Faalangst in de gymzaal

Door Schrijver-nu gepubliceerd op Tuesday 18 November 13:50

 

Groep 4 is op weg naar de gymles. De kinderen lopen gezellig kletsend  in een keurige rij over de stoep. De leerkracht maakt hier en daar een praatje. “Juf, ik voel me niet zo lekker. Ik weet niet of ik wel mee kan doen met gym.” Een jongen uit de klas kijkt met een moeilijk gezicht naar de leerkracht. “Nou, ga het eerst maar eens proberen, als het echt niet gaat kijken we wel verder.” Na het omkleden en de warming-up legt de leerkracht uit wat er die dag allemaal klaar staat in de gymzaal. De kinderen worden in groepjes verdeeld en gaan actief aan de slag. Met een paar minuten staat de jongen voor de neus van de leerkracht. “Juf, het gaat echt niet. Mag ik even langs de kant zitten?” Op het gezicht van de jongen is angst te lezen; hij ziet het echt niet zitten om verder te gaan met de gymles. “Zullen we het samen proberen? Als jij over de bank loopt, houd ik je vast. Ik vang je op als het nodig is, er kan echt niets gebeuren.” Samen wordt de balanceeroefening gedaan. Na de wisseling van activiteit staat deze jongen echter alweer voor de neus van de leerkracht. “Juf, ik ben een beetje misselijk. Mag ik even gaan zitten?”

Dit is zomaar een voorbeeld uit de dagelijkse praktijk: een jongetje dat werkelijk verstijft bij het binnenkomen van de gymzaal en vervolgens niets durft te doen. Ik denk dat de meeste leerkrachten wel een kind kennen dat zo reageert op de situatie in de lessen bewegingsonderwijs. Als leerkracht wil je deze kinderen graag verder helpen. Maar hoe doe je dat? Hoe ga je om met een kind dat zo faalangstig reageert in een gymzaal? Dat is de vraag die we graag willen beantwoorden.

Faalangst tijdens de gymles: hoe ga je hier als leerkracht mee om?

  1. Hoe ontstaat faalangst, hoe herken je het en wat houdt het precies in?
  2. Wat betekent faalangst in de gymles?
  3. Hoe kun je als leerkracht faalangst voorkomen of genezen?

(Faal)angst

Het woord faalangst is een bekend begrip. Veel leerlingen op school lijken er last van te hebben: spanning voor een proefwerk of bang zijn om af te gaan voor de klas. Lang niet alle angst en spanning is ook daadwerkelijk faalangst. Toch heeft in het basisonderwijs één op de twaalf leerlingen in meer of mindere mate last van faalangst.

Zoals het woord als zegt is faalangst een vorm van angst. Angst kent ieder mens, het is een gezond onderdeel van ons overlevingsmechanisme. Het waarschuwt ons voor gevaar en stelt ons in staat om snel te handelen in kritieke situaties. Als de angst toeslaat gebeuren er drie dingen. Ten eerste maken we de keus of we aanvallen of vluchten. Hier denken we niet over na, de beslissing wordt intuïtief genomen. Tegelijkertijd maakt ons lichaam zich klaar om zo krachtig mogelijk te reageren. De hersenen sturen signalen om de juiste hormonen, adrenaline en nor-adrenaline, aan te maken. Ook spannen de spieren zich, de bloedcirculatie gaat sneller, het zuurstofgebruik neemt toe waardoor er sneller geademd moet worden en al die activiteit in het lichaam zorgt voor een hogere lichaamstemperatuur. Om af te koelen begint je lichaam te zweten. Je lichaam is nu in staat bliksemsnel te reageren, aan te vallen of te vluchten. Maar de hormonen hebben ook invloed op de rest van je lijf. Het bloed en de zuurstof gaan vooral naar je armen en benen. De andere lichaamsdelen krijgen even wat minder, waardoor bijvoorbeeld misselijkheid en buikpijn kan optreden. Het belangrijkste is echter dat er ook minder bloed naar je hersenen gaat. Je normale denkvermogen wordt totaal geblokkeerd. Alles concentreert zich op aanvallen of vluchten.

