Verkeerde bedoelingen - George MacDonald (2)

Door Northwind gepubliceerd op Tuesday 03 March 10:15

Voorgaand deel: Verkeerde bedoelingen deel 1

78bc043b8599ab1fb29af14993c7532b_medium.

 

Hoofdstuk III
Richard, een prima naam voor een elfenverhaal, was de zoon van een weduwe in het dorp van Alice. Hij was zo arm dat hij bijna nergens welkom was. Daarom ging hij nooit ergens heen, maar bleef hij thuis om boeken te lezen en zijn moeder te verzorgen. Hierdoor kwam hij verlegen over en nogal onhandig, zodat hij een ongunstige indruk achterliet op mensen die alleen naar de buitenkant kijken. Alice zou hem hebben veracht als hij ooit in haar buurt zou zijn gekomen.


Richard had wat geld gespaard om een paraplu te kunnen kopen voor zijn moeder. Want het zou weer winter worden en haar paraplu was gescheurd bij de naden. Op een heldere zomeravond ging hij naar de markt om er een te kopen. Hij dacht dat paraplu's nu wel goedkoop zouden zijn. Daar, midden op de markt, stond een vreemd uitziend mannetje paraplu's te verkopen. Een buitenkansje! Toen hij naderbij kwam, ontdekte hij dat het mannetje, die zijn paraplu's de hemel in stond te prijzen, zulke absurd lage prijzen vroeg voor zijn regenschermen dat niemand er eentje durfde te kopen. Hij had ze allemaal geopend en op de grond gezet, ongeveer vijfentwintig, stok omlaag, als kleine tenten en hijzelf stond ernaast ze aan te prijzen. Maar geen van de marktbezoekers mocht zijn paraplu's aanraken. Zodra hij Richard in het oog kreeg, veranderde zijn toon. 'Nou, aangezien niemand iets van me wil kopen, denk ik dat we maar naar huis gaan, mijn beste paraplu's'. Waarop de paraplu's met enige moeite gingen staan en weg hobbelden. De mensen staarden er met open mond naar, want ze zagen dat wat ze voor paraplu's hadden gehouden, in werkelijkheid een toom zwarte ganzen was. Achter ze liep een grote kalkoenhaan te klokken. Zo werden ze langs een laantje naar het bos geleid. Richard dacht bij zichzelf: 'Hier is meer aan de hand dan ik kan verklaren. Maar een paraplu die eieren kan leggen: dat is me nog eens een paraplu!' Dus tegen de tijd dat de mensen tegen elkaar begonnen te lachen, was Richard al halverwege het laantje, achter de ganzen aan. Hij bukte en greep een gans, maar in plaats van een gans had hij een reusachtige egel in zijn handen, die hij verbijsterd liet vallen. Daarop waggelde deze weg, als gans, en alle ganzen begonnen op een onmiskenbare manier te snateren en te sissen. De kalkoenhaan klokte en kakelde, stikte haast en herstelde zich op uiterst belachelijke wijze. Het leek wel of hij soms vergat dat hij een kalkoen was. Dan lachte hij als een dwaas. Toen vlogen ze plotseling met lange nekken en een hoop gesis het bos in en de kalkoen vloog erachter aan. Maar Richard haalde ze al snel weer in en zag dat ze aan hun poten in de bomen hingen, in twee rijen, elk aan een kant van het pad, terwijl de kalkoenhaan verder liep. Richard volgde hem, maar toen hij halverwege de hangende ganzen was gekomen, kwam van alle kanten een angstaanjagend gesis op hem af en werden hun nekken langer en langer tot ze hun koppen vlakbij zijn hoofd hadden gestrekt, in zijn gezicht en oren blazend en tegen zijn nek. Maar de kalkoen keek om en zag wat er gaande was. Hij draaide zich om en liep terug. Toen hij de plek bereikte, keek hij op naar de eerste en klokte hij wild. Die gans hield op met sissen en liet zich uit de boom vallen. Toen ging hij naar de volgende en de gans daarnaast, enzovoort, tot hij ze allemaal uit de bomen had geklokt. Richard had verwacht dat ze hun weg achter de kalkoen aan zouden vervolgen, maar ze waren verdwenen. Er was niets te zien dan een groepje enorme paddenstoelen en zwammen.


'Ik heb er genoeg van', dacht Richard. 'Ik ga weer naar huis'.
'Ga maar naar huis, Richard', zei een stem vlak naast hem.
Hij keek omlaag en zag in plaats van de kalkoenhaan het meest komisch uitziende mannetje dat hij ooit had gezien.

