Een verdoofd leven in verval (7)

Door Gildor Inglorious gepubliceerd op Monday 17 November 18:56

Een hele tijd pauze genomen, maar ik heb de draad weer opgepakt.

 

Vorige deel gemist? Klik hier voor deel zes.
Bij het begin beginnen? Dat kan in deel één

 

Zevende deel

These dreams go on when I close my eyes
Every second of the night I live another life
These dreams that sleep when it's cold outside
Every moment I'm awake, the further I'm away

(Heart - These Dreams)

Ik zit rechtovereind in mijn hotelbed. Mijn blik is wazig, zelfs met mijn bril op, die ik zojuist met trillende handen op mijn neus heb gezet. Mijn hoofd bonkt met een misselijkmakende koppijn. Op mijn hoofdkussen, doorweekt van het zweet, rust mijn hand. De flarden van mijn droom, die normaal zouden oplossen als ochtendmist in felle zonneschijn, blijven nu hangen. Ik begrijp dat dit iets te betekenen heeft, maar ik wil er niet aan denken. Dit gevoel heb ik vaker gehad de afgelopen jaren. Toch was het nooit zo sterk als nu. Ik ben bang om te kijken.

Schokkend haal ik adem. Ik voel mijn halsslagader kloppen, sneller dan normaal. Mijn ogen tranen, door het doffe verdriet dat aan de tralies rammelt van een donkere kerker waar ik het al jaren in heb weggestopt, weg van het daglicht. Weg uit mijn dagelijkse leven, omdat ik de stem van zijn waarheid, die voor mij ketterse boodschap, niet kan verdragen. Met een schamper lachje realiseer ik me dat dit besef alleen al betekent dat mijn kerkermuren afbrokkelen. Langzaam, maar steeds meer. Ik kijk om me heen. Eigenlijk verwachtte ik dat Gerts schim me spottend aan zou kijken, vanaf het voeteneind van mijn hotelbed, of zittend op een stoel bij het raam. Maar hij is er niet. Hij heeft me alleen gelaten.

Ik loop de badkamer in, doe mijn bril af en sla een plens water in mijn gezicht. Bij het zachte tl-licht bekijk ik mijn eigen gelaat. Mijn ingevallen ogen zijn roodomrand. Mijn ooit goedlachse mond, goedlachs maar wel altijd ingehouden, staat stram en stijf in een verbeten houding. Het vriendelijke open gezicht, ooit mijn handelsmerk, is een doffe vervallen afspiegeling van een voltooid verleden tijd, zoals dorre, droge dufbruine bloemblaadjes van mijn hortensia alleen in mijn herinnering nog de blauwpaarse felle zomergloed van weleer uitstralen. Ik voel het leven, alle warmte uit me wegebben. In mijn hoofd hoor ik weer de piepende remmen, de klap en zie ik het bloed, zwart glimmend in het licht van een eenzame straatlantaarn langzaam over het wegdek kruipen. Mijn kerkerdeur staat open.

De fantoompijn komt terug. Mijn schouders, mijn benen, mijn gezicht, die het grootste deel van de klap opvingen. Een dof dreunende pijn tot in mijn botten. Zacht fluisteren de stemmen in mijn achterhoofd. De stemmen zijn onbekend. De beschuldiging “moordenaar” hoor ik al jaren. Het fluisteren wordt harder, het zwelt aan tot een scanderend gezang. Andere scheldwoorden voegen zich naadloos in het ritme. Lafaard, smeerlap, monster. Ik sla mijn handen over mijn oren, alsof ik daarmee de stemmen in mijn hoofd buiten kan sluiten. Als ik me realiseer dat dit een totaal onlogische actie van me is, verdwijnen ze inderdaad. Ik kijk naar mijn handen die trillen, maar merk dat het minder wordt. Ook mijn hart komt tot rust. De dreunende koppijn blijft.

Ik ga zitten op de WC-bril, met mijn broek nog aan. Ik steek een sigaret op en staar in de rook dat kringelt, krioelt als ijle vingers die langzaam dansend mijn blikveld vullen. Normaal brengt me dat tot rust, die onvoorspelbare dans van onzichtbare stofdeeltjes die samen hallucinerende patronen weven die me in een meditatieve trance brengen. Maar deze nacht niet. Nu zie ik klauwende grijpende en krabbende spookvingers en is hun dans een schreeuw, een beschuldiging. Een aanklacht tegen mij. Het zweet breekt me opnieuw uit. Als ik de sigaret in de plee smijt hoor ik de stem van Gert weer. “Uiteindelijk moet je ook het lef hebben jezelf te vergeven. Je hebt zelfs de eerste stap nog niet gezet.” Ik kan het niet. Ik wil er niet aan denken. Nu nog niet.

