Ik ben best lief

Door LadyDi gepubliceerd op Sunday 25 January 18:54

En daar sta ik dan.
Ik ben me ervan bewust dat ik me nu nog kan omdraaien om verder te gaan in mijn turbulente, woeste leventje, dat menig ander leven moeiteloos uiterst gecompliceerd kan maken. Toch besef ik ook dat ik dit voor mezelf moet doen, want hoe lang kan ik dit volhouden? Ik kijk naar de beschadigde knokkels op mijn handen. De wonden zijn nog niet geheeld of ik kom alweer in een nieuwe situatie waardoor ik er meedogenloos op los ram.

‘Psychiatrie’ prijkt met grote letters op het bord.
Op de deur zie ik ‘Drs. A. Both’ staan.
Net op het moment dat ik op het punt sta om de beslissing te nemen, zwaait de deur open en er wordt een hand naar me uitgestoken.

“Anton Both, komt u verder?”
Hij is veel jonger dan ik verwacht had. Ik heb zijn cv uiterst zorgvuldig bestudeerd omdat ik niet mijn hele ziel en zaligheid wil blootgooien aan de eerste de beste schillenboer op de hoek van de straat. Als ik alle studies en de ellenlange lijst van internationale successen van hem bij elkaar optel, dan had deze man minstens 108 jaar moeten zijn. Hij werkt snel blijkbaar.

“Zo, goedemorgen Agneta. Ik ben erg verheugd dat u besloten heeft om eindelijk de gevreesde drempel te nemen. Dit is de dertiende keer dat u een afspraak gemaakt heeft en deze keer heeft u niet afgezegd, dat doet me deugd. Laat ik beginnen met te bekennen dat uw zeer voorname oma mij er precies van op de hoogte gehouden heeft op welk tijdstip ik u hier kon begroeten. De urgentie was hoog zei zij. Er zijn klachten binnengekomen bij haar, afkomstig van het gemeentehuis, de wielrijdersbond, de dierenbescherming, zwembad ‘De Flappers’ en ik heb hier ook nog een lange lijst van verstoorde huishoudens en weggebruikers. Alles bij elkaar had één gemeenschappelijke deler: uw naam. Klopt dat?”

“Niet helemaal. De lijst is duidelijk niet bijgewerkt. Laatst heb ik nog een leuke ontmoeting gehad met de plaatselijke hengelsportvereniging en ik heb een woeste kennismaking achter de rug met de ijsclub ‘Zwier en Zwaai’. Ze moeten niet zoveel klagen want die vooraanstaande oma van mij betaalt toch alle schade? Het valt mij trouwens enorm op dat zij veel meer claimen dan de werkelijke schade want ik had bijvoorbeeld in het gemeentehuis alleen de ontvangsthal op mijn eigen manier ingericht en als ze dan ook de renovatie aan de trouwzaal in rekening brengen voel ik me bijna weer agressief worden om vervolgens hun toilettengroep ook een beurt te gaan geven. Maar, mijn eigen agressie heb ik helemaal onder controle, het is alleen soms zo … En nou ja, het gaat allemaal van mijn erfenis af dus straks is er niets meer over, vandaar dat ik hier toch maar naar toe ben gekomen.”

“Moment graag.”
Druk schrijvend vult hij een A-viertje met bijpassende cirkels en pijlen. Een lichte kreun en een mompelend ‘hmm’ versterken blijkbaar zijn concentratie om zijn aantekeningen duidelijk weer te geven, voorafgaand aan een diepgaande analyse. Hij slaat de pagina van het blocnote om en een blanco blad ligt klaar om gevuld te worden.
“Ik vind het altijd prettig als een patiënt veel praat, zoals u nu doet, want dat bespoedigt de lengte van de sessies enorm. Kunt u mij vertellen waar die haat, met het gevolg dat u zo agressief wordt, vandaan komt?”

“Nee.”

Kijkt hij me nu teleurgesteld aan? Hij legt de pen neer.
“Neem me niet kwalijk, maar u heeft elf jaar gestudeerd, en dan heb ik het nog niet eens over de studies en gradaties in specialisaties die u na de titel van ‘psychiater’ gehaald heeft. Voor mij zit een man die 320 euro per uur durft te vragen, en dan verwacht u van mij dat ik u binnen een kwartier de oplossing aanreik voor mijn destructief gedrag? Ik zit hier niet voor mijn lol naar uw fout geknoopte stropdas te kijken.”