Dit zien we terug in de dagelijkse praktijk. Een acteur die bang is om op het podium te gaan concentreert zich sterk op het optreden en gaat er vol tegen aan, hij valt aan. Een voetbalteam dat van tevoren onder spanning wordt gebracht zal volledig geconcentreerd zijn op het winnen en de spelers zijn dan zeer geconcentreerd. Ze kunnen opeens meer dan ze van zichzelf hadden verwacht. Op school is het ook te zien. Een kind dat opziet tegen een spreekbeurt en er intuïtief voor kiest om aan te vallen zal een geweldige spreekbeurt neer kunnen zetten. Op die manier werkt angst positief. Het gaat echter mis als de angst zich niet richt op de taak, maar op de mogelijkheid om te falen. Vooral in verband met school komt dit veel voor. Kinderen zijn bang dat ze iets niet kunnen en concentreren zich alleen op die gedachte. Op die manier ontstaat er een soort vicieuze cirkel. Kinderen zijn bang om te falen, daardoor blokkeert hun denken en de concentratie voor de taak is weg, de taak wordt op die manier slecht uitgevoerd waardoor ze worden bevestigd in de gedachte dat ze het niet kunnen, de angst wordt nog groter. Het kan zelfs zo erg zijn dat een kind zelfs de gewoonste dingen niet meer weet; het denksysteem is dan volledig geblokkeerd. Als de angst gericht is op de kans of de zekerheid dat iets zal mislukken en niet op de taak, spreken we van faalangst.

Het gericht zijn op het mislukken is ook terug te vinden in het volgende gedicht, dat geschreven is door iemand die al jaren last heeft van faalangst.

Ik durf niet voor de klas te staan met een spreekbeurt, want dan ga ik trillen als een gek.
Ik durf met gym niks voor te doen, bang dat het mis gaat en ze me uit zullen lachen.
Ik durf niet meer op te vallen, bang om weer gepest te worden.
Ik durf in geen musical meer te spelen, bang omdat ik niet kan acteren en ze me weer uit zullen lachen.
Ik durf geen presentatie te geven, bang dat ze de trilling in m’n stem horen.
Ik durf in de klas niet te vragen wat ik niet begrijp, bang dat ze dat grappig zullen vinden.
Ik durf met drama geen beurt te nemen, bang dat ik alles verkeerd ga doen en het verpruts
Gepest zijn, faalangst en plankenkoorts gaat niet samen.
Apart misschien wel maar zo red ik het niet.

- Geert -

 

Vormen van faalangst
Er worden verschillende vormen van faalangst onderscheiden. Deze vormen kunnen in combinatie met elkaar voorkomen.

De eerste vorm is cognitieve faalangst. Deze vorm van faalangst heeft vooral betrekking op schoolse situaties waarin een prestatie van de leerling verwacht wordt. De angst kan al beginnen bij de uitleg van de leerkracht. Doordat een leerling zich zo concentreert op de gedacht dat het weer wel zal mislukken, kan de helft van de uitleg langs hem heen gaan. Daardoor maakt zo iemand dus al een valse start. Andere, bekende, voorbeelden zijn de angst voor een presentatie of een toets. Een kind kan zo gefocust zijn op het mogelijke falen dat de toets of de spreekbeurt ook daadwerkelijk slecht gaat. Leerkrachten en ouders kunnen zeggen wat ze willen, het kind blijft gericht op het falen. Sommige kinderen krijgen dan een passieve houding, ze doen weinig en bereiden zich nauwelijks voor. Het heeft immers toch geen zin? Deze reactie wordt ook wel passieve faalangst genoemd. Daarentegen reageren andere kinderen door juist heel hard te werken en er alles aan te doen om dat falen te voorkomen. Die reactie noemt men ook wel actieve faalangst.

