Uitleg en samenvatting van alle kenmerkende aspecten voor het examenvak geschiedenis (deel 2)

Door H_justin gepubliceerd op Tuesday 09 December 13:59

4d02b330ea9e3926cddfb250230c3bb6_medium.

Kenmerkend aspect 11: Hofstelsel en horigheid
Met de ondergang van het West-Romeinse Rijk nam de onveiligheid in West-Europa toe waardoor de handel en de geldeconomie grotendeels instortten en ook de voedselvoorziening voor de steden moeilijk werd. Veel mensen zochten bescherming op de grote landboerderijen die al in de Romeinse tijd bestonden. In ruil voor bescherming moesten ze herendiensten uitvoeren op het landgoed (=het domein) van de heer en hem een deel van de oogst afstaan. Zo ontstond het hofstelsel: een economie waar zelfvoorzienende boeren (=autarkie) leefden op landgoederen (=domeinen) op het platteland. Deze samenleving was verdeeld in standen (= dus groepen waarbij men door geboorte wordt ingedeeld). De geestelijkheid (= kerkelijk leiders) vormde de eerste stand en de adel de tweede sand. De derde stand bestond uit vrije boeren die hun eigen land bewerkten maar hun heer wel militair moesten steunen. Daarnaast waren er onvrije boeren verdeeld over ''horigen'' die hun eigen grond bewerkten, maar die het domein van de heer niet mochten verlaten en ''lijfeigenen'' die bezit van de heer waren.

Kenmerkend aspect 12: Het ontstaan van feodaal bestuur
Na de periode van de Volksverhuizingen (ca. 375 t/m 600 n.Chr.) ontstonden uit de elkaar bestrijdende Germaanse koninkrijkjes geleidelijk aan een paar nieuwe rijken. De vorsten hadden geen moeite om hun gebied te controleren: ze konden niet terugvallen op het centraal georganiseerde bestuursapparaat van de Romeinen, evenmin hadden ze permanent een leger tot hun beschikking, omdat belastingen alleen in natura (bijvoorbeeld graan) betaald werden. De oplossing was dat de vorst mensen persoonlijk aan zich bond. Hieruit ontstond het leenstelsel ofwel het feodalisme. De vorst bond zijn vechters, de ridders (oorspronkelijk niet meer dan soldaten te paard die in staat waren om in hun eigen wapenuitrusting te voorzien) aan zich door een eed van trouw. Deze ridders werden vanwege hun eed van trouw vazallen van de koning, zij beloofden de Karolingische vorsten (bijvoorbeeld Karel de Grote) hun ridders door hen een stuk van het rijk in leen te geven. De vazal werd nu een leenman; hij mocht het leen (=feodum) besturen en er op terugvallen voor zijn inkomsten. Als een leenman een groot gebied in leen had, verdeelde hij dit op zijn beurt weer onder ''achterleenmannen''. In deze vorm van besturen stond de persoonlijke relatie tussen leenheer en leenman dus centraal. Onder sterke vorsten, zoals Karel de Grote, werkte dit systeem redelijk, maar onder zwakke vorsten gingen de leenmannen hun leen meer en meer als eigendom beschouwen en nam hun gehoorzaamheid aan de leenheer af.

Kenmerkend aspect 13: De opkomst van handel en ambacht
In de elfde en twaalfde eeuw bloeiden oude steden weer op en ontstonden er nieuwe steden. Europa was veiliger geworden omdat de invallen van agressieve volken zoals Vikingen na het jaar 1000 ophielden. De hoeveelheid landbouwgrond kon worden uitgebreid en door nieuwe landbouwtechnieken zoals het drieslagstelsel en de ijzeren ploeg kwam er meer oogst waardoor de bevolking groeide. Door de overschotten hoefde niet iedereen meer als boer te werken. Veel boeren specialiseerden zich: de beroepen handelaar en ambachtsman keerden terug. Er werden weer markten georganiseerd op plekken waar weg en rivier elkaar kruisten; hier ontstonden nieuwe steden en keerde ook de geldeconomie terug.