'Ga naar huis, meneer Richard', herhaalde hij grijnzend.
'Niet omdat jij het zegt', antwoordde Richard.
'Kom dan mee, meneer Richard'.
'Dat ook niet zonder een goede reden'.
'Ik geef je zo'n paraplu voor je moeder'.
'Ik neem geen geschenken aan van vreemden'.
'Lieve hemel, ik ben hier geen vreemde! Oh, nee! Helemaal niet'. En hij ging weg op zijn typische manier, steeds alle kanten op rollend.


Richard kon zijn lachen niet bedwingen en volgde hem. Tenslotte dook Paddenstoel in een groot gat vol water. 'Net goed!' dacht Richard. 'Net goed!' brulde de kobold, terwijl hij weer uit het gat kroop en het water van zich af schudde als een spaniël. 'Hier wilde ik naartoe, alleen rolde ik te snel'. Hij rolde echter sneller dan eerst, hoewel ze nu heuvel op gingen, totdat ze de top van een behoorlijk hoge heuvel hadden bereikt, waar een aantal palmbomen groeide.
'Heb je een mes, Richard?' zei de kobold, die plotseling was gestopt, alsof hij rustig had gelopen net als andere mensen.


Richard haalde een zakmes tevoorschijn en gaf het aan het schepsel, dat onmiddellijk een diepe snee in een van de bomen kerfde. Toen sprong hij naar een andere boom en deed hetzelfde nogmaals enzovoort totdat alle bomen een diepe snee hadden. Richard volgde hem en zag dat er een klein stroompje, helderder dan het helderste water, uit elke boom begon te vloeien, dat breder en breder werd naarmate het verder stroomde. Voordat de kobold de laatste boom had bereikt, weerklonk er een duidelijk ruisen en kabbelen van de kleine stroompjes die langs de stammen van de palmen omlaag liepen. De stroompjes groeiden en voegden zich samen tot er een riviertje langs de heuvel omlaag liep.
'Hier is je mes, Richard', zei de kobold en tegen de tijd dat hij het mes in zijn zak had gestoken, was het riviertje uitgegroeid tot een krachtige stroom.


'Kom Richard', zei Paddenstoel en hij liet zich in de stroom vallen.
'Ik wil liever met een boot gaan', zei Richard.
'Oh, jij sufferd!' schreeuwde Paddenstoel, die tegen de heuvel op kroop, want de stroom had hem al een behoorlijk eind meegesleurd.


Kronkelend, met inspanning en moeite en toch ongelofelijk snel, kroop hij naar de top van een van de bomen en brak een enorm blad af dat hij op de grond gooide. Hij sprong erachter aan, stuiterend als een bal. Vervolgens legde hij het blad op het water, hield het vast bij de stengel en zei tegen Richard dat hij erop moest gaan staan. Dat deed hij. Door zijn gewicht ging het blad in het midden diep liggen. Paddenstoel liet het blad los en het schoot als een pijl uit de boog stroomafwaarts. Zo begon een heel vreemde maar tegelijk verrukkelijke reis. De stroom raasde buitelend omlaag langs de heuvel, helder als een diamant, en bereikte al snel vlakke weiden. De kobold rolde naast de boot mee als een bundel gras, maar Richard bewoog zich met zijn blad als een prins te paard voort over het lage grasland. Het water droeg hem vooruit, recht als een pijl, en het meest bijzondere was dat het zich ophoopte als een bergrug of een golf, steeds verder stromend. Er was geen bedding nodig en het ging geen enkel obstakel uit de weg. Het vloeide over alles dat de stroom kruiste, als een grote waterslang, soepel alle hoogtes en laagtes opvullend. Als het op een muur stuitte, vloeide het ertegen omhoog totdat het hoogste punt was bereikt, en stortte het zich aan de andere kant omlaag en stroomde verder. Weldra merkte Richard dat het riviertje kalmpjes tegen een met gras begroeide heuvel op stroomde. De golven krulden steeds terug, alsof ze door de wind werden teruggedreven; alsof ze het niet konden helpen steeds weer omlaag te vallen. Maar toch bleef de stroom klimmen en vloeien, evenals de golven. Het was moeilijk, maar het lukte. Toen ze de top hadden bereikt, droeg het water hen door een heidelandschap, rollend over paarse heide en blauwe grasklokjes en tere varens en groot vingerhoedskruid met paarse en witte bloemen. En het palmblad krulde zijn randen steeds weg van het water en vormde een heerlijke boot voor Richard, terwijl Paddenstoel naast de boot door het water tuimelde als een dolfijn. Tenslotte begon het water zeer snel te stromen, steeds sneller en sneller totdat het met een enorme plons in een diep meer raasde en daar stopte het. Paddenstoel verdween onder water en kwam proestend en grijnzend weer boven en Richards boot zwalkte en schommelde als een vaartuig in een storm op zee, maar er kwam geen druppel water over de rand. Toen begon de kobold te zwemmen, terwijl hij de boot meetrok. Maar het meer was zo kalm en de bewegingen van het blad waren zo aangenaam, dat Richard al snel in een diepe slaap was verzonken.