Een tweede vorm van faalangst is sociale faalangst. Als kind ben je vaak in een groep: op school, op de sportclub of op straat. Eén van je basisbehoeftes is om je veilig te voelen, ook in zo’n groep. Daarvoor moet je de ongeschreven en steeds veranderende regels van die groep kennen. Voor sommige kinderen is dat een lastige opgave. Deze kinderen kunnen bijvoorbeeld overal lekker zichzelf zijn, maar op school slaan ze dicht en komt er geen woord uit. Er wordt pas van sociale faalangst gesproken als de angst gebonden is aan een situatie, bijvoorbeeld voor de klas, in een kringgesprek, bij de voetbalclub, enzovoorts. Deze kinderen hebben de neiging om in die specifieke situatie weg te vluchten. Overigens kan die situatie ook betrekking hebben op een persoon. Een kind durft bijvoorbeeld niets te zeggen als de macho van de klas er bij is, of slaat dicht als een bepaalde leerkracht in de buurt is.

Een derde vorm van faalangst is motorische faalangst. De meest bekende situatie waar dit voorkomt is de gymles. Sommige kinderen zijn zo bang iets niet te kunnen dat ze angstig worden en zich alleen nog maar op het falen kunnen concentreren. De toestellen lijken voor hen wel monsters en de oefeningen onmogelijk moeilijk. Toch hebben deze kinderen geen lichamelijke gebreken, in principe kunnen ze alles net zo goed als hun klasgenoten. Wel is het zo dat een voortdurende angst ervoor zorgt dat deze kinderen minder oefenen en dus minder vaardig raken op motorisch vlak. Overigens kan motorische faalangst ook betrekking hebben op de fijne motoriek. In de handvaardigheids- of tekenles slaan deze kinderen dan helemaal dicht.

Oorzaken
Het is niet eenvoudig om uit teleggen waarom de één wel last heeft van faalangst en de ander niet. Dezelfde omstandigheden kunnen voor het ene kind leiden tot angst en de ander heeft nergens last van. Wel zijn er enkele oorzaken aan te wijzen die kunnen leiden tot faalangst.

Erg belangrijk is de thuissituatie. De invloed van ouders op kinderen, vooral tot twaalf jaar, is enorm groot. Kinderen en ouders hebben een hechte band en zijn loyaal naar elkaar. Loyaal zijn betekent dat je elkaar nooit afvalt. Onbewust kan dit veel invloed hebben. Als kinderen zien dat hun moeder makkelijk over zich heen laat lopen kunnen ze dat gedrag overnemen uit loyaliteit naar hun moeder. Een uitspraak van vader of moeder kan ook veel teweeg brengen. Vader vertelt bijvoorbeeld dat hij altijd enorm opzag tegen proefwerken en zenuwachtig werd van spreekbeurten. Het kind zou dit zomaar over kunnen nemen uit loyaliteit naar vader toe. De Amerikaanse kinderpsychiater Nagy noemt dit de zijns-loyaliteit, gebaseerd op een gemeenschappelijke oorsprong en erfenis tussen de gezinsleden.

Andere oorzaken kunnen liggen in het geven en ontvangen tussen kind en ouder. Sommige kinderen ontvangen erg veel van hun ouders, ze krijgen alles wat hun hartje begeert. Daardoor kunnen ze het idee krijgen dat ze zelf weinig te geven hebben en dat roept spanning op. Andersom kan het ook zijn dat kinderen erg veel geven en weinig ontvangen van hun ouders. Deze kromme en ongezonde situatie kan een oorzaak zijn van faalangst. De band tussen ouder en kind wordt geleidelijk losser. Kinderen worden zelfstandiger en ouders moeten hun kind steeds iets meer loslaten. In dit loslatingsproces kan het nodige misgaan. Sommige ouders willen hun kinderen helemaal niet los laten en houden het erg lang vast. Andere ouders laten hun kind weer veel te vroeg los. In beide situaties kan een kind last krijgen met zelfstandigheid en dit leidt dan vaak tot sociale faalangst. De mening van anderen bepaalt hoe zij zich voelen. Er is een gebrek aan zelfwaardering, zelfgevoel en zelfstandigheid.

