VOORUITGANG

Door Cees Geluk gepubliceerd op Saturday 24 January 01:51

Ik ben een laatbloeier. Dat is me al lang bekend. Aan de ene kant is dat vervelend want van wat ik nu begin kan ik nooit erg lang genieten. De rest van mijn leven, natuurlijk dat, maar niet mijn leven lang meer. Aan de andere kant is het ook wel gunstig: ik kan heel doordacht, want niet verblind door jeugdige impulsiviteit, aan een nieuw hoofdstuk als schrijver beginnen. En dan te bedenken dat ik Abraham allang heb zien komen. En ook weer heb zien gaan, mosterd en al.

Het levert ook de wat mij betreft unieke kans om te zien of, en wat, er veranderd is in de samenleving, de maatschappij waar ik deel van uitmaak. Politici hebben het, als ze over de toekomst praten, over het algemeen over een periode van 25 jaar. Ik heb de kans om te zien wat er is veranderd in het dubbele van die politieke standaardperiode. Ik ga daarvoor terug naar 1965. Anders dan politici concentreer ik me niet op geld, economie en concurrentievermogen, maar op hoe in die tijd het denken over en de omgang met onszelf en de ander is veranderd. Als er al een verandering is. En of die verandering ook een verbetering, een vooruitgang is. Terug dus naar 1965, het jaar waarin ik 7 was, nog 8 moest worden (ook dáárin ben ik laat: ik ben geboren in december).

Even het plaatje tekenen. Beginnen we buiten op straat. Auto’s waren er wel, maar veel minder dan nu. Een auto was vaak ook nog voorbehouden aan de beter gesitueerden: de rijksambtenaar, de dokter, de notaris, de dominee. Een pastoor zie ik niet zo in een auto. Het beeld dat me daarvan bijstaat is vooral dat van een fiets, maar mogelijk speelt een bepaalde televisieserie mijn geheugen parten. Niet teveel auto’s op straat dus. Kinderen konden ongestoord buiten spelen. Er was ook niets anders, tv was er alleen ’s avonds en internet… nee, dat begrip kende nog niemand. Ikzelf reed voor mijn plezier graag op een door mijn vader van diverse links en rechts gevonden onderdelen in elkaar gezette fiets. Urenlang fietste ik steeds hetzelfde stuk rond het huizenblok waar mijn ouders, broertje en ik woonden. En dat kon ik doen zonder bang te hoeven zijn door één of ander snelheidsmonster met verschrikkelijke haast het ziekenhuis in gereden te worden. Als je tegenwoordig niet snel genoeg uit de weg bent heb je op zijn minst een middenvinger op je netvlies en veel ‘nieuwe woorden’ geleerd. Want we moeten voort, alles moet snel, sneller, snelst in een race tegen de klok, want tijd is geld. Het konijn uit ‘Alice in Wonderland’ is er niks bij. Vooruitgang? Nou, nee…

De exacte tijd verschilde van gezin tot gezin, maar tussen half zes en zes uur had iedere moeder haar keel wel schor geschreeuwd: ‘Aan tafel!’ Als kind had je dan maar te komen. Een eigen mening of eigen initiatief (‘ik blijf nog even lekker spelen, ik kom zo’) werd niet op prijs gesteld. Moeders wil is wet, Vaders wil een heilig gebod. Eenmaal aan tafel, onder de met stoffen kap (denk aan de franjes!) beklede enkele schemerlamp, was er een duidelijke rangorde. Gebaseerd op een ongeschreven, nooit uitgesproken of uitgelegde wet had Vader de beste plek en zat moeder ter rechterzijde van hem. De kinderen hadden de ‘mindere’ plaatsen. Voordat er gegeten kon worden legde Vader met zijn ogen de kinderen het zwijgen op. Handen gevouwen en ogen dicht, moest er gebeden worden. Vader bad eerst, de kinderen maakten daarna, op volgorde en onder toeziend oog van Vader, hun eigen devote dankbaarheid aan het Opperwezen kenbaar. Denk aan het beeld uit de tv-serie ‘Bartje’. Na het gebed werd het eten verdeeld. Vader kreeg vanzelfsprekend als eerste, Moeder schepte dan zichzelf op, en de kinderen kregen als laatsten, in volgorde van hun geboorte. Een plechtig ritueel, dat opscheppen, dat in stilte werd uitgevoerd. Ook tijdens de maaltijd werden kinderen geacht hun mond te houden, in ieder geval niet eerder te spreken dan nadat ze aangesproken werden. Vader en Moeder zeiden ook niet veel. De gezamenlijke maaltijd (‘gezellig, zo aan tafel!’) werd vooral in stilte genoten. Het enige geluid was het getik en gekras van bestek op aardewerk. Gelukkig stellen we nu aan tafel zelfs de jongste kinderen in staat hun ervaringen van de dag te delen. Vooruitgang? Zeker weten!

