Uitleg en samenvatting van alle kenmerkende aspecten voor het examenvak geschiedenis volgens de exameneisen (deel 1)

Door H_justin gepubliceerd op Tuesday 25 November 11:57



Kenmerkend aspect 1: Jagers-Verzamelaars

Prehistorie tot 3000 v.Chr.
Mensen leefden van de jacht, visvangst en het verzamelen van noten, vruchten, wortels, etc. Ze kenden een nomadisch bestaan (d.w.z: geen vaste woonplaats en leven in kleine groepen van 20-25 personen) Ook werd het maken van kunst een onderdeel van de levenswijze van de mens.

Kenmerkend aspect 2: Landbouw en landbouwsamenlevingen
Rond 11000 v.Chr.
In het Midden-Oosten werd de eerste landbouw ingevoerd. Mensen leefden niet meer van de natuur maar gingen zelf gewassen verbouwen en dieren temmen. Ze kenden een vaste woonplaats (=sedentair) en leefden in grotere groepen waardoor er een sociale gelaagdheid ontstond. Deze overgang van jagen naar landbouw en veeteelt wordt ook wel de Neolithische Revolutie genoemd. Rond 5000 v. Chr. bereikte de landbouw West-Europa.

Kenmerkend aspect 3: De eerste stedelijke gemeenschappen
Dorpen groeiden aaneen en groepen vestigden zich in ommuurde nederzettingen. Deze stadstaten kenden een hiërarchische opbouw met een tempel als godsdienstig centrum dat geleid werd door priesters. Landbouw leverde zo'n grote opbrengst op, dat door overschotten (=landbouw surplus) mensen vrijgesteld konden worden van het werken in de landbouw en zich konden specialiseren in het maken van producten (=nijverheid) die verhandeld konden worden. Rond 3000 v.Chr. onstond het schrift, want koningen en tempelbeheerders hadden een middel nodig om hun bestuur en administratie goed uti te kunnen voeren.

Kenmerkend aspect 4: Griekse wetenschap en politiek
Athene was een zogeheten stadstaat/polis. Rond 500 v. Chr. leefden de Grieken in enkele honderden van zulke steden. Binnen die steden ontwikkelden zich verschillende soorten bestuur. Daar waar een kleine groep de macht had onstond een 'oligarchie (=macht van weinigen) of een aristocratie (=kacht van de besten). Ook waren er steden waar één man de macht greep: een tiran. In Athene ontwikkelde zich een directe democratie (=bestuursvorm waarbij alle volwassenen vrije Atheense mannen via deelname aan de volksvergadering invloed op de politiek hadden). Al vanaf 600 v.Chr. dachten de Griekse onderzoekers kritisch na en probeerden een algemene theorie te ontwikkelen om natuurveschijnselen te verklaren. Deze denkers vormden het begin van een lange traditie van Griekse filosofen die over allerlei aspecten van het bestaan onderzochten door kennis niet zomaar over te nemen uit oude verhalen of traditie, maar alles zelf kritisch te onderzoeken om zo tot nieuwe waarheden te komen. De griekse filosofie wordt dan ook gezien als het begin van de 'wetenschap'.

Kenmerkend aspect 5: De klassieke vormentaal
In de westerse cultuur is het voorbeeld van de Grieken en Romeinen eeuwenlang nagevolgd, en wordt daarom klassiek genoemd. De Griekse vormentaal werd vooral bepaald door tempels met zuilen (Dorisch, Ionisch en Korintisch) en beeldende kunst die streefde naar een perfecte weergave van de anatomie. De Romeinen namen deze Griekse vormentaal over maar voegde in de beeldende kunst meer realisme toe. De Romeinse architectuur was mer gericht op praktisch nut zoals bij aquaducten, boogconstructies en badhuizen.

Kenmerkend aspect 6: De groei van het Romeinse Rijk.
De geschiedenis van de Romeinse veroveringen strekt zich uit over vele eeuwen. In de vijfde eeuw v.Chr. toen de Atheense democratie volop groeide, was Rome nog een bescheiden nederzetting. Maar rond 100 n.Chr. hoorden alle gebieden rond de Middellandse Zee tot het Romeinse Rijk. Ook delen van de Britse eilanden, het zuidelijke deel van Nederland en delen van Midden-Europa waren in het Romeinse RIjk (=Imperium Romanum) opgenomen. In deze gebieden raakte de Griek-Romeinse cultuur zodanig verspreid dat het een blijvende invloed heeft uitgeoefend. Bij deze uitbreiding maakten de Romeinen gebruik van twee middelen: diplomatie en het leger. De diplomatie bestond uit het sluiten van bondgenootschappen met lokale heersers. Lukte dat niet dan werd het Romeinse leger ingezet. Aanvankelijk bestond dat leger uit vrije boeren maar op den duur ontwikkelde het zich tot een bijna onverslaanbaar beroepsleger. Het Romeinse Rijk kende twee verschillende bestuursvormen. Vanaf 509 v.Chr. koos men jaarlijks twee consuls als belangrijkste bestuurders en daarmee begon de 'Romeinse Republiek'. Vanaf 27 v. Chr. werden keizers de belangrijkste bestuurders en dit Romeinse Keizerrijk duurde tot 476 n.Chr. toen de laatste West-Romeinse keizers werd afgezet. Zowel de Romeinse republiek als het Romeinse Keizerrijk waren een aristocratie (=een bestuursvorm waarbij een kleine groep rijken de politiek bepaalde.