Naast de thuissituatie is ook de situatie op school van belang voor het ontstaan van faalangst. Ten eerste moeten kinderen zich veilig voelen op school. Een onveilig gevoel kan ontstaan als kinderen gepest worden, er veel negatieve opmerkingen worden gemaakt en de leerkracht dit niet bespreekbaar maakt. Ten tweede ligt er in sommige scholen veel nadruk op de prestaties en heerst er een competitieve sfeer. Dit kan kinderen onzeker maken, ze worden bang om te falen en gaan zich daar op concentreren. Daarnaast leggen sommige leerkrachten erg de nadruk op fouten en alles wat er nog niet goed gaat. Ten slotte bieden leerkrachten wel eens weinig structuur. Hierdoor weten de leerlingen niet wat ze kunnen verwachten of wat ze moeten doen. Ze raken het overzicht kwijt en worden bang dat ze het fout doen.

 

Zelfbeeld
De twee belangrijkste kenmerken van kinderen met faalangst zijn een negatief zelfbeeld en de angst om te falen. Deze elementen beheersen vaak een belangrijk deel van hun leven. Of kinderen een negatief zelfbeeld hebben is af te leiden uit hun reactie op resultaten. De oorzaak van het succes of de mislukking schrijven kinderen met een negatief zelfbeeld namelijk toe aan andere oorzaken dan kinderen met een positief zelfbeeld.

Opvallend is dat de oorzaak van slechte resultaten door faalangstige kinderen bij hen zelf worden gezocht en goede resultaten aan externe factoren worden toegeschreven. Bij kinderen met een positief zelfbeeld is precies het omgekeerde het geval. Een negatief zelfbeeld heeft veel consequenties voor het denken over zichzelf. Vaak zijn deze kinderen sterk gericht op het negatieve, positieve geluiden dringen niet echt door. Van tevoren wordt gedacht dat de taak te moeilijk is en daardoor wordt het denken geblokkeerd, met als resultaat dat de taak ook echt mislukt. Deze vicieuze cirkel is niet makkelijk te doorbreken. Te meer omdat succes bijna niet geloofwaardig is voor deze kinderen. De oorzaak wordt, zoals in het bovenstaande schema te zien is, toegeschreven aan externe factoren. Ten slotte denken faalangstige kinderen vaak dat ze de enige zijn met dit soort problemen; ze lopen er alleen mee rond en daardoor wordt hun last extra zwaar.

Het andere kenmerk van kinderen met faalangst is de vrees voor mislukking, de angst om te falen. Deze kinderen eisen het maximale resultaat van zichzelf en denken alleen nog maar aan het niet laten mislukken van deze taak. Daar lijdt het werk onder en wordt de kans op falen groter. Het maximale haal je namelijk alleen uit jezelf als je jezelf toestaat fouten te maken. Daarnaast proberen ze vaak een situatie te ontlopen. Bij het kiezen van opdrachten wordt vaak te moeilijk of te makkelijk gekozen. Op die manier is de leerling namelijk moeilijk te beoordelen. Andere manieren zijn: ‘per ongeluk’ iets vergeten, verkeerde stof leren, afkijken of een blessure hebben bij gym.

 

Faalangst in de gymles
Zoals uit het voorgaande is gebleken hebben niet alle faalangstige kinderen hier ook bij de gymles last van. Een deel echter wel. De meest voorkomende vorm van faalangst die je in de gymzaal tegenkomt is waarschijnlijk motorische faalangst. Nieuwe toestellen of nieuwe bewegingen zijn reden genoeg om bij dit soort kinderen angst op te roepen. Deze vorm van faalangst heeft een sterk lichamelijk karakter en is daarom misschien wel erger dan andere vormen van faalangst. De angst wordt namelijk echt ervaren; je komt je lichaam tegen dat weigert en dat maakt het extra eng voor deze kinderen. Naast motorische komt ook sociale faalangst voor tijdens de gymles. Je bent namelijk voortdurend in de groep en als kinderen zich daar niet prettig in voelen kan de gymles de plek zijn waar de faalangst zich profileert.