Kenmerkend aspect 14: De opkomst van de stedelijke burgerij
De heroplevende steden vielen aanvankelijk nog helemaal onder het bestuur en de domeinen van adel en vorst. Steden waren dus niet zelfstandig. Maar doordat de steden rijker werden (handel, terugkeer van de geldeconomie) wilden adel en vorst liever belasting van de steden dan diensten. In ruil daarvoor eisten de steden een grotere zelfstandigheid: ze eisten privileges, en ze kregen van de landheer en vorst in de vorm van stadsrechten. Dit laatste was onder andere het recht om een markt te organiseren, het recht om zelf de rechtspraak te organiseren, het recht om eigen munt te slaan en het recht om zich zichzelf te besturen door middel van zelf wetten te maken. Door de winsten uit de handel werden de sociale verschillen in steden steeds groter. De bovenste laag werd gevormd door de rijkste koopmansfamilies (=patriciërs) die de bestuurders leverden (=de schepenen). Onder deze groep stond het gemeen (= de armere stadbevolking waaronder de handelaren en de ambachtslieden. Deze groepen hadden geen aandeel in het bestuur maar zij konden via hun gilden wel druk uitoefenen op de patriciërs.

Kenmerkend aspect 15: De strijd tussen paus en wereldlijke vorsten
'Europa' stond in de middeleeuwen min of meer gelijk aan de landen waar het overgrote deel van de inwoners christelijk was. Geloof en kerk waren in deze wereld geen privézaak, omdat in het middeleeuwse denken boven de Christenen feitelijk niet één maar twee ''overheden'' stonden, die beiden evenveel macht hadden: de ''wereldlijke macht'' (=vorst) en de ''geestelijke macht'' (=paus). In de elfde en twaalde eeuw ruzieden de paus en de Duitse keizer over de vraag wie het hoogste gezag  (= het primaat) had over de Christenen. Deze concurrentiestrijd tussen vorst en paus leidde tot een conflict over de benoeming van bisschoppen in hun rijk (=de investituurstrijd). Duitse keizers, zoals Henrik IV, benoemden bisschoppen in hun rijk (= de investituur). Dat gaf hen veel macht in de kerk. Zij hadden hier verder veel belang bij, omdat de keizers de bisschoppen ook als leenman over delen van zijn rijk aanstelden. De paus, zoals Gregorius VII, zag dit als een inbreuk op zijn macht en autoriteit. Hij stoorde zich aan deze invloed van leken (=niet-geestelijken) zoals de Duitse keizer in de kerk. De paus zag zichzelf als plaatsvervanger van Christus op aarde waardoor hij boven de keizer stond. De investituurstrijd eindigde in 1122 met het Concordaat van Worms: paus en keizer spraken af dat de paus een bisschop mocht benoemen, de keizer mocht de bisschop vervolgens tot leenman beniemen.

Kenmerkend aspect 16: De expansie van de middeleeuwse christelijke wereld
De toenemende macht van de paus blijkt ook uit de oproep van paus Urbanus II aan alle christenen in 1095 om een helige oorlog te starten tegen de islam, zodat de christenen ongestoord op pelgrimage konden. Behalve veel ridders gaven zelfs koningen gehoor aan zijn oproep. Dit leidde tot de Eerste Kruistocht (1096-1099) die eindigde met de verovering en een verschrikkelijke plundering van Jeruzalem. In de volgende twee eeuwen zouden nog vele kruistochten volgen, maar het lukte de kruisvaarders niet om Palestina in christelijke handen te houden.

Kenmerkend aspect 17; Het begin van staatsvorming en centralisatie
In de 14de en 15de eeuw werd een begin gemaakt met staatsvorming. Dit hield in dat vorsten een aaneengesloten grondgebied verworven (= door oorlog, huwelijk, erving of aankoop) en maatregelen namen om het land als een eenheid te besturen. Staatsvorming vond in de late middeleeuwen vaak gelijk aan de groei van de koninklijke macht. De vorst nam maatregelen om de aan de adel en aan de steden verloren macht terug te winnen. Deze politiek noemen we centralisatie en zij ontmoette veel weerstand. Adel en steden wilden hun eerder verkregen voorrechten niet zonder meer afstaan.De vorsten troffen maatregelen om het bestuur te centraliseren door één hoofdstuk te kiezen voor het bestuur over het rijk en door het creëren van parlementen waarin de vorst de onderhandelde met de vertegenwoordigers van de standen voor het opleggen van nieuwe belastingen. Ook vaardigden zij wetten uit die voor het gehele land golden en hieven ze centrale belastingen (= vaak accijnzen) die ook voor het gehele land golden. Ze bouwden een eigen parlementleger op met vooral huursoldaten en ze stelden ambtenaren aan voor wetgeving en belastingheffing. Door burgers te kiezen die gestudeerd hadden, kon de vorst de adel buiten het bestuur houden en omdat ze van hem afhankelijk waren kon hij er meer op rekenen dan op de adel.