Hoofdstuk IV
Toen hij weer wakker werd, dreef hij nog steeds rond op het brede palmblad. Hij bevond zich alleen midden op een meer. Overal groeiden bloemen en bomen op uit het water. De zon stond net boven de boomkruinen. Het gedruppel van het water dat van de bloemen viel, begroette hem als muziek; de mist loste op en waar het zonlicht op het meeroppervlak viel, was het water zo helder als glas. Hij keek omlaag en zag onder zich, helemaal op de bodem, Alice liggen. Hij dacht dat ze was verdronken. Hij wilde juist in het water duiken toen hij zag dat ze haar ogen opende en op dat moment kwam ze omhoog drijven. Hij stak zijn hand uit, maar zij weerde hem hooghartig af, zwom naar een boom en ging zitten op een lage tak, zich afvragend hoe deze zoon van een arme weduwe de weg naar Elfenland had gevonden. Het stond haar niet aan. Het was een schending van haar voorrecht.


'Hoe ben je hier gekomen, Richard?' vroeg ze, terwijl ze vijf meter verderop bleef zitten.
'Een kobold heeft me hier gebracht'.
'Aha! Dat dacht ik al. Ik ben hier door een elf gebracht'.
'Waar is je elf dan?'
'Hier ben ik', sprak Erwtenbloesem, terwijl ze langzaam opsteeg naar het wateroppervlak vlak bij de boom waar Alice in zat.
'Waar is jouw kobold dan?' kaatste Alice terug.

'Hier ben ik', riep Paddenstoel, terwijl hij als een zalm uit het water sprong en een salto in de lucht maakte voordat hij met een luidruchtige plons weer in het water viel. Zijn hoofd dook op vlak naast Erwtenbloesem, die slechts lachte omdat ze gewend was aan zulke schepsels.


'Knap ventje, niet?' grijnsde hij.
'Ja, erg knap. Hij moet wel wat worden opgeknapt'.
'Dat mag je zelf doen. Zullen we ruilen?'
'Prima. Je zult erachter komen dat zij nogal onnozel is'.
'Geen probleem. De jongen is me veel te gevoelig'.


Hij dook het water in en kwam omhoog bij de voeten van Alice. Ze gilde van angst. De elf dreef als een waterlelie naar Richard. 'Wat een lieftallig schepsel!' dacht hij, maar toen hij Alice hoorde gillen zei hij:
'U moet bij Alice blijven; ze is bang voor dat vreemde wezen. Ik denk niet dat hij kwaad in de zin heeft, hoor, Alice'.
'Oh, nee! Hij doet haar niets', zei Erwtenbloesem. 'Ik ben zat van haar. Hij brengt haar naar het hof en ik zal jou erheen brengen'.
'Ik wil daar niet heen'.
'Maar het moet. Je kunt niet naar huis, want je weet de weg niet'.
'Richard! Richard!' riep Alice angstig uit.
Richard sprong uit zijn boot en was in een oogwenk bij haar.
'Hij heeft me geknepen', riep Alice.


Richard gaf de kobold een harde klap op z'n hoofd, maar het had nauwelijks effect, alsof zijn hoofd van een rubberbal was. Hij keek Richard echter kwaad aan en riep uit: 'Daar zul je spijt van krijgen, Rikkie!' Toen verdween hij onder water.
'Kom op, Richard, snel, hij zal je vermoorden!' riep de elf.
'Het is allemaal jouw schuld', zei Richard. 'Ik laat Alice niet alleen'.
Toen zag de elf in dat het spelletje uit was voor haar en Paddenstoel, omdat ze niets met stervelingen konden doen tegen hun wil. Dus dreef ze weg over het water in Richards boot, haar cape omhoog houdend als een zeil en ze verdween, de twee mensenkinderen alleen achterlatend in het meer.
'Nou heb je mijn elf weggejaagd!' huilde Alice. 'Nu kom ik nooit meer thuis. Het is allemaal jouw schuld, jij vervelende jongeman'.

