De zee geeft en de zee neemt

Door Nonnie gepubliceerd op Friday 13 February 11:29

232067a18eb60e2a07667b75724f446e_medium.

Die eerste nacht op het eiland heb ik geen oog dichtgedaan, De met mijn handen gegraven kuil op het strand bood geen enkele bescherming tegen eventueel wilde dieren. Tel daar nog bij op dat ik een levendige fantasie heb, die het onophoudelijke geritsel om me heen hulpvaardig vertaalde in de meest gruwelijke en vooral dodelijke  bedreigingen en het is duidelijk dat een goede nachtrust onder de sterrenhemel geen haalbare kaart was. En dit ondanks de uitputting waar ik aan ten prooi was gevallen na lange tijd op zee rondgedobberd te hebben op een hutkoffer.

Toen het schip in noodweer raakte en uiteindelijk de strijd tegen de huizenhoge golven moest opgeven en hout, doek en metaal werden geofferd aan het zilte water, waren alle opvarenden in één keer overgeleverd aan de genade van de zee. Het onstuimige water was mij gunstig gezind, want er dreef alras een uitnodigende hutkoffer langs, waar ik me wanhopig aan vast klampte, waarbij de koffer door mijn gewicht grotendeels onder het waterpeil zakte. Desondanks bleef de koffer drijven en ik liet mijn vermoeide lijf rusten op het geïmproviseerde vlot. ‘Mo-ni-ca!’ Naast het natuurgeweld van klotsende golven en een gierende wind klonk mijn iele stem als het geluid van een pasgeboren katje, totaal overstemd door de voortrazende storm. Wanhopig keek ik om me heen of mijn zusje ergens ronddreef. De golven benamen me het zicht en dwongen mijn handen me tot bloedens toe vast te houden aan de riempjes van de koffer. Hoewel ik me in eerste instantie gelukkig prees met deze reddingsboei, vroeg ik me al gauw af of een directe dood niet genadiger was dan dit geprolongeerde verblijf op een uitgestrekte zee zonder enig zicht op verlossing uit mijn benarde positie.

Tijd speelt geen rol voor een schipbreukeling. Mijn koffer was een speelbal van het getij en willoos liet ik me meedrijven op de golven van mijn lot. Hoe langer het duurde, hoe minder ik nog de wens had om dit avontuur te overleven. De zon scheen onbarmhartig en droogde mijn sterk gedehydrateerde lichaam alleen maar verder uit. Water in overvloed, maar niks te drinken. Toen ik uiteindelijk een stip aan de horizon ontwaarde, kwam mijn levenslust in volle hevigheid terug en met het laatste restje energie dat ik nog in me had, begon ik te peddelen met mijn handen richting stip. Was het een schip? Was het land? Of was het slechts een grote vis? Koortsachtig gleden mijn handen uren achtereen door het koude water, mijn ogen non-stop gericht op de vlek in de verte, bang als ik was dat het puntje aan de horizon in een onbewaakt ogenblik zou verdwijnen. De stip werd groter en groter tot ze uiteindelijk werd opgeslokt door de duisternis van de vallende nacht. Als mijn lichaam nog vocht had gehad waren de tranen vast gekomen, maar zoals de zaken er nu voor stonden, zakte ik dodelijk vermoeid neer en viel uitgeput in slaap.

De zon kuste mijn armen en benen wakker en bescheen niet veel later mijn gezicht. Met moeite wurmde ik mijn ogen open, die direct op steeltjes bleven staan. In plaats van  het grijze, onverbiddelijke water, werd ik omgeven door goudgele korrels. Zand, land! Moeizaam kwam ik overeind, proefde de zoute smaak in mijn mond en voelde het schurende zand onder mijn knieën. De golven denderden met een oorverdovend geraas het strand op. De koffer lag even verderop en werd door het water het strand op geduwd om even later weer meegesleurd te worden naar zee. Ik rende ernaartoe en sleepte de koffer veilig aan land. ‘Niet zo gulzig!’ sprak ik de zee bestraffend toe. ’Heb je nou nog niet genoeg gehad?’ Afgepeigerd liet ik me in het zand vallen naast de koffer, die ik daarna voor het eerst nieuwsgierig opende. De enorme bloemetjesjurken die erin zaten waren nogal teleurstellend, maar het flesje water werd met gejuich begroet. Nadat mijn eerste dorst was gelest, voelde ik mijn levenskracht weer traag door mijn aderen stromen. De kleding in de koffer was kletsnat evenals de koffer zelf en ik spreidde alles uit over het strand om te laten drogen. Na mijn overwinning op de zee, stond ik oog in oog met een nieuwe uitdaging. Hoe overleef ik dit godvergeten eiland?