Faalangst in de gymzaal kun je herkennen aan verschillende dingen. Allereerst willen deze kinderen geen aandacht trekken. Ze duiken weg bij instructie en willen geen voorbeeld geven. Het tegenovergestelde kan ook het geval zijn: de kinderen blijven maar vragen stellen. Bij iets nieuws zijn ze erg afwachtend en kijken eerst de kat uit de boom. Ze hunkeren naar reacties, vooral positieve, op hun gedrag. Meestal geven ze dat echter niet aan. Ondanks positieve reacties zullen ze het zelf niet geloven. In het contact naar anderen toe vertonen ze ook opvallend gedrag. Vaak maken ze veel negatieve opmerkingen, daar tegenover staat dat ze gevoelig zijn voor kritiek. Naast deze gedragskenmerken vertonen kinderen met faalansgt lichamelijke reacties. Bij ieder kind is het weer iets anders: de één krijgt hoofdpijn, de ander buikpijn, weer een ander gaat wiebelen of zweten. Door een snellere ademhaling kan hyperventilatie optreden. Als de angst aanhoudt, omdat een onderdeel bijvoorbeeld verplicht moet worden gedaan, kan het lichaam van overtollige ballast afwillen. Dat uit zich dan in veel plassen en diarree. In een heel ernstig geval zou iemand zelfs kunnen gaan overgeven. Als een kind vaak dit soort klachten vertoont in de les zul je als leerkracht gealarmeerd moeten zijn. Lichamelijke klachten duiden namelijk vaak op een psychische oorzaak bij kinderen. De klachten zijn psycho-somatisch.

 

Faalangst voorkomen of genezen

Herkennen en erkennen
Als leerkracht moeten we leren om goed te kijken, luisteren en vragen. Zo kunnen we misschien tot een verklaring komen van bepaald gedrag van een kind. We herkennen wat het kind wil zeggen. Herkennen alleen is niet genoeg. Een volgende stap is dat we het kind ook laten voelen dat we erkennen wat het kind zegt. We herkennen en erkennen het ook als probleem. Hiermee laten we het kind ook merken dat we begrip hebben voor zijn of haar probleem, voor die boodschap die hij of zij wil geven. Kinderen moeten het gevoel hebben dat ze er mogen zijn, ondanks het probleem, ondanks het feit dat ze falen. iets niet kunnen of minder goed doen. Tijdens de volgende stap maken we van het probleem van het kind een gedeeld probleem, zodat het kind merkt dat het er niet alleen voor staat.  Hierdoor creëren we als leerkracht bewegingonderwijs  een sfeer van veiligheid voor het kind. De laatste fase is de fase van het gerust stellen; je hoeft niet alles  te kunnen. Het is belangrijk dat we hierbij als leerkracht heel open zijn naar het kind.

 

Hoe brengen we de kinderen zover dat ze van hun ‘ik kan dat niet’ een ‘ik kan dat wel’ maken?

Telkens wanneer een kind ervaart dat iets goed gaat, zal het gemotiveerd zijn het nog eens te doen.

Maar hoe kunnen we dit als vakleerkracht bereiken? Een paar punten die hierbij essentieel zijn willen we kort bespreken;

De leerkracht moet het kind duidelijk maken dat het mag falen tijdens de activiteit. Hierbij moeten we hem of haar duidelijk maken dat we niet alleen kijken naar het product, naar de prestatie. Niet het uiteindelijk resultaat telt, dat Jan of Pietje de kast over kan springen, maar wat vooral telt is het proces en de inspanning. Dit moet natuurlijk ook naar voren komen in de feedback die we als leerkracht geven. Positieve opmerkingen maken bij wat lukte en geen (tot weinig) commentaar te geven bij wat niet lukte of wat niet zo goed ging, maar hier juist bemoedigende stimulerende woorden spreken.