“Zo, je draait er niet omheen.”
“Die stropdas ook niet.”

“Zullen we verder gaan?”
“Waren we al begonnen dan?”

De koffiejuffrouw komt binnen en ik kijk haar aan. In een fractie van een seconde scan ik haar en ik voel het voor mij bekende vuur in mij oplaaien. Ik sta op en ik sla het dienblad uit haar handen, dat indirect richting het smakeloze schilderij aan de muur vliegt, met als gevolg dat deze met de punt op de vloer belandt, waardoor de lijst er vanaf knalt. Gillend verlaat zij de ruimte, als ze ziet dat ik het bureau van de psych op zijn kant zet, waardoor de studynerd van zijn wankelende rundlederen draaifauteuil afvalt. De weerzinwekkend, lelijke bloempot achter mij pak ik op en ik gooi deze tegen het designaquarium aan, waardoor de peperdure discusvissen de zwemslag mogen uitoefenen in het drijfnatte, hoogpolige tapijt.

Ik kijk in het rond en ik zie dat ik alles heb gehad; de kamer is gelukkig vrij leeg.

Ik ga zitten en ik laat het vuur in mij doven. Als ik weer rustig ben, komen de tranen. Ik houd mijn ogen gesloten en ik proef het zout dat over mijn gloeiende wangen stroomt en mijn lippen bereikt. Nat van het zweet, haal ik mijn vingers door mijn lange haar en ik wapper ermee.
Ik open mijn ogen en ik zie dat hij naar mij kijkt.

“Van nature ben ik best lief’, probeer ik als excuus aan te dragen, en ik meen het nog ook. Ik sta op en ik help hem overeind. Zijn stoel zet ik op de wieltjes en ik reik hem zijn blocnote aan.
“Mag ik veronderstellen dat dit wel twee pagina’s met aantekeningen worden? Voor wat het waard is: ik kan er niets aan doen. ‘Iets’ doet dat met mij. Ik heb op zich niets tegen een koffiejuffrouw, maar ze had ‘iets’… geen idee wat het was.”

Ik kijk hem aan.
Daar zit ie dan: een man van 320 euro per uur, met een spoor van cappuccinokoffie over zijn zijden overhemd en een verwilderde haardos. Staat zijn toupet nu scheef? Zijn stropdas hangt nonchalant over zijn linker schouder en eindelijk vind ik die das wel goed zitten; nu heeft het wel wat. Zijn ogen verraden een ernstig wantrouwen, en heel even heb ik de neiging om het blocnote van hem over te nemen en hem te vragen hoe hij zich nu voelt. Een verstandig element in mij geeft mij in, dat ik dit achterwege moet laten.

Hij schraapt zijn keel.
“Deze sessie is voorbij”, hoor ik hem rustig zeggen, terwijl hij op zijn Rolex kijkt.
“Heb ik uw goedkeuring om uw medische dossier op te vragen? En ik mag ervan uitgaan dat ik een factuurtje naar uw oma kan sturen voor bijkomende kosten?” Hij kijkt de ruïnes van de kamer door en ik knik tweemaal goedkeurend op zijn vragen.
“Dit probleem wens ik zo snel mogelijk met u op te lossen. Ik heb vaker gewerkt met patiënten met een syndroom van extreem, piramidaal onderliggend haatgevoel, al moet ik zeggen dat u wel… Enfin, u bent een nieuwe uitdaging voor mij, waarvoor mijn dank.” Met een citroenzure muil, die in heftig contrast staat met zijn bloemetjesstropdas, probeert hij een glimlach te forceren. “Ik neem nog contact met u op voor een afspraak voor morgen. Ik zeg alle andere afspraken voor u af, dus ik hoop dat u, net als ik, de hele dag beschikbaar houdt. Laat u uzelf even uit?”