Na die eerste angstige nacht in een kuil op het strand besloot ik een onderkomen te bouwen van takken en gevlochten twijgjes tussen twee bomen in. Op de grond kwam een deken van bladeren. De hutkoffer deed dienst als zitplaats, bed en kast. Een tijdelijke huisvesting, want ik kon immers elk moment worden gered.

Al snel vond ik mijn weg op het eiland. Door de dieren te volgen door het dichte bos kwam ik bij een open plek waar een waterval uitmondde in een piepklein meertje. Ik volgde het voorbeeld van de dieren en dronk het heldere water en vulde het flesje met water. Mijn dieet bestond voornamelijk uit bananen, kokosnoten en allerhande besjes, die in overvloed te vinden waren op het eiland. Jammer dat mijn maag die eerste dagen vrijwel alles wat de natuur me gegeven had zonder pardon retourneerde. Gelukkig stabiliseerde dit en werd het rauwe voedsel uiteindelijk in dank aanvaard.

Daarnaast had ik vrij snel succes met de visvangst. Een bermudabroek uit de hutkoffer, waarvan ik de pijpen met elastiekjes had dichtgeknoopt deed dienst als visnet. In eerste instantie waren de vissen me nog te snel af, maar al snel wachtte ik ze op bij een smal stukje ondiep water, waar ze nietsvermoedend mijn broek in zwommen.

Echt wilde dieren waren er niet op het eiland, wel slangen die ik op afstand hield met een vuurtje in een kuil, die tevens dubbelde als mijn keukentje. De dagen vloeiden over in elkaar en hoe langer het duurde hoe minder hoop ik had dat ik ooit nog van dat eiland zou afkomen. Elke dag dat ik gezond en wel het daglicht mocht begroeten, dankte ik God voor zijn steun en waakzaamheid, want hoewel ik in de bewoonde wereld allesbehalve religieus leefde, had ik nu grote behoefte aan een gesprekspartner. Bij gebrek aan iemand anders was de keuze gevallen op de alomtegenwoordige.

De dag dat Vrijdag aanspoelde op mijn eiland was een heuglijke dag. Hoewel hij er niet al te florissant uitzag, zoals hij daar aan de rand van de zee was neergesmeten door een flinke golf, wilde ik niet meteen al te kritisch reageren. De man was minstens zo uitgedroogd als ik toen ik aankwam en amper bij bewustzijn. Ik legde hem op een poncho en sleepte hem het strand over naar mijn hut. Daar legde ik hem op de hutkoffer, waar hij enkele dagen bleef liggen. Ondertussen liet ik kleine slokjes water door zijn lippen glijden en maakte ik zijn wonden schoon. Na enkele dagen kon ik hem al stukjes kokos, besjes, bananen, inktvis en krab voeren. Hoewel zijn ogen nog steeds dicht waren, kwam er steeds meer leven in hem.

9f03c15292387986afd844cddd6bfef1_medium.