'Ik heb de kobold weggejaagd', protesteerde Richard.
'Wil je alsjeblieft aan de andere kant van de boom gaan zitten? Wat zou papa wel zeggen als hij me met jou zag praten!'
'Ga je mee naar de volgende boom, Alice?', vroeg Richard na een korte stilte.
Alice, die de hele tijd had zitten huilen terwijl Richard had zitten nadenken, zei: 'Nee'. Daarom dook Richard zonder haar het water in en zwom naar de boom. Voordat hij halverwege was, hoorde hij Alice echter huilen 'Richard! Richard!' Het ging precies zoals hij had verwacht. Dus zwom hij terug en Alice sprong in het water. Met Richards hulp zwom ze aardig goed en ze bereikten de boom. 'Nu naar de volgende!', zei Richard en ze zwommen naar de volgende en toen naar de derde. Elke boom die ze bereikten was groter dan de vorige en elke volgende boom was nog groter. Zo zwommen ze van boom naar boom tot ze bij een boom kwamen die zo groot was dat ze er niet omheen konden kijken. Wat nu? Het was duidelijk dat ze in deze boom moesten klimmen. Het was een ontzettend vooruitzicht voor Alice, maar Richard begon te klimmen, en door haar voeten te zetten waar hij de zijne zette en door af en toe zijn enkel te pakken, vond ze haar weg naar boven. Er waren veel stompen waar takken waren afgebroken en de bast was bijna net zo ruw als een heuvelrug, dus hadden ze genoeg houvast. Toen ze lange tijd hadden geklommen en ze heel erg moe waren geworden, riep Alice: 'Richard, ik ga vallen, echt waar. En waarom zijn we hierheen gegaan?' Ze begon weer te huilen. Maar op dat moment greep Richard een tak boven zijn hoofd en strekte hij zijn andere hand uit naar Alice en hield hij haar vast tot ze een beetje bedaarde. Toen bereikten ze een grote zijtak en daar gingen ze zitten en rustten ze uit. 'Dit is fantastisch!' zei Richard vrolijk.


'Wat is fantastisch?' vroeg Alice somber.
'Nou, we kunnen hier even uitrusten en we hoeven ons een paar minuten niet te haasten. Ik ben moe'.
'Jij denkt ook alleen maar aan jezelf!' zei Alice. 'Als jíj moe bent, hoe moet het dan wel niet met mij!'
'Jij bent ook moe', antwoordde Richard. 'Maar we hebben ons dapper geweerd. En kijk eens! Wat is dat?'
De dag was nu voorbij en de nacht was zo dichtbij dat alles schemerig en donker was in de schaduwen van de boom. Maar er was nog genoeg licht om te ontdekken dat in een holte in de boom een grote oehoe zat. Op zijn snavel rustte een groene bril en in zijn ene poot hield hij een boek. Hij negeerde de indringers maar bleef in zichzelf mompelen. En wat denk je dat de uil zei? Dat zal ik je vertellen. Hij praatte over het boek dat hij op de kop in zijn poot hield.


'S-s-s-stom boek! Staat niets in! Alles op de kop!
'S-s-s-stomme ezel! Zegt dat uilen niet kunnen lezen! Ik kan zelfs achterstevoren lezen!'
'Ik denk dat het de kobold weer is', fluisterde Richard. 'Als je een gewone eerlijke vraag stelt, moet hij ook eerlijk antwoord geven, want ze mogen geen leugens vertellen in Elfenland'.
'Vraag het hem niet, Richard; je hebt hem een geweldige klap verkocht'.

'En die had hij verdiend en dat heb ik ook van hem tegoed. Hallo! Hoe kunnen we hieruit komen?'
Hij zei er niet bij 'alstublieft', want dan zou het geen gewone vraag zijn geweest.
'Beneden', siste de uil zonder zijn ogen van het boek af te nemen dat hij nog steeds op de kop aan het lezen was, zo geleerd was hij.
'Op uw woord van eer, als een respectabele, oude uil?' vroeg Richard.
'Nee', siste de uil en nu was Richard er bijna zeker van dat hij geen echte uil was. Dus bleef hij een tijdje naar hem zitten staren, tot de uil onverwacht en zonder zijn blik van het boek af te wenden zei: 'Ik ga nu een lied zingen'. En hij begon:


Niemand kent de wereld zoals ik
Als iedereen slaapt, werp ik mijn blik
Ik, de beste student van allen
Ik lees pas als de avond is gevallen
En nooit lees ik zonder bril
Zo maakt mijn wijsheid het verschil
Oho-oho-oehoehoehoehoe


Ik zie de wind; wie kant dat nu?
Ik zie de dromen van dat individu
Als hij langs dendert, snuift hij ze nerveus
Op door zijn gekke ouwe neus
Tienduizend dingen waar jij nooit aan dacht
Heb ik met inkt onder woorden gebracht
Oho-oho-oehoe-oehoe, dat is wijsheid


Jij noemt het leren; ik gezond verstand
Niemand anders ziet de maan in het hemelland
Op de zee, haar nest - ik alleen -
Beschijnt ze de schepen, en vogels lang van been
Wanneer de oesters met open bek zingen
Zal ze een parel in elke bek wringen
Oho-oehoe, wijsheid, dat is een vogel!


