan om te kijken? Zoals je heel goed weet, lig ik ziek in bed. En daarnaast zou ik zeker kou vatten op een koude vorstnacht als deze, zelfs als ik de dekens over zou doen en het veren dekbed om zou slaan'.
Er trok een soort huivering over hun gezichten, wat hun manier van lachen leek te zijn. De hele vorm van het gezicht schudde en bewoog alsof hij in een donkere vloeistof was veranderd, waarna het gezicht stukje bij beetje weer zijn oude vorm aannam. Toen schoof een van hen de gordijnen van het hemelbed opzij. De koning zag door het raam, waarvoor de overgordijnen nog niet waren gesloten, de witte, lichte nacht buiten en de donkere hopen die het wit probeerden te verzadigen en de hemel met ontelbare sterren, glanzend en glinsterend als juwelen. De andere Schaduw bewoog zich naar het vuur en verdween erin.
Tientallen Schaduwen begonnen meteen als waanzinnigen door de hele kamer te dansen en ze verdwenen, de een na de ander, door het raam en ze gleden donker weg over de witte sneeuw, want het venster keek uit over een sneeuwdeken. In een oogwenk was de kamer leeg, maar in plaats van opgelucht te zijn, had de koning het gevoel dat hij in een dodenhuis was beland. De leegheid en verlatenheid die hem overmanden, benamen hem de adem. Maar terwijl hij over de eindeloze witte sneeuwvlakte lag uit te kijken, zag hij in de verte een lange donkere lijn die steeds dichterbij kwam. Uiteindelijk zag hij dat het alle Schaduwen waren, die in twee rijen liepen. In het midden droegen ze iets dat eruit zag als een lijkbaar. Ze verdwenen onder het raam, maar verschenen al snel weer. Ze waren bij de muur van het huis omhoog geklommen. Perfect in het gelid klommen ze via het raam naar binnen, alsof ze door het transparante glas heen smolten.


Ze droegen nog steeds de lijkbaar of draagbaar. Deze was bedekt met de warmste vachten en huiden van schitterende wilde dieren, waarvan de ogen waren vervangen door saffieren en smaragden die glinsterden en blonken in het licht van het vuur en de gloed van de sneeuw. De buitenste vacht glinsterde door de vorst, maar de binnenste vachten waren zacht en warm en droog en boden heerlijke beschutting. De Schaduwen liepen naar het bed en plaatsten de draagbaar erop. Toen droeg een aantal van hen een enorme bontmantel naar de koning, wikkelden hem erin en legden hem op de draagbaar midden tussen de vachten. Niets had voorzichtiger en respectvoller kunnen zijn dan de manier waarop ze hem verplaatsten en het kwam niet bij hem op om te weigeren mee te gaan. Ze hadden iets op zijn hoofd gezet en toen ze de draagbaar optilden, liepen ze één keer door de kamer, zodat iedereen weer in het gelid liep. Toen ze langs de spiegel liepen, zag hij dat hij was bedekt met een koninklijke hermelijnen mantel. Op zijn hoofd droeg hij een beeldschone kroon van goud, waarin uitsluitend rode stenen waren ingezet: robijnen en karbonkels en granaten en anderen waarvan hij de namen niet wist, gloeiden rond zijn hoofd, als de gloeiende kernen van alle kerstvuren van de wereld. Naast hem lag een scepter, een staf van ebbenhout met aan de spits een kegelvormige diamant waarin honderden facetten waren geslepen. Ze weerkaatsten licht met alle tinten van de regenboog en wierpen veelkleurige schitteringen de kamer rond, die op hun beurt op Schaduwen leken, maar etherischer dan de Schaduwen die hem droegen.