Behalve dat het kind moet weten  dat het mag falen, moet het natuurlijk ook de kans krijgen om een bepaalde activiteit te laten slagen. Zoals al eerder genoemd, succeservaringen zijn erg belangrijk.

Om ervoor te zorgen dat kinderen kunnen slagen, moeten we het arrangement in de gymzaal wel eens aanpassen en zo differentiëren. Bij bepaalde kinderen kun je pas ‘opklimmen’ als je eerst ‘afdaalt’. Als het kind een activiteit moet doen die steeds mislukt, zal het op een bepaald moment afhaken en zeggen ‘ik kan dat niet’. Dit moeten we als leerkracht proberen te voorkomen en daarom moeten we kritisch kijken naar het niveau van het kind en het doel dat we als leerkracht stellen.  We moeten het niveau van een kind bepalen en daarna bedenken hoe het kind zich het beste verder kan ontwikkelen, hoe het kind verder kan ‘opklimmen’. Soms moeten we daarom enkele niveaus dalen, totdat het kind zeg: ‘Ik kan dat wel’. Op dat niveau zal het kind gemotiveerd zijn om de opdracht uit te voeren en zo zal ontwikkelt het kind zich stapje voor stapje verder.
 

Pedagogisch klimaat in de gymzaal
Het pedagogische klimaat in de gymzaal is van groot belang voor de kinderen. Een kind moet zich veilig kunnen voelen en plezier kunnen hebben. Een kind dat zich op school op zijn gemak voelt en zichzelf durft te zijn, zal minder snel faalangst ontwikkelen dan andere kinderen.

De relatie tussen de leerkracht en het kind speelt hier een grote rol in. Het is belangrijk dat een kind zich gewaardeerd voelt.

Een paar tips om een goede pegagogische sfeer in de gymzaal te creëren;

- Benader kinderen positief en geef complimenten

- Laat de kinderen regelmatig samenwerken

- Zorg voor genoeg ontspanning, zodat de nadruk niet op de prestatie wordt gelegd

- Bevorder het wij-gevoel in de gymzaal, praat over ‘onze’ presentaties

- Tolereer pesten en het uitlachen van elkaar niet

 

Fouten maken en feedback
In onze maatschappij is veel aandacht voor het negatieve in plaats van het positieve. Er zijn kinderen die gevoelig zijn voor negatieve kritiek en zijn kunne hierdoor faalangst ontwikkelen. Het is goed als u dit als leerkracht weet, want voorkomen is natuurlijk beter dan genezen. Hierbij kan het handig zijn om negatieve opmerkingen positief te formuleren. Wijs de leerling niet op zijn fouten, maar juist op wat de bedoeling is. Bijvoorbeeld; Probeer iets meer vaart te maken tijdens je aanloop!

Laat de leerlingen ook regelmatig zien dat u ook wel eens een fout maakt en hoe u hier laconiek mee omgaat. Voor kinderen kan dit vaak veel rust geven. Laat verder ook zien dat u een leerling waardeert, ongeacht zijn prestaties. Dit kan door het geven van positieve feedback. Er zijn verschillende soorten feedback, namelijk taakgerichte feedback en persoonsgerichte feedback. Kinderen met faalangst hebben veel behoefte aan bevestiging van wat ze goed hebben gedaan. Positieve taakgerichte feedback is erg belangrijk voor hen. Bij het geven van negatieve taakgerichte feedback is het van belang dat je duidelijk bent en precies, geef aan waarom iets fout is. Verder is het ook belangrijk dat je aan het kind vertelt wat het kan doen om zijn prestatie te verbeteren, dus hoe kan hij of zij de benen hoger in de lucht krijgen of hoe kan hij of zij een snellere aanloop maken. Kinderen met faalangst kunnen positieve feedback soms juist in het negatieve trekken. Probeer dit op tijd te signaleren als dat gebeurt en ga met het kind in gesprek, zodat het kind kan leren hoe hij of zij de feedback positief kan interpreteren.