Ik vergeet nooit die eerste keer dat hij zijn ogen opende. Zittend in een bloemetjesjurk zat ik naast hem op de hutkoffer om hem fruit te voeren. Eerst knipperde hij onwennig, maar toen het hem uiteindelijk lukte zijn ogen te focussen, richtte hij zich linea recta op mij. Ik moest me voorover buigen om hem te verstaan.
‘Twek ommidd lu die jukui.’ Zo klonk het.
‘Sorry, wat zei je?’ moedigde ik hem aan, terwijl het door me heen schoot dat het waarschijnlijk geen Nederlands was.
‘Trek onmiddellijk die jurk uit!’ Zijn ogen schoten vuur naar mij. Nou ja, zeg. Gaan we direct zo beginnen. Wat zijn dat voor manieren?
‘Zullen we elkaar niet eerst wat beter leren kennen voor ik kleren ga uittrekken?’ stelde ik neutraal voor. In de dagen dat ik voor hem had gezorgd had ik me steeds meer aangetrokken gevoeld tot de stille figuur in mijn hut en stilletjes was ik me meer en meer gaan verheugen op de gesprekken die zouden volgen. Deze start was een koude douche. Zijn ogen keken nog steeds boos en hij richtte zich op om zijn woorden kracht bij te zetten.
‘Die kleren zijn van mijn vrouw!’ Hij spuugde de woorden in mijn richting. Ik bekeek hem nog eens goed. Die bruine ogen onder borstelige wenkbrauwen, de mond die een streep boven zijn kin trok met daarboven het korte snorretje, de hoge haargrens en de ruim bemeten oren. Denk daar een brilletje bij en je hebt…de dictator. Een glimlach gleed over mijn gezicht bij de herinnering aan Monica, die me stiekem blikken van verstandhouding toewierp toen de dictator zijn in een bloemetjesjurk gehulde walvis van een vrouw over het dek van het schip rond commandeerde. Stikkend van het lachen waren we snel afgezakt naar een dek lager, waar we het uitgierden van het lachen. Vanaf dat moment hoefden we de dictator en zijn vrouw maar in het vizier te krijgen of we proestten het al uit als twee bakvissen. En bij elke ontmoeting was het weer raak. Zoals de dictator met zijn vrouw omging was tenenkrommend, maar vanaf een afstandje konden we er smakelijk om lachen. Zonder zijn bril en imposante buik had ik hem niet direct herkend.
‘Nou, komt er nog wat van, lelijke trol.’ Door dit charmeoffensief borrelde bijna een schaterlach naar boven, die ik maar net op tijd wist te onderdrukken. Nu moest ik goed op mijn tellen passen, want voor ik er erg in had, zou de dictator mij lopen koeioneren op mijn eigen eiland.
‘Rustig aan, mannetje. Om te beginnen heeft deze trol, lelijk of niet, zojuist jouw armetierige leventje gered. En daarnaast geloof ik niet dat jouw vrouw deze jurk nog nodig heeft.’ Zo, steek die maar in je zak. Als het op botheid aankomt, kom ik een aardig eind.
‘Wat bedoel je? Wil je zeggen dat mijn vrouw verdronken is?’
In gedachten zag ik zijn vrouw voor me. Slordig krullend haar, een dubbele onderkin, diepliggende ogen, die schichtig de wereld in keken en het postuur van een walvis.
‘Geen idee wat er met jouw vrouw is gebeurd, net zo min als ik weet waar mijn zusje is gebleven. Ik had het te druk met het redden van mijn eigen vege lijf.’ Het opgewonden mannetje leek enigszins te kalmeren na deze dosis realiteit, maar zette toch nog even de aanval in.
‘Die jurk is van mijn vrouw. Ik kan het niet verdragen dat zo’n scharminkel haar kleren draagt. Daar moet je 100% vrouw voor zijn. En heb jij deze hut gebouwd?’ Zijn ogen keken misprijzend rond.
‘Je mag die bladeren wel eens aanvegen. Wat een onsmakelijke troep is het hier. Wat voor vrouw ben je nou? Ik zou bijna wensen dat je me had laten liggen.’
‘Breng me niet op het idee. Ik kieper je zo weer terug in zee met al je praatjes. Wie zal het me kwalijk nemen?’

En zo was onze eerste kennismaking: de toon was gezet. De dictator knapte snel op en helaas  ook zijn ego, waar weinig aan beschadigd was geraakt door het hachelijke avontuur. Toen hij eenmaal weer op de been was, claimde ik mijn hutkoffer weer als slaapplaats. Daar was de man het niet mee eens. Het was immers zijn hutkoffer.
‘Hoezo, jouw hutkoffer?’ confronteerde ik hem.
‘Lijkt me duidelijk. Het zijn immers de spullen van mijn vrouw.’
‘Niks daarvan. Jouw vrouw is haar spullen kwijtgeraakt aan de zee en de zee heeft haar koffer weer aan mij gegeven. De zee geeft en de zee neemt. Het is dus mijn hutkoffer. Je mag blij zijn dat ik uit de goedheid van mijn hart mijn slaapplaats aan jou heb afgestaan. Nu je weer helemaal gezond bent, wil ik mijn comfortabele bedje terug. En nu we het er toch over hebben, vind ik dat je lang genoeg hebt geprofiteerd van mijn gastvrijheid. Bouw je eigen hut maar. Hier heb je een föhn.’ Pontificaal duwde ik hem mijn hut uit en gooide de föhn achter hem aan. Die had ik zelf gebruikt om de palen van mijn hut in de grond te slaan. Als ik een deur had gehad, had ik die achter zijn rug dichtgeslagen.