Kenmerkend aspect 18: Het begin van de Europese expansie
De Portugezen waren de pioniers in de ontdekkingsreizen, gevolgd door de Spanjaarden. Al voor 1500 hadden de Portugezen de kusten van Afrika verkend en hadden zij een zeeweg naar Indië gevonden. De Portugezen stichtten geen kolonieën in Azië, alleen handelsposten. De Spanjaarden zouden wél koloniën stichtten maar dan in Amerika. Na de ontdekkingsreis van Columbus trokken Spaanse Conquistadores (=veroveraars) met hun legers de binnenlanden van Midden- en Zuid-Amerika in om gebieden te veroveren. Met hen reisden missionarissen mee. De Spaanse soldaten maakten een einde aan de beschavingen van Azteken en Inca's. De Spanjaarden begonnen plantages in de veroverde gebieden waar de indiaanse bevolking als dwangarbeiders werden gebruikt. Al snel stapten de Spanjaarden over op het inzetten van slaven die uit Afrika werden gehaald. Door de nieuwe kennis over continenten en nieuwe genieden veranderde het wereldbeeld van de Europeanen. Europa stichtte koloniën en daarmee verspreidden mensen zich over de gehele wereld en neemt de handel in producten uit de koloniën toe en ook wordt het christendom een religie.

Kenmerkend aspect 19: De Renaissance
In de Middeleeuwen geloofde men dat God de oorzak van alles was. Voor de Middeleeuwer was zijn relatie tot God het belangrijkste, het verblijf van de mens op aarde werd als slechts tijdelijk beschouwd en de mens diende zich vooral op het leven na de dood te richten en af te zien van alle aardse rijkdommen en genietingen. Wat de kerk beweerde werd als waarheid aanvaard. Maar in de periode tussen 1300 en 1600 voltrok zich in Europa een mentaliteitsverandering. In plaats van in alles te vertrouwen op het geloof, ging men de wereld om zich heen mer rationeel bekijken (= het verstand gebruiken om zelf verklaringen te zoeken voor natuurverschijnselen en maatschappelijke problemen). Zo ontstond er een nieuw ideaalbeeld van de mens: de ''homo universalis'', de algemeen ontwikkelde mens met een veelzijdige belangstelling, bijvoorbeeld zowel kunstenaar als wetenschapper (bijv. Michelangelo en Leonardo da Vinci). De kunstenaar werd in de Renaissance meer zelfbewust: hij liet zich leiden door persoonlijk inspiratie en emotie, hij was trots op zijn werk en zijn beroep. In Noord-Italië waren stadstaten ontstaan waar een rijke bovenlaag van zelfbewuste burgers de kusnt en architectuur stimuleerden door opdrachten te geven voor schilderijen en gebouwen.

Kenmerkend aspect 20: De heroriëntatie op de Klassieke Oudheid.
De in kernmerkend apect 19 genoemde mentaliteitsverandering kwam tot uitdrukking op allerlei gebieden: onder andere in de wetenschap en in de kunst. In de wetenschap wilden ''humanisten'' wetenschappelijk verantwoorde vertalingen. Zij vroegen zich, zoals bijv. ook de Nederlandse humanist Erasmus, af of de bijbel die de katholieke kerk gebruikte (=Vulgaat) wel juist vertaald was uit de oorspronkelijke oude Hebreeuwse en Griekse teksten. Verder speelde ook de val van Constantinopel in 1453 een tol. Toen de Turken de stad verovrden en er een einde kwam aan het Byzantijnse Rijk vluchtten veel burgers naar Italië en zij namen de klassieke idealen en denkbeelden mee. Door de uitvinding van de boekdrukkunst rond 1450 konden de nieuwe denkbeelden zich snel verspreiden over West-Europa. In de kunst grepen beeldhouwers, schilders en architecten terug op de klassieke voorbeelden. In beelden en tekeningen wordt het menselijk lichaam vanaf nu weer realistisch uitgebeeld.

___________________________________________________________________________________________
029cdd98c25f6ba42f87d348a34e061d_medium.Gemaakt door: H_Justin
Op dit artikel zit Copyright.
Dit artikel is geschreven tbv opleiding.
___________________________________________________________________________________________

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.

Reacties (2) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
een mooie geschiedenisles
Hele mooie van je.