 

Negatieve of positieve gedachten, de verandering
Wat we vaak zien, is dat een kind met faalangst vaak negatief beïnvloedende gedachten heeft over de situatie waar hij of zij zich in begeeft. Deze negatieve gedachten kunnen er voor zorgen dat het kind zich onrustig gaat voelen en daardoor niet meer goed kan nadenken. Wat van groot belang is, is dat een kind leert om zijn of haar negatieve gedachten om te zetten in positieve gedachten. Even een voorbeeld; Anna kleedt zich om in de kleedkamer, ze doet er langzaam over, want straks moet ze weer die gymzaal in. En ze weet dat ze vandaag gaan bokspringen. Ik ben niet goed in springen denkt Anna, ik zal wel weer de enige zijn die zo meteen niet over die bok heen komt. Eenmaal in de gymzaal aangekomen wordt Anna steeds zenuwachtiger en ze kan niet meer goed nadenken.
Anna moet in deze situatie gaan leren om deze negatieve gedachten om te draaien. Zodat haar gedachten als volgt veranderen; Ik vind het best spannend vandaag dat bok springen, ik benieuwd of het gaat lukken. Gelukkig weet ik dat de juf/meester mij zal helpen en dat ik het niet in keer goed hoef te doen.
Hoe kunnen wij als leerkracht kinderen helpen om negatieve gedachten om te zetten in positieve gedachten? Het doorbreken van het negatieve denkpatroon kan samen met het kind worden geoefend. Hierbij is het belangrijk dat er wordt gepraat over soortgelijke situaties, situaties waarin het faalangstige gedrag naar voren kwam. Probeer ook het gevoel van het kind hierbij te betrekken en stel vragen zoals; Voelde je je prettig? Was je bang? Daarna is het de bedoeling dat je samen met het kind probeert te ontdekken waar die gevoelens precies vandaag komen. Van belang is ook, dat je samen nagaat of deze gedachten hebben geholpen om een goed resultaat te halen. Uiteindelijk worden de negatieve gedachten vervangen voor positieve gedachten. Het kind moet wel een aantal dingen inzien, namelijk dat je gedachten bepalend zijn en dat negatieve gedachten een slechte invloed hebben op hoe je je voelt en wat je doet. Ook zijn deze negatieve gedachten niet altijd realistisch. Verder is essentieel dat je als leerkracht samen duidelijk maakt, dat je invloed kan uitoefenen op wat je denkt.

 

Lichamelijke inspanning
In het de vorige paragraaf hebben we het vooral gehad over de gedachten en gevoelens van een kind met faalangst. Maar faalangst zorgt ook voor allerlei lichamelijke reacties, die natuurlijk ook veel invloed uitoefenen op het gedrag van een kind in de gymzaal. Voorbeelden van lichamelijke reacties zijn; hartkloppingen, zweten, snel ademhalen, hoofdpijn. Deze reacties komen voort uit de angst en worden door de angst ook in stand gehouden. Deze lichamelijke spanning heeft natuurlijk ook weer een verband met de geestelijke spanning en deze versterken elkaar. Als je je lichamelijk niet lekker voelt, is het immers ook lastig om positief te blijven denken. In de vorige paragraaf is al besproken hoe we met kinderen kunnen oefenen om negatieve gedachten om te laten zetten in positieve gedachten, maar wat kunnen we als leerkracht bijdragen aan het wegnemen of voorkomen van de negatieve lichamelijke reacties? Rustig adem leren halen is hierbij heen van de kernpunten. Als leerkracht kan je samen met het kind of met een groepje kinderen oefenen met de buikademhaling en het uitademen. Na veel oefening wordt de ademhaling iets van het kind zelf. Natuurlijk kunnen hierbij ook de ouders worden betrokken, zodat ook zij hiermee thuis kunnen oefenen.

