Nederlands Laagland Literatuur Samenvatting Cursus 3

Door Xilse26 gepubliceerd op Sunday 18 January 19:09

CURSUS 3

§1: Literaire teksten en zakelijke teksten

Verwoording: De manier waarop iets onder woorden wordt gebracht.
Het literaire karakter van een tekst wordt in literaire teksten benadrukt.

 

§2: Stijlfiguren

Stijlfiguren: vaste formuleringen die gebruikt worden om een effect te creëren bij de lezer.
Veel gebuikte stijlfiguren:

  • Tegenstelling (Antithese): Woorden, zinnen of grotere tekstgedeelten zijn tegengesteld aan elkaar.
    vb: levend – dood, verleden – toekomst, goed – slecht
  • Herhaling (Repetitio): Een woord of woordgroep wordt ongewijzigd herhaald en krijgt zo een extra betekenis.
  • Paradox: Een schijnbare tegenstelling in een formulering waarbij tegengestelde begrippen worden verbonden.
    vb: bittere honing
  • Opsomming (Enumeratio): Opsomming van namen, gegevens of feiten.
  • Parallellisme: Een herhaling door terugkeer van dezelfde woordvolgorde en grammaticale structuur.
  • Tautologie: Een begrip wordt met meerdere synoniemen uitgedrukt.
    vb: Blij & gelukkig
  • Pleonasme: Een vanzelfsprekende eigenschap van een begrip wordt extra benadrukt.
    vb: witte sneeuw, ronde bal
  • Hyperbool: Sterke overdrijving.
  • Retorische vraag: De vraagvorm wordt gebruikt om de lezer te betrekken bij het verhaal, te verassen of aan het denken te zetten. Er is geen duidelijk antwoord op de vraag in de tekst.

 

§3: Beeldspraak

3.1 Beeld en object

Beeldspraak is het gebruiken van figuurlijk taalgebruik.
Context: De rest van de tekst.
Bij beeldspraak wordt wat letterlijk bedoeld wordt (het object) aangeduid met een figuurlijk bedoeld woord of woordgroep (het beeld).

3.2 Vormen van beeldspraak

Er zijn verschillende vormen van beeldspraak:

  • Vergelijking- met- als: Het object en het beeld worden genoemd en verbonden door bepaalde woorden. (Als, zoals, zo…als, gelijk, van)
    vb1: De vuurtoren (object) staat als een trouwe wachter (beeld) bij de haven.
  • Vergelijking- zonder- als: Het object en beeld worden genoemd, maar er is geen woord wat ze verbind.
    vb2: De vuurtoren (object), een trouwe wachter (beeld), staat bij de haven.
  • Metafoor: Je leest alleen het beeld en op basis van de context moet je het object bepalen. Bij een metafoor hebben het object en het beeld iets gemeen.
    vb3: Een trouwe wachter (beeld) staat bij de haven.
  • Metonymia: Je leest alleen het beeld. De relatie tussen beeld en object is niet gebaseerd op iets gemeenschappelijks.
    Er zijn verschillende manieren om de relatie tussen object en beeld weer te geven:
  1. Maker voor product
    Een Rembrandt aan de muur.
  2. Materiaal voor product
    De ijzers onderbinden.
  3. Verpakking voor inhoud
    Doe mij nog maar een kopje.
  4. Deel voor geheel
    Koppen tellen.
  5. Geheel voor deel
    De rechtbank beslist.
    Den Haag kiest voor cultuur.

 

  • Personificatie: Levenloze voorwerpen krijgen menselijke eigenschappen of worden levend voorgesteld.
    vb: De wind huilt om het huis.
  • Synesthesie: Waarnemingen van verschillende zintuigen worden gecombineerd.
    vb: Warme kleuren, bruine kleur

 

§4: Symbolen

Symbolen zijn letterlijke bedoelde figuren die voor jou als lezer een diepere betekenis kunnen hebben.
vb: Duif = vredessymbool, roos = liefde

§5: Stijlbreuk en ironie

5.1 Stijlbreuk

Stijlbreuken: het doorbreken van een bepaalde stijl.

5.2 Ironie

Ironie: Een vorm van milde, niet kwetsende (zelf)spot, vaak humoristisch.
Bij ironie wordt vaak het tegenovergestelde gezegd van wat wordt bedoeld: een implicatie, maar bedoelde betekenis van taaluiting wijkt af van wat letterlijk wordt gezegd of geschreven.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.