Vader, Moeder, kinderen. Het gezin, hoeksteen van de samenleving. En al die hoekstenen samen vormden de maatschappij, of eigenlijk diverse maatschappijen. Want de maatschappij bestond niet. Nederland in 1965 kan het best worden vergeleken met een colonnade, een zuilengalerij, waar elke burger zich het liefst schaarde rond de eigen zuil. Er was een Katholieke zuil, een Gereformeerde, een Hervormde, een Socialistische, een Humanistische, een Commu… het beeld moge duidelijk zijn. Elk van die zuilen had zijn eigen… alles! Een eigen krant, een eigen sportvereniging, een eigen politieke partij, enzovoort, en zo verder. Zondags ging men naar de eigen Kerk en luisterde naar de eigen donderpreek. Vanaf de kansel en van achter het altaar kregen de gelovigen door de pastores en voorgangers ingeprent hoe ze moesten leven, wat ze moesten denken, welke krant ze moesten lezen, op wie ze moesten stemmen. In Katholieke kring was stemmen op de KVP een heilige plicht. Het begrip ‘doorbraak’ bestond al wel, maar was lang nog niet ingeburgerd. Verbreken van het pastoraal gebod om Katholiek te stemmen kon je op ‘Eeuwige Verdoemenis’ komen te staan. Nu ik dit schrijf vraag ik me af hoe ‘meneer Pastoor’ er achter kon komen hoe je gestemd had. De biechtstoel? Hoe dan ook, er lag een kloof tussen al die zuilen die zo diep was dat overbruggen onmogelijk leek.

De toekomst van deze verdeelde samenleving werd veilig gesteld door de kinderen in die zin vooral op confessionele scholen (met instemming en in opdracht van de ouders) te indoctrineren. Neem bijvoorbeeld de Christelijke School (leg bij het uitspreken de nadruk op ‘Ch’, waarbij de huig flink moet trillen) waar ik naartoe ging. Een eindje verderop in de straat stond een ‘Openbare’. De meester (ik zat in wat tegenwoordig de bovenbouw heet en dus stond er een meester voor de klas) verbood zijn leerlingen, met een overtuiging alsof zijn voorvaderen in de schoolstrijd waren gesneuveld, ten strengste om contact met de leerlingen ‘van de overkant’ te leggen, ‘want die bidden niet voor het eten’. En zo kon het gebeuren dat kinderen liever een straat verderop met leeftijdgenoten van dezelfde ‘zuil’ gingen spelen dan met hun buurjongens of –meisjes.

1965. Vijftig jaar geleden. Een verzuilde samenleving. ‘Allemaal hetzelfde, en toch ieder op ons eigen lekker verschillend,’ zei Simon Carmiggelt in de film ‘Alleman’. De ‘goeie ouwe tijd’. Maar is er eigenlijk wel zoveel veranderd in die vijftig jaar? Ik denk het niet. In feite zijn we nog steeds zo verzuild als de pest, alleen herkennen we dat niet meer, willen we dat niet herkennen. Natuurlijk, er zal niemandmeer schromen, op een enkele uitzondering na, om als Protestant een Katholieke kerk binnen te stappen of andersom. Maar een moskee, een Synagoge, een Tempel…? Er zal niemand meer gek opkijken of, wat erger is, er kwaad van spreken als een Katholiek meisje trouwt met een Protestantse jongen. ‘Twee geloven op één kussen…’ is niet meer van deze tijd, zeggen we dan. Maar wat als onze dochter verliefd wordt op een moslim? ‘Papa, Khalid en ik willen in de Moskee trouwen.’ Wees eerlijk: hebben we daar geen moeite mee? Echt niet? Ik geloof er geen barst van!

We krijgen nog steeds van alle kanten een mening over ‘die anderen’ aangepraat, alleen is het nu niet meer Meneer Pastoor, maar de buurman met wie we de goede vrede willen bewaren, de baas van wie we afhankelijk zijn voor behoud van onze baan, of een enkele politicus die, laat ik het maar plat zeggen, aan onze zachte onderbuik appelleert en ons angst als enige raadgever aanprijst. Geen enkele van die meningen is onverdeeld positief, en we schreeuwen elkaar als even zoveel papegaaien na. Maar praten we ook met de Turk, de Marokkaan, de Moslim, de Jood, de Hindoe, de… noem het maar op? Hoe kunnen we dan weten hoe zij over onze samenleving denken en waarom ze dat doen? Willen we dat wel weten? Waarom niet? Staan we open voor hun denkbeelden of verwerpen we die nog voor we ook maar iets gehoord hebben? En waarom? Waarom zouden we niet eens aannemen dat een Turk of Marokkaan, een Moslim of Jood net zo goed als wij zinnige dingen kunnen zeggen over hoe we met elkaar omgaan? Waarom gaan we dat gesprek niet gewoon aan? Maar nee, Vijftig jaar geschiedenis heeft ons niets geleerd. Geen vooruitgang. We zijn nog steeds verzuild. Alleen hebben de pilaren andere etiketjes gekregen. Wat jammer.

© Cees Geluk, jan. 2015

Reacties (3) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Mooi geschreven en erg herkenbaar voor iemand van 1962... ;-)
De pilaren hebben inderdaad heel andere etiketjes gekregen.

De vooruitgang hield in/na de provotijd al op..

Fijne directe schrijfstijl heb je!
Weinig vooruitgang dus uiteindelijk, diep, lang en doordacht geschreven, op naar de volgende vijftig jaar, ik ben van 1966 dus wie weet maak ik het nog mee de vooruitgang ;-) Goed geschreven en het zet aan het denken.