Toen bewogen de Schaduwen zich behoedzaam naar het raam, klommen erdoor en daalden langzaam af naar het uitgestrekte sneeuwveld. Ze begonnen gedisciplineerd over het bevroren oppervlak te glijden. Om beurten droegen ze de koning, terwijl ze zich in een rechte lijn naar het noorden spoedden. De poolster rees snel boven hun hoofden, want ze bewogen zo vlug als verdrietige gedachten, hoewel niet met de snelheid van gelukkige verlangens. Engeland en Schotland gleden langs de draagbaar van de koning van de Schaduwen. Ze scheerden en gleden over rivieren en meren. Ze klommen over de hoge bergen en doorkruisten zonder vrees de dalen, totdat ze bij het huis van John-o'-Groat en de Noordzee kwamen. De zee was niet bevroren. Alle sterren straalden net zo helder vanuit de diepten onder hem als vanuit de hoogten boven hem. Terwijl de dragers over het blauwgrijze oppervlak gleden zonder ook maar een rimpeling te veroorzaken - het water onder hem was zo zuiver dat de koning oppervlak noch bodem noch substantie zag - kreeg hij het gevoel dat hij door een blauwe hemelsfeer zweefde, met de sterren boven en onder zich en tussen de sterren en hemzelf niets dan leegte, en toen, voor de eerste keer in zijn leven, voelde zijn ziel dat zij genoeg ruimte had.


Na lange tijd bereikten ze de rotsachtige kusten van IJsland. Daar landden ze en zetten ze hun reis voort. De koning voelde de kou geen moment, want de rode stenen in zijn kroon hielden hem warm en de smaragden en saffieren ogen van de wilde dieren voorkwamen dat de koude grip kreeg op zijn draagbaar. Vaak moesten ze bossen doorkruisen, evenals diepe grotten en donkere, verborgen paden, waar het zo donker was dat de koning eerst bang was zijn Schaduwen helemaal te verliezen. Maar wanneer ze op zulke plaatsen kwamen, begon de diamant van zijn scepter te glanzen en te gloeien en licht uit te stralen in alle kleuren waar schilderszielen van dromen en in dat licht zag hij de Schaduwen levendiger en sterker dan ooit en zag hij hoe ze zich met verbluffende snelheid over de donkere paden spoedden. In het licht van de diamant werden hun vormen soms ook eenvoudiger en menselijker, terwijl andere vormen juist ontembaar wild werden. Eén keer, terwijl ze door een grot gingen, zag de koning zelfs de ogen van enkelen: vreemde schaduwogen. Hij had hun ogen nog nooit eerder gezien. Maar op het moment dat hij hun ogen zag, kende hij hun gezichten ook, want ze keerden zich een ogenblik lang helemaal naar hem toe, en de andere Schaduwen die dit zagen, kromden zich en huiverden en verdwenen bijna. Het waren mooie gezichten, maar nadat hij ze had gezien, verzonk de koning in gepeins en dit moment bleef hem de rest de reis verwarren. Hij kon niet verklaren waarom hun gezichten, en de gezichten van de Schaduwen met levende ogen bestonden.


Hij leerde snel om bij de Schaduwen niet al te verbaasd te zijn over de gebeurtenissen. Wie dit wel doet, wordt al gauw behoorlijk dom, omdat er geen einde aan de verrassingen komt.


Tenslotte klommen ze de bedding van een beekje uit en toen, nadat ze een nauwe rotsdoorgang waren gepasseerd, bereikten ze onverwacht een berghelling die uitzicht bood over een blauw, bevroren meer in het hart van het machtige heuvelland. Boven hen trilde en vlamde aurora borealis, als een veldslag met tienduizend speerdragers. Daaronder raakten de stralen zwak het blauwe ijs en de flanken van de besneeuwde bergen waarvan de toppen rondom oprezen als gigantische ijskegels. Hier en daar glinsterde er een ster boven de toppen. En net als het noorderlicht in hemel boven hen, flakkerden en sidderden de Schaduwen over het meer en schoten ze hierheen en daarheen, zich verzamelend in groepen en zich weer afzonderend, nu eens de hele ijsvloer bedekkend en dan zich weer samenvoegend tot een donkere knoop midden op het meer. Overal op de witte bergen waren nu twee of drie te zien, wegschietend naar de toppen, erachter verdwijnend. Zo nam hun aantal geleidelijk, maar niet zichtbaar, af.
'Uwe majesteit', zeiden de Schaduwen, 'dit is onze kerk, de kerk van de Schaduwen'.

 

Deel 2

 

(Wordt vervolgd)

 

 

 

Op dit artikel rusten auteursrechten.

 

Reacties (3) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
;-) ook opgelsagen
Zo, het is me wat, daar gebeurt veel tussen leven en dood...Ik zie de stoet en de koning onder al die vachten voor me ,
Ik moet wel eens aan dit verhaal denken als ik bij een houtkachel of een vuurkorf zit. Al die grillige schaduwen....