En terwijl hij zo zong, gooide hij het boek in Richards gezicht, spreidde zijn grote, stille, zachte vleugels en spoedde zich naar de diepten van de boom. Toen het boek Richard raakte, merkte hij dat het maar een bundel nat mos was.


Terwijl hij met de uil had zitten praten, had hij een holte achter een van de takken gezien. Hij begreep dat dit was wat de uil bedoelde en toen hij ging kijken, vond hij de ruwe vormen van een trap die omlaag leidde naar het hart van de stam. Maar de boom was zo groot, dat hij niet zwak werd vanwege de trap. Dus begon Richard de trap af te klauteren, zo goed en kwaad als het ging, gevolgd door Alice, die hem duidelijk te verstaan gaf dat ze niet uit vrije wil de trap af ging. Maar ze had ook geen beter idee. Omlaag ging het, steeds verder omlaag, soms gleden ze uit en vielen ze, maar ze vielen nooit ver omdat de trap rond liep. Zo werd Richard opgevangen wanneer hij viel en hij ving Alice op als zij viel. Ze begonnen te vrezen dat de trap geen einde had, hij draaide steeds maar rond en rond, tot ze door een opening kropen en ze plotseling in een grote zaal stonden, die werd gedragen door duizenden pilaren van grijze steen. Waar het schemerige licht vandaan kwam, konden ze niet zien. Ze doorkruisten de zaal in een rechte lijn, in de hoop de overkant te bereiken. Ze wilden doorlopen tot ze bij een doorgang kwamen. Ze bleven op koers door van pilaar naar pilaar te lopen, zoals ze ook bij de bomen hadden gedaan. Elk eerlijk plan werkt in Elfenland, zolang je je er maar aan houdt. En geen enkel plan werkt als je je er niet aan houdt.


Het was doodstil en Alice had een ergere hekel aan de stilte dan aan de schemer, zo erg zelfs dat ze Richards stem graag wilde horen. Maar ze was steeds zo chagrijnig tegen hem geweest als hij sprak, dat hij liever zijn mond hield en wachtte totdat zij iets zou zeggen. En daar was zij te trots voor. Ze wilde niet eens naast hem lopen, maar ze ging steeds iets langzamer lopen als hij op haar wachtte. En zo liep hij tenslotte alleen voort. En Alice volgde. Maar de verschrikking van de stilte begon haar steeds meer te benauwen tot ze uiteindelijk het gevoel had, dat er niemand anders meer in het heelal was dan zij. De zaal breidde zich rondom haar uit; hun voetstappen maakten geen geluid. De stilte werd zo intens dat het bijna vaste vorm leek aan te nemen. Toen kon ze het niet langer verdragen. Ze rende Richard achterna, haalde hem in en pakte zijn arm.


Hij had een tijdje nagedacht over wat voor eigenzinnig, onvriendelijk meisje Alice was en hij wenste dat hij haar snel veilig thuis kon brengen, zodat hij van haar af zou zijn. Toen voelde hij een hand. Hij keerde zich om en zag dat het het onvriendelijke meisje was. Ze begon al snel wat aardiger te worden, want vanwege alles wat hun overkomen was, begon ze te vermoeden dat Richard al een paar keer eerder in Elfenland was geweest. 'Het is heel vreemd', dacht ze bij zichzelf, 'want hij is een heel arme jongen, dat weet ik zeker. Zijn armen steken uit zijn jas als de baleinen van zijn moeders paraplu. Denk je eens in, dat ik juist met hem door Elfenland loop te dwalen!'


Op het moment dat ze zijn arm aanraakte, zagen ze een donker gewelf voor zich opdoemen. Ze waren recht op een deur af gelopen, al was het geen erg uitnodigende deur, die doorgang bood naar een volslagen donkere gang. Aangezien er maar een deur was, hadden ze echter niet veel te kiezen. Richard ging de deur door en Alice overwon haar angst om verder te gaan, want het alternatief, achterblijven, joeg haar nog veel meer angst aan. Ogenblikkelijk bevonden ze zich in totale duisternis. Alice klemde zich aan Richards arm vast en mompelde haast ongewild: 'Lieve Richard!' Het was merkwaardig dat ze woorden uit angst sprak die ze ook uit liefde zou kunnen spreken, maar het was ten slotte Elfenland. Het was ook merkwaardig dat Richard meteen van haar begon te houden toen ze het zei. Maar het meest merkwaardige was wel dat Richard op hetzelfde moment haar gezicht zag. Ondanks haar angst, die haar erg bleek maakte, zag ze er buitengewoon mooi uit.