“Toch ben ik best wel lief hoor…” Met gebogen hoofd verlaat ik de kamer.
Als ik langs de receptie loop, zie ik nog net de geverfde kruin van de getraumatiseerde koffiejuffrouw, die op tijd is weggedoken onder de balie. Misschien wel beter zo.
Ik zeg oprecht beleefd “tot ziens”, en tegelijkertijd besef ik beschamend, dat dit kan overkomen als een sadistisch dreigement.

De volgende ochtend, om tien uur sharp, klop ik op de deur van Drs. A. Both.
Hij is dit keer gekleed in een sweater van de Zeeman. Ik neem plaats op de plastic kuipstoel, aan de formica tafel. Het hoogpolige vloerkleed is vervagen voor keukenzeil en van enig discusvis is niets te bekennen. Aan de muur hangt een goedkope megaproductie op spaanplaat van Jip en Janneke. Op zich heb ik er ontzag voor, dat ze dit zo snel hebben weten aan te passen.

“Goedemorgen Agneta, goed geslapen?”
“Jawel, ik slaap altijd goed eigenlijk. En u?”
“Hmm… ik heb me nog wel een paar keer omgedraaid vannacht.” Ik kan het niet helpen maar een glimlach ontsnapt me. Hij kijkt me aan en heel even zie ik sympathie in zijn ogen. Op zich best vreemd.

“Je hebt me gisteren onbewust enorm veel informatie gegeven, en ik heb er tot laat in de avond aan gewerkt. Ook je medische gegevens hebben me erg bezig gehouden, maar daar kom ik later op terug. Nu wil ik graag eerst van je weten of je het gevoel kunt omschrijven, dat vooraf gaat aan een uitval van je.” Hij pakt zijn blocnote op en een lege pagina, die er klaar voor is om gevuld te worden.

“Zoals u weet heb ik van die ‘uitvallen’ altijd al last, en mijn omgeving niet in de minste mate. Natuurlijk heb ik mijn eigen gevoel en gedachten al vaak genoeg geanalyseerd. Waarom zou ik er 320 euro per uur aan willen uitgeven als ik dat zelf ook kan? Ben ik niet de enige die weet wat er in mij omgaat? Maar, zoals u ook weet, heeft die zelfanalyse me niet echt geholpen. Zal ik u een gedicht laten lezen dat ik geschreven heb? De woorden in een gedicht zijn immers vaak duizendmaal sterker dan een heel volgeschreven boek, dat over hetzelfde gaat.”

Heel even heeft hij de neiging om diepzinnig achterover te leunen maar nog net op tijd beseft hij dat een barkruk niet dezelfde luxe geeft als een zesstanden rundlederen fauteuil.
“Een prima idee!”

Verdediging in vuur

aangevallen door het lot
onverwacht mensonterend
onderga ik de verscheurende pijn
tot op het broze bot

knallend hard
mijn schedel kraakt
alles met kleur
subiet in zwart

vleselijk geweld
duurt onverminderd voort
moet er doorheen
is mij toen verteld

doch, de aanval hield aan
bedreigend uit onverwachte hoek
blootstaan aan de pijn
liet mij altijd alleen staan

een kruidspoor door mijn lijf
van voeten tot mijn kruin
aangestoken door het kwaad
zet alles in mij stijf

de haat die in mij woedt
duivels tot in elke cel
ontbrandt door hetgeen
mij constant voedt

rek een dwerg uit,
tot normaal formaat
ruk bomen uit met kluit
tot het me weer even
pijnloos loslaat

hoe kan ik het bestrijden
met verweren en slaan!
verscheurend ervaar ik enkel
dat het me alsmaar
nog meer laat lijden

laat me los!
jij eeuwige kwel
vernietigen helpt niet
doch, het verlicht me wel

laat me slapen gaan
op een zachte wolk
zwevend in een zaligheid
in liefde voortbestaan

 

Het is stil.
Hij kijkt naar de vloer.

Na een licht klopje op de deur, komt de koffiejuffrouw binnen.
Ze heeft een oubollig schort voor en ze heeft randen onder haar ogen.  Zonder me aan te kijken, zet ze plastic bekertjes met koffie neer, waarna ze de kamer weer snel verlaat.