Dat onuitstaanbare excuus voor een vent ging aan het werk en zette een twee keer zo grote hut naast die van mij. De patser. Het zorgde wel voor afstand en vanwege die ruimte die we nu allebei kregen ging ik hem van de weeromstuit zelfs groeten in de morgen. ‘Goedemorgen, Vrijdag.’ Uiteraard was deze naam, die ik hem in gedachten had gegeven niet naar zijn zin, dus kwam ik hem tegemoet en begroette hem elke morgen met een vrolijk: ‘Ha, Hitler!’ Zijn ogen spraken boekdelen, maar hij slikte een directe respons heldhaftig weg en retourneerde met een ‘Dag, spriet!’

Hoewel de gesprekken met God harmonieuzer en een stuk minder lastig waren, kon ik het bekvechten met de dictator op een bepaald niveau wel waarderen. Het hield mij op de been, vooral op dagen dat ik het moeilijk had met de gedachte dat mijn toekomst zich hier af zou spelen, op dit nachtmerrie-eiland met als enige gezelschap die vreselijk ongelikte beer.

Op een dag betrapte ik hem erop dat hij bezig was de hutkoffer uit mijn onderkomen te slepen naar zijn hut.
‘Hitler, wat doe je? Blijf van mijn spullen af.’ Ik versperde hem de weg en hij draaide zich geïrriteerd naar mij om.
‘Jouw spullen? Ik heb er anders voor betaald. Het zijn mijn spullen.’, beet hij me toe.
‘Oh, ja? Laat me de bonnen dan eens zien. Ik kan toch niet zomaar aannemen dat het van jou is. Als je ook maar één bonnetje kunt overhandigen, mag je alles hebben. Nou?’ Uitdagend hield ik mijn hand op en uiteraard bleef die leeg.
‘Wat een onzin!’ mompelde hij.
‘Dat dacht ik toch ook. Als je zo goed wil zijn om mijn spullen weer terug te brengen waar ze horen…’ Streng wees ik met een vinger naar mijn hut, maar zo gauw gaf hij zich niet gewonnen. Ik zag hoe hij zich oprichtte in zijn volle lengte en wist dat het tot een fysiek treffen zou komen als we op dat moment niet werden opgeschrikt door een vreemd geluid. Het was een monotoon gebrom, dat steeds dichterbij kwam. Alsof we het hadden afgesproken liepen we beide naar de rand van de zee om te kijken waar het geluid vandaan kwam en toen zagen we het. Vanachter de dichte begroeiing van het bos, kwam een helikopter tevoorschijn, die snel naderbij kwam. De dictator en ik begonnen allebei te schreeuwen, te springen en te wuiven met onze armen. Ik rende naar het vuurtje en nam een brandende tak mee om mee te zwaaien. Als ze ons nou maar zagen.

Ze hadden ons gezien. Ik zakte op mijn knieën in het zand om God te danken. Ze hadden ons gezien. Toen ik wilde instappen in de helikopter, viel ik met een klap voorover in het zand. De bekende honende lach bleef uit. Verbaasd keek ik achterom naar de dictator. Hij zei niks, maar liep recht de zee in tot ook zijn kruintje onder water verdween. Ik was weer alleen.

 

Meer Nonnie?
http://www.nonniegelezen.nl

Reacties (23) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
mooi, beeldend geschreven!
Dank je wel, MrcRts
Weer graag gelezen, jou zou ik niet willen missen bij de opdrachten jij schrijft prachtige verhalen, spannend!
Lieve Yneke, dank je wel.
Ik weet niet of ik elke week meedoe, maar als het even kan probeer ik wel iets in te sturen. Dat lukt de ene keer beter dan de andere.
Misschien stort de helikopter neer op een ander onbewoond eiland, of gooit de piloot hem eruit omdat hij hem zo'n eikel vindt. Mooi geschreven Nonnie en heerlijke humor, altijd leuk!
Dank je wel, Miesje.
Het eind heb ik een beetje veranderd, omdat ik niet mocht worden gered in de opdracht.
Leuk verhaal!
Merci
gelezen.
Fijn, dank je wel.
Volgens mij heb je het einde veranderd als ik de reacties hieronder zie. Steengoed weer. Dat wordt moeilijk voor de jury denk ik.
Klopt, ik heb het eind een ietsiepietsie aangepast, aan de opdracht wel te verstaan.
Dank je wel
tegen Nonnie
1
Je hebt er in ieder geval een leuke draai aan gegeven.
Steengoed verhaal... Maar je mocht toch niet gered worden?
Thanx. Dat had Doortje ook al ingefluisterd.
Ik heb snel het einde veranderd.
tegen Nonnie
1
Eigenlijk vind ik nog beter nu.
Dank je wel.