'Lieve Alice!' sprak Richard, 'wat zie je er bleek uit!
'Hoe kun je dat nou zien, Richard? Het is hier pikdonker!'
'Ik kan je gezicht zien. Er straalt licht vanaf. Nu zie ik je handen ook. En je voeten. Ja, ik kan elke plek zien waar je naartoe gaat. Nee, daar niet gaan staan. Daar zit een akelige pad'.


Op het moment dat hij van Alice begon te houden, begonnen zijn ogen licht te geven. Hij dacht dat het het gezicht van Alice was, dat licht uitstraalde, maar het waren zijn eigen ogen. Hij kon alles van haar zien en hij kon haar pad zien, steeds beter en beter, maar voor zijn eigen pad was hij blind. Hij kon zelfs zijn eigen hand niet zien als hij hem vlak voor zijn gezicht hield, zo donker was het. Maar hij kon Alice zien en dat was vele, vele malen beter dan het zien van zijn eigen pad.
Na een tijdje begon ook Alice een gezicht waar te nemen in de duisternis. Het was Richards gezicht, maar zijn gezicht was nu veel knapper dan eerst. Haar ogen begonnen ook licht te geven. En ze zei bij zichzelf: 'Is het mogelijk dat ik van de zoon van de arme weduwe houd? Dat moet wel, denk ik'. Zo beantwoordde ze haar eigen vraag met een glimlach, want ze verafschuwde zichzelf er niet om. Richard zag die glimlach en hij verheugde zich. Haar bleke kleur had plaats gemaakt voor een rozige gloed. En nu zij Richards pad zag en hij het hare, schoten ze flink op.
Ze liepen nu op een pad dat tussen twee diepe wateren door leidde; roerloze oppervlakken, zwart als ebbenhout, dat het licht van hun ogen weerkaatste. Maar ze merkten al gauw dat het pad steeds smaller en smaller werd. En toen kwamen ze tot Alices ontzetting op het punt waar de wateren elkaar raakten.


'Wat moeten we nu doen, Richard?' vroeg ze.
Toen ze hun blik op het water voor zich lieten rusten, zagen ze dat het krioelde van de hagedissen en padden en zwarte slangen en ontelbare vreemde en afschuwelijke beesten. Sommige hadden geen kop, geen staart, geen poten, geen vinnen, geen voelsprieten en leken nog het meest op levende vleesklompen. Ze sprongen voortdurend in en uit het water. Het pad lag er bezaaid mee. Richard dacht even na voordat hij Alices vraag beantwoordde, maar hij kwam tot de conclusie dat het pad niet zomaar verdwenen kon zijn; het was als een vinger die wees naar een plek waar hij zelf niet naartoe kon gaan. Dus tilde hij Alice op en droeg haar in zijn sterke armen. Hij sprong midden in de walgelijke wriemelende massa. En net zoals vissen verdwijnen als je een steen in een vijver gooit, zo verdwenen ook deze akelige beesten, naar links en rechts; ze schoten alle kanten op. Het water was breder dan hij had verwacht en tijdens de oversteek begon Alice zwaarder te worden dan hij had kunnen vermoeden, maar Richard bleef doorgaan over de harde rotsbodem. Toen hij de overkant bereikte, merkte hij dat de oever bestond uit een indrukwekkende, hoog oprijzende, gladde rots, waarin ruwe treden waren uitgehouwen. De treden leidden hen naar het centrum van de rots. Ze waren voor de tweede keer in een nauwe doorgang beland, maar deze doorgang leidde omhoog. Het pad liep rond en rond als de groef van een enorme schroef. Na een poos stootte Richard zijn hoofd tegen iets en kon hij niet verder. De plek waar ze nu waren, was krap en warm. Hij deed zijn handen omhoog en duwde tegen iets dat aanvoelde als een warme steen: het bewoog een beetje.


'Terug naar beneden, jullie, woestelingen!' gromde een stem boven hen, bevend van woede. 'Jullie gooien mijn pot om en maken mijn kat aan het schrikken, en jullie maken me kwaad als je die kant op duwt. Terug!'
Richard klopte voorzichtig en zei: 'Wilt u ons eruit laten?'
'Oh, jazeker! Heel netjes en welbespraakt! Ga terug, brutale kobolds! Ik heb genoeg van jullie. Ik brand jullie de haren van jullie lelijke koppen als jullie dat nog eens doen. Ga terug, zeg ik je!'