“Mag ik dat gedicht van je hebben?”
“Ja hoor, het staat opgeslagen in mijn computer.”
“Je woont dus sinds je veertiende bij je oma omdat je ouders in het buitenland werken. Ik heb gisteravond met je moeder gesproken aan de telefoon. Je hebt in je jonge leven nogal wat doorstaan in het ziekenhuis hè? Zes keer geopereerd?”
“Jawel, mijn kaak en mijn gebit… is nogal een toestand geweest na die val in de douche. Ik kan me dat op zich niet herinneren, ik was toen zeven jaar. Ik ben er een paar jaar mee zoet geweest; ik zag er niet uit. Ben er ook best wel mee gepest op school. Ach ja…

“Agneta, ik zal open kaart met je spelen. Wil je weten waaraan ik denk?”
“Dat zou wel lekker zijn, voor die 320 euro per uur”, en ik bijt meteen op mijn valse onderlip. Hij is goed, dat moet ik hem nageven, want hij doet alsof hij het niet gehoord heeft.
“Ik denk, dat die val van jou in die douche ermee te maken heeft. Ik stel je dus voor om deel te nemen aan een paar experimenten die ik voor je in petto heb.”
“Ik ga me echt niet vol laten spuiten met allerhande middeltjes die nog niet door de medici zijn goedgekeurd!”
“Nee, niets van dat al. Ga naar huis, dan ga ik voorbereidingen treffen. Ik bel je als ik er klaar voor ben, goed?”

Ik kijk op mijn horloge; het is 14:00 uur. Mijn tomtom heeft me op het adres gebracht dat ik doorgekregen heb van Both. Het is een sportcentrum. Totaal verbaasd ga ik naar binnen en bij de receptie zie ik hem staan.
“Ik heb een squashruimte voor ons afgehuurd.”
“Gaan we squashen dan?” vraag ik enthousiast.
“Nee, niet wij, maar jij wellicht wel. Kom maar mee, dan zal ik het uitleggen.”
Ik loop hem als een mak schaap achterna.
“Hier heb je zachte schoenen en een trainingspak. Ga je daar maar even verkleden.”

Gekleed in een kanariegeel pak en dito schoenen, sta ik volstrekt voor gek. Maar, ik heb beloofd mee te zullen werken dus ik houd me in. Ik meld me klaar voor de instructies.
“Mag ik?” Hij staat met een rubberband voor me, waar een gesp aan is bevestigd.
“Wat is dat?”
“Dat is een hartslagmeter. Zo kan ik je gevoel goed peilen,  vertrouw me. Doe je armen maar even omhoog.” Welja, ik werk mee… Vakkundig plaatst hij de band, net onder mijn beha rand.

“Agneta, de baan die je zo opgaat, zal volgende week verbouwd worden. Enige schade zal dus niet berekend worden. Ik heb in die ruimte wat dozen neergezet, met inhoud. Ik wil dat je die dozen zorgvuldig, in volgorde hoe ik ze heb neergezet, uitpakt. Als je je ergens door bedreigd voelt, en je brandende haat van je af wilt slaan, dan heb ik hier een tennisraket met een zak ballen. Ik zou zeggen: succes! Ik zal je buiten de baan volgen, dus je bent niet alleen. Goed?”

Wat een belachelijk experiment zeg!
Dozen met spullen: hij is toch f**king Sinterklaas niet? Met grote tegenzin betreed ik de ruimte en ik sluit de glazen wand achter me. Ik kijk om en ik zie hem plaatsnemen op een comfortabele stoel. Hij houdt het blocnote en één of ander ontvangstkastje vast.  

Oké, doos één.
Ik open de doos en ik zie genummerde pakketjes. Braaf open ik het eerste pakje.
Het is een douchekraan. Ik kijk om en ik zie hem gebaren dat ik het goed doe en dat ik door moet gaan. Oké, zijn uurloon loopt door, dus ik leg de douchekraan naast de doos, en ik ga naar het nummer twee pakketje. Het is een doucheslang. Geweldig! Pakket drie herbergt een spons. Vervolgens pak ik een stuk zeep uit, een witte handdoek, een groene handdoek en een kanariegele handdoek. Both zie ik niet schrijven, en de meter slaat blijkbaar niet uit, want hij controleert deze. Ik moet verder gaan, gebaart hij.