Kenmerkend aspect 7: Grieks-Romeinse en Germaanse cultuur
In de door Romeinen veroverde gebieden in Noord-West Europa verliep de romanisering langzaam. De hier wonende eenvoudige boerenvolkeren, zoals de Kelten en de Germanen, waaronder de Batavieren, kenden het gebruik van het schrift niet. Ook nieuw was het bouwen in steen en het gebruik van glas en muntgeld. Toch werden ook deze gebieden geromaniseerd (de inwoners namen de Romeinse cultuur over en vermengde deze met eigen gebruiken en gewoonten, zoals bijv. het voorbeeld van de inheemse godin Nehallenia die in een Romeins altaar werd afgebeeld.

Kenmerkend aspect 8: Jodendom en Christendom
Het Christendom is uit het Jodendom ontstaan. Beide godsdiensten zijn monotheïstisch (=het aanbidden van één god) en ook kennen ze heilige boeken. Rond 30 n.Chr. leefde in Palestina, dat onder Romeins gezag viel, Jezus die door de meerderheid van de Joden niet als Goddelijk werd geaccepteerd. Een kleine Joodse sekte zag hem echter als 'zoon van God'. Later kreef hij de Griekse bijnaam 'Christos' wat 'gezalfde' betekent (= iemand die met heilige olie tot priester of koning is gemaakt). In de eerste eeuw n.Chr. trok deze sekte aanvankelijk vooral arme Romeinen aan vanwege de belofte van een leven na de dood. De aanhang groeide door de openstelling voor niet-Joden. De Romeinen kenden een polytheïstische godsdienst (=aanbidden van merdere goden, in de tijd van het keizerrijk zelf ook de keizer zelf aanbidden). Christenen weigerden echter de Romeinse goden en de keizer te vererebn waardoor de eerste christenvervolgingen in het Romeinse Rijk optraden onder Keizer Nero. Na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem in 70 n.Chr. verspreidden veel Joden zich over delen van het Romeinse Rijk waar zij als religieuze minderheid vaak werden onderdrukt. In de tweede eeuw n.Chr. bleef het Christendom verboden, maar waren er geen felle vervolgingen. In veel Romeinse steden ontstonden goed georganiseerde christelijke gemeenschappen met aan hoofd een bisschop. In de derde eeuw n.Chr. kreeg het Christendom ook veel aanhang uit de bovenlaag van de Romeinse samenleving. Door toenemende onveiligheid in het Romeinse Rijk (onder andere door invallen van Germaanse stammen) ontstonden weer felle christenvervolgingen, omdat Christenen vaak werden aangewezen als zondebok voor de chaos. Keizer Constantijn de Grote gaf Christenen in 313 n.Chr. godsdienstvrijheid. Constantijn zelf bleef de Romeinse goden trouw, maar gebruikte het Christendom om de eenheid in zijn rijk te bevorderen. Christenen groeiden uit tot een meerderheid in het Romeinse Rijk. In 391 n.Chr. werd het Christendom staatsgodsdienst in het Romeinse Rijk.

Kenmerkend aspect 9: De verspreiding van het christendom.
De christelijke kerk had een hiërarchische opbouw: bovenaan de paus, daaronder de bisschoppen en daaronder de gewone priesters. Na de ondergang van het West-Romeinse Rijk en met de komst van de heidense (=niet-christelijke Germanen) moest de christelijke kerk opnieuw terrein winnen in Noord-West Europa: Pausen zonden missionarissen, vaak monniken zoals Bonifatius, door Europa om heidense volken te kerstenen (= te bekeren tot het Christendom). Dit slaagde alleen als de missionaris een bondgenootschap sloot met de politieke leiders. Daarom gingen missionarissen op pad na steun van de vorst en met diens soldaten in het gevolg. Eerst bekeerden ze de plaatselijke heerser en diens edelen, de lokale bevolking volgde daarna. Ook het stichten van kloosters droeg sterk bij aan het succes van de kerstening van Noord-West Europa.

Kenmerkend aspect 10: De verspreiding van de Islam
De Islam ontstond als nieuwe religie op het Arabisch schiereiland tussen 610 (Mohammed werd profeet van Allah) en 632 (Mohammed overleed), met Mekka als centrum. Na de dood van Mohammed breidde het Islamitische Rijk zich uit door veroveringen van het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Spanje. In 732 n.Chr. werd deze opmars gestopt door de Franken bij de slag van Poitiers. De veroveringen werden mogelijk gemaakt door de religieuze gedrevenheid van de Arabische moslimlegers. Het Islamitische Rijk zou geen eenheid blijven: verschillende rijken (=kalifaten, genoemd naar de kalief die zowel wereldlijk als geestelijk leider was) volgden elkaar op. Ook op religieus gebied raakte de Islam verdeeld tussen Soennieten en Sjiieten over de vraag wie zich de rechtmatige opvolgers van Mohammed mochten noemen. In de Middeleeuwen ontstonden intensieve contacten tussen moslims en christenen. Vreedzame contacten door de handel maar ook niet-vreedzame contacten zoals de kruistochten. Christenen en Joden werden door de Islamitische veroveraars als  'volkeren van het boek' beschouwd en mochten hun eigen religie blijven uitoefenen. Wel moesten ze extra belasting betalen en hadden ze minder rechten dan de Moslims.

___________________________________________________________________________________________
Gemaakt door: H_Justin
Op dit artikel zit Copyright.
Dit artikel is geschreven tbv opleiding.
___________________________________________________________________________________________

Reacties (2) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Vind dit een knappe. Ben toch al een geschiedenisgek.
Ah, daar had ik vroeger z'on hekel aan, gelukkig hoeft het bij de docent die ik nu heb niet :)