Richard begreep dat beleefdheid hen niet verder zou helpen en zei tegen Alice dat ze uit de weg moest gaan. Hij zette zijn schouders onder een hoek van de steen en duwde hem omhoog, waardoor het andere uiteinde naar beneden kwam samen met een pot, een vuurtje en een kat die ernaast had liggen slapen. Alice schrok hevig van de kat toen ze langs haar viel met haar oplichtende, groene ogen.
Richard keek omhoog en zag dat hij een haardsteen had omgekeerd. Aan de rand van het gat stond een krom oud mannetje, die woedend met een bezemsteel stond te zwaaien, loerend waar hij Richard zou kunnen raken. Maar Richard sprong op en pakte de stok af. Nadat hij Alice uit het gat had geholpen, maakte hij een buiging naar het oude mannetje en, geen acht slaand op zijn verwensingen, legde hij de haardsteen terug en zette de pot erop. De poes was zelf al uit het gat geklommen.


Toen werd het mannetje wat vriendelijker en zei: 'Neem me niet kwalijk, ik dacht dat jullie kobolds waren. Ze laten me maar niet met rust. Maar je moet toch toegeven dat het een ongewone manier was om op bezoek te komen'. En het schepsel maakte een verzoenend gebaar door terug te buigen.
'Dat was het zeker', antwoordde Richard. 'Ik wilde dat u de deur naar ons had gekeerd, in plaats van de haardsteen'. Want hij vertrouwde het mannetje niet. 'Maar', voegde hij eraan toe, 'ik hoop dat u het ons niet kwalijk neemt'.
'Oh natuurlijk, natuurlijk, lieve jongelui! Gebruik je vrijheid. Maar zulke jonge mensen behoren niet alleen op stap te zijn. Dat is tegen de regels'.
'Maar wat kun je eraan doen, jullie, bedoel ik. Jullie kunnen het niet helpen'.
'Ja, ja, natuurlijk, maar nu moet ik de leiding op me nemen, begrijp je? Dus ga jij daar maar zitten, jongeheer, en jij daar, jongedame'.


Hij zette voor elk een stoel aan een kant van de haard en schoof zijn stoel ertussen. De kat ging op zijn bochel zitten en zette vervolgens zelf een hoge rug op. Zo konden Richard en Alice geen glimp van elkaar opvangen. Maar hoewel het gebeuren hun amuseerde, vonden ze het niet prettig om op zo'n commanderende toon van elkaar te worden gescheiden. Om de oude man in zijn eigen huis maar niet kwader te maken, zeiden ze er niets van.


Maar ze hadden hem eenmaal kwaad gemaakt en dat was één keer te veel, want hij vergaf nooit zonder degene die hem iets had aangedaan, eerst te vernederen.
Het was zo onaangenaam dat hij tussen hen in zat, dat ze het gevoel hadden alsof er een grote afstand tussen hen zat. Om het oudje te slim af te zijn, wilden ze elkaars hand vasthouden achter de rug van de dwerg om. Maar op hetzelfde moment dat hun handen zich naar elkaar toe bewogen, werd de rug van de kat lang en groeide de hoge rug en plotseling bevond Richard zich op een steile heuvel waar hij moeizaam tegen op kroop en waarvan de kam tot de sterren reikte, terwijl een koude wind over de heuvelrug joeg. Er was geen enkele begroeiing te zien en Alice was verdwenen. Hij dacht dat ze zich ergens aan de andere kant bevond en dus klom hij verder en verder naar de top, naar de plek waar hij dacht dat ze was. Maar hoe hoger hij klom, des te verder weg de top leek, tot hij uiteindelijk totaal uitgeput neerviel en - moet ik het toegeven? - bijna begon te huilen. De gedachte alleen al dat hij op zo'n vervelende manier van Alice was gescheiden! Maar hij begon na te denken en zei al snel tegen zichzelf: 'Dit moet een truc van dat nare oude mannetje zijn. Deze berg is een kat of niet. Als het een berg is, zal dit geen pijn doen en als het een kat is, hoop ik dat het wel pijn doet'. Met deze woorden haalde hij zijn zakmes tevoorschijn en, zoekend naar een zachte plek, stak hij het in een keer tot het heft in de berg.


Eerst hoorde hij een vreselijke gil en daarna zag hij Alice, die naar hem zat te kijken, de bochel van de oude man tussen hen in. De kat-berg was verdwenen. Hun gastheer staarde naar de lege haard. Hij draaide zich niet om en gaf er geen blijk van dat hij wist wat er was voorgevallen.
'Kom op, Alice', zei Richard terwijl hij opstond. 'Dit bevalt me niet. We blijven hier niet'.