Door een verkeerde ademhaling kunnen spieren verstijfd gaan aanvoelen, vooral de spieren in het bovenste deel van je lichaam zullen hier door een verkeerde ademhaling veel last van hebben. Spanning kan natuurlijk ook andere lichaamsdelen laten verkrampen zoals, armen, benen kaken. Dit is natuurlijk van zeer grote invloed op hoe een kind zich beweegt in de gymzaal. Als leerkracht zouden we kunnen oefenen door spelletjes te doen waarin het kind leert om zijn of haar spieren in te spannen, even vast te houden en daarna weer te ontspannen. Daardoor gaan kinderen beter beseffen wanneer hun spieren gespannen of ontspannen zijn. Ze zijn dan ook beter in staat om op belangrijke momenten de spieren te ontspannen. Er zijn natuurlijk nog meer manieren zoals, dansen op leuke muziek, op een ontspannen manier bezig zijn in de gymzaal, waarbij de nadruk niet op de prestatie van de kinderen ligt, maar op het plezier. Als leerkracht is het ook belangrijk dat je de houding van faalangstige kinderen in de gaten houdt. Vaak bewegen zij zich krampachtig en staan of zitten ze wat ineengedoken. Dit werkt de lichamelijk spanning alleen maar in de hand. Tips voor een betere houding; rechtop staan of zitten, beide voeten stevig op de grond. Als de houding van een kind goed is, zorgt dit voor optimale steun en voorkomt het onnodige aanspanning van de spieren, bijvoorbeeld als een kind staat te wachten voor bepaalde activiteit. Als leerkracht kun je de kinderen op hun houding wijzen en ermee oefenen.

 

 

Begeleiden én uitdagen
Een vakleerkracht bewegingsonderwijs hoort zijn leerlingen zowel te begeleiden als uit te dagen.  De combinatie is van begeleiden en uitdagen is hierbij belangrijk.  Een leerling moet worden uitgedaagd om zelf problemen op te lossen en om nieuwe activiteiten uit te voeren. Dit kan een leerling doen, omdat hij of zij weet dat de leerkracht op de achtergrond aanwezig is en dat de leerkracht dus ook altijd om hulp kan worden gevraagd. Als leerkracht moet de balans tussen begeleiden en uitdagen worden gevonden. Als een leerling teveel wordt begeleid, zal hij of zij al snel teveel op de hulp van de leerkracht gaan leunen.  Een aantal tips die het begeleiden en uitdagen  van leerlingen stimuleert;

- Leg de nadruk op succeservaringen (ook de kleine)

- Stel reële eisen  aan een leerling en doe dit ook in overleg met de betreffende leerling.

- Vermijd het uitspreken van negatieve verwachtingen, maar spreek juist altijd positieve verwachtingen uit.

Soms is het daarom nodig om het arrangement tijdens je gymles zo aan te passen, dat er kan worden bewogen op het eigen niveau van een kind. Dit is belangrijk omdat een kind zo juist die succeservaringen kan op doen. Succeservaringen stimuleren daarbij weer het positieve zelfbeeld van een kind. Qua doelen is het essentieel dat je als leerkracht reëel kijkt naar het niveau van een kind en naar wat het kind zou kunnen behalen. Als je te hoge doelen stelt, zal dit alleen maar een negatief effect hebben op de angst van het kind en de angst zelfs kunnen vergroten. Ga bij het stellen van je doelen juist uit van positieve verwachtingen en straal dit ook naar de kinderen uit.

Faalangst genezen, dat is niet zomaar even gebeurd na het lezen van dit hoofdstuk. Toch is het als leerkracht een bijzondere taak, waarbij een combinatie van allerlei factoren zeer belangrijk zijn. Het voorkomen van faalangst hangt hier natuurlijk ook mee samen, een goede veilige basis in de gymzaal met kenmerken die in dit hoofdstuk besproken zijn, dat is al een mooi begin. Laten we als leerkracht vooral voor ogen houden dat ieder kind uniek is en dat we dit als vakleerkracht bewegingsonderwijs mogen benadrukken.

 

 

 

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.