Ik pak een fles shampoo uit. Mijn merk is het niet. Doucheschuim, conditioneer en een pot bodylotion. De doos is leeg. Relaxed ga ik verder naar de tweede doos.
Ik ga het bijna leuk vinden.
Ik pak een rode handdoek uit. Ik ga zitten omdat ik een beetje duizelig word. Heb ik te lang voorover gestaan? Nogmaals kijk ik naar de rode handdoek en ik heb meteen een pesthumeur. Ik ga staan om de ruimte te verlaten en hem de tering te schelden.

“Nee, Agneta, ga door! Je doet het hartstikke goed!” hoor ik hem zeggen. Hij duwt me terug de baan op en sluit de glazen deur.
Driftig gooi ik de rode handdoek een eind van me af en ik ga door met uitpakken. Een goedkoop, statisch, aan je lijf plakkend, doorschijnend douchegordijn! Wat een waardeloze onzin! Met dezelfde drift gooi ik het gordijn weg,  dat neerkomt op de rode handdoek. Het douchegordijn wordt hierdoor rood… het witte waslabel van de handdoek steekt er nog onder uit.

Mijn voeten gaan branden.
Ik trap mijn schoenen uit, in de hoop dat de vloer verkoeling zal geven. Nee! Het vuur kruipt omhoog en al gauw sta ik in lichterlaaie. Mijn hoofd bonkt als een bezetene en het zweet druipt van mijn voorhoofd af. Ik pak de douchekraan met mijn klamme handen en ik smijt hem met alle kracht die ik in me heb, richting Both. Een oorverdovend geluid van uit elkaar spattend glas is het gevolg. Ik heb geen idee of ik hem getroffen heb en het interesseert me ook niet. Ook de doucheslang en alle andere attributen gebruik ik om het kwaad van me af te schudden. Met de zijkant van het tennisraket hak ik  met volle kracht de andere dozen in elkaar en de shampoo en douchefris sla ik ermee tegen de wanden. Mijn temperatuur is aanhoudend laaiend en mijn hartslag heeft een ongekende snelheid. Ik duizel en alles wordt zwart…

“Gaat ie weer meisje?”
“Haal het weg!!” schreeuw ik. “Weg! Weg! Weg!”
“Het is al weg, ik weet wat het is”, hoor ik de vriendelijke stem van Drs. Both zeggen.
Ik ga zitten en ik kijk panisch in het rond. De ruimte is leeg gehaald.

Als ik weer geheel rustig ben, komt hij naast me zitten.

“Ik heb je haatreacties geregistreerd en het is me geheel duidelijk. In 1998 heb ik een graad gehaald in extreem zeldzame fobieën. Samen met Drs. X. Plot, heb ik toen op Quatscholonië onderzoek gedaan naar de toen nog zeer onbekende Quatschogrobifobie. Slechts 0,000001% van de wereldbevolking heeft er last van, moet je weten. Dit komt neer op een totaal van  slechts 70 personen, wereldwijd dus. Je hebt in Jip en Janneke taal, een extreme haat ontwikkeld voor alles, met een rood-met-witte-stippen design. De jurk van mijn assistente bijvoorbeeld.

Deze zonnebril met groene glazen krijg je van mij cadeau.
Ik zal de eindafrekening naar je oma sturen.

 

 

Reacties (43) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Doe mij ook zo'n zonnebril... krijg het gevoel dat ik een van die 70 ben! Onwijs gelachen... zo quatserig goed!
haha
Niet vergeten op te zetten dan,
of je moet een rijke oma hebben? :)
Geleen en beoordeeld!
dank je wel
Hahahahahahahaha! Deze is echt leuk!!!

Héér-lijk!
hihi
dank je wel meis
oh nee, mies :))
Leuk geschreven!
Dank je wel.

Dit is een verhaal op de schrijfopdracht van Doortje, met het week-thema 'haat'.
Als je ook mee wilt doen dan kun je Doortje een pb sturen, dan nodigt ze je uit voor de zilla :)
Gelezen.
Dank je wel.
Gek wijf!

Erg leuk geschreven!

Dank u wel voor de complimenten :)
Boeiend geschreven verhaal met een heerlijk verrassende ontknoping.
Dank je wel Sed Res!