Alice stond meteen op en legde haar hand in de zijne. Ze liepen naar de deur. De oude man negeerde hen. De maan scheen helder door het venster, maar toen ze buiten in het maanlicht wilden stappen, stonden ze onverwacht in een grote, schitterende zaal met gotische ramen waardoor dezelfde maan naar binnen scheen. Ze konden geen uitgang uit deze zaal vinden, behalve een trap van steen die omhoog leidde. Samen liepen ze de trap op. Boven aan liet Alice Richards hand los om een kijkje te nemen in een klein kamertje dat alle kleuren van de regenboog had, net als de binnenkant van een diamant. Richard liep een paar stappen een gang in, maar keerde om toen hij merkte dat ze weg was en keek de kamer in. Ze was nergens te zien. De kamer had talloze deuren; waarschijnlijk had ze de verkeerde deur genomen. Hij hoorde haar zijn naam roepen en liep snel in de richting van het geluid, maar hij zag haar niet. 'Nog meer trucs', zei hij bij zichzelf. 'Hier kan ik mijn zakmes niet gebruiken. Ik moet afwachten tot ik bedenk wat ik kan doen'. Hij hoorde Alice hem nog steeds roepen en hij volgde haar stem zo goed en kwaad als het ging. Tenslotte kwam hij bij een deuropening die naar buiten leidde, waardoor het maanlicht naar binnen viel. Maar toen hij de opening bereikte, zag hij dat deze zich hoog boven in een toren bevond; de muur ging loodrecht omlaag onder zijn voeten, zonder trap of een andere mogelijkheid om omlaag te klimmen. Weer hoorde hij Alice en toen hij omhoog keek, zag hij haar staan aan de overkant van een langgerekte binnenplaats, in net zo'n deuropening als de zijne. Het licht van de maan bescheen haar.


'Daar ben je, Alice!' riep hij. 'Kun je me horen?'
'Ja', riep ze terug.
'Luister, dit is een truc. Het is een leugen van dat oudje in de keuken. Steek je hand uit, Alice'.
Alice deed wat Richard vroeg en hoewel ze zagen dat er een grote binnenplaats tussen hen was, raakten hun handen elkaar.
'Kijk! Dat dacht ik al!' riep Richard triomfantelijk uit. 'Luister, Alice, ik denk dat het maar een halve meter is naar de binnenplaats onder ons, hoewel het wel dertig meter lijkt. Houd mijn hand vast en spring als ik tot drie heb geteld'. Maar Alice trok angstig haar hand terug. 'Goed', zei Richard, 'Dan probeer ik het eerst', en hij sprong. Op hetzelfde moment bereikte zijn vrolijke gelach Alices oren en ze zag hem veilig op de grond, ver onder haar staan. 'Spring, lieve Alice. Ik vang je op', zei hij.
'Ik durf niet, ik ben bang', antwoordde ze.

'Het oude mannetje is ergens vlak bij je. Je kunt maar beter springen', zei Richard.
Alice sprong langs de muur omlaag, doodsbang, viel ongeveer een halve meter en landde in Richards armen. Op het ogenblik dat ze de grond raakte, stonden ze bij de deur van een huisje dat ze goed kenden, want het stond in het bos dat grensde aan hun dorp. Hand in hand renden ze zo snel ze konden naar huis. Toen ze het hek bij de ingang van haar vaders landgoed hadden bereikt, nam Richard afscheid van Alice. Er welden tranen op in haar ogen. Richard en zij waren als man en vrouw geworden in Elfenland, en ze wilden nu geen afscheid nemen. Maar ze wisten dat het moest. Daarom rende Alice naar binnen via de achteringang en was terug op haar kamer voordat iemand haar had gemist. Toen ze opkeek, zag ze dat het laatste rood nog niet van de westelijke hemel was verdwenen.


Toen Richard het marktplein overstak op weg naar huis, zag hij een parapluverkoper, die zijn laatste paraplu's van de hand deed. Hij dacht dat de man vreemd naar hem zat te kijken en voelde een sterke neiging opkomen om hem tegen zijn hoofd te stompen. Maar toen herinnerde hij zich dat het de eerste keer nauwelijks effect had gehad toen hij de kobold een klap had verkocht, en zag hij ervan af. Als beloning voor hun moed verleende de Elfenkoningin hun toestemming om Elfenland zo vaak te bezoeken als ze wilden, en geen enkele kobold of elf mocht zich met hen bemoeien.


Erwtenbloesem en Paddenstoel werden allebei van het hof verbannen en moesten zeven jaar samen in een oude boom met maar één groen blad wonen.
Paddenstoel vond het niet zo erg, maar Erwtenbloesem wel.

 

 

 

 

Op dit artikel rusten auteursrechten.

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Zo dat was een heel lang stuk en ik zag van alles voor me gebeuren. Het zit vol prachtige beelden. Dank je wel voor de vertaling