Ik ben de badkamer uitgelopen en leun met mijn voorhoofd tegen het hotelraam. In de verte zie ik in de hele lichte ochtendschemering de contouren van de grote moskee in aanbouw, op de kop van de Kanaalstraat. Die is nieuw voor mij. In een ooghoek zie ik mijn telefoon knipperen. Ik pak het op en zie dat ik een sms-bericht heb ontvangen. Het is van Steven. Even twijfel ik, maar ik besluit het toch te lezen.
“Henk, het deed me pijn om je deze middag te zien, maar opluchting en dankbaarheid overheersen. Ik wil met je praten, dolgraag. Ik weet niet of jij er al aan toe bent. Mocht dat zo zijn, ik heb morgenavond een tafeltje gereserveerd in Broers, om 19.00 uur. Ik zie je wel verschijnen. Of niet natuurlijk. Ik zal die avond overigens geen toga dragen. Doe jij het ook maar niet. “ :-)
Een kort hikkend lachje ontsnapt aan mijn lippen. Ik snap waarom hij die laatste opmerking plaatste. Even het ijs breken en de eventuele lading van onze ontmoeting wegnemen. Maar ook voel ik het als een toespeling op gelukkiger tijden, toen er nog geen vuiltje aan de lucht was. “Heel subtiel, kerel!”, geef ik in gedachten toe.

b00ec9aa400edb82b8fc1df582dd4784_medium.

Het was inderdaad vele jaren geleden. We hadden een van de werfkelders aan het Ouwe Graachie afgehuurd. We zouden flink uitpakken met een onvervalste Romeinse togaparty. Gert en ik hadden de bar verzorgd, de drank ingeslagen en de mis en place gedaan. Karin en haar jaarclub zorgden voor de hapjes. Schalen met druiven, een dertigliterpan vol hardgekookte eieren, stokbrood en een ongelooflijke berg huzarensalade. Twee eerstejaars meisjesjaarclubs zorgden voor de bediening, de garderobe en het ophalen van lege glazen. Een beetje Romein had immers huisslavinnen. We hadden ook afgesproken dat ze ons de hele avond met ‘Dominus’ zouden aanspreken.
In de hoeken en langs de wand hadden we oude matrassen neergelegd. Achter in de ruimte hadden we provisorisch een gordijn opgehangen voor twee matrassen. “Je weet maar nooit of er een stelletje gaat viezevozen. Nou, dan doen ze dat maar mooi uit het zicht. Die zedenverwildering van tegenwoordig, daar wordt een conservatieve senator als ik niet echt vrolijk van”, had Gert gezegd. Op mijn opmerking dat hij het daarmee wel in de hand werkte had hij zuchtend gezegd dat “je zulks toch niet tegenhoudt”.
   “Ach, je ligt vanavond gewoon zelf achter dat gordijn”, zeg ik.
   “Nee, ik heb de wijverij voor een tijdje afgezworen. Even geen zin meer in gezeik. Bovendien, in het openbaar een beetje friemelen en zoenen, dat is niet mijn stijl. De jouwe toch ook niet?”
   “Nee, inderdaad!” Ik maak een geluid als kippenvel en koude rillingen.”We blijven wel heeren, ook al zien we er nu niet zo uit.”
   “En voor mijn kleine broertje is het al helemaal verboden gebied”, roept Gert resoluut. Ik kijk hem verbaasd en geamuseerd aan. Dit had ik niet achter hem gezocht, zoveel beschermingsgedrag richting zijn zestienjarige broertje, dat nu een weekje bij hem logeerde. Een spichtig verlegen stotterend ventje dat net een week geleden afscheid genomen had van zijn beugeltje. Gelukkig voor hem niet met een kop gezegend door overmatig acne. Gert ziet me kijken en glimlacht. Hij fluistert me samenzweerderig toe: ”Steven is gewoon een lief en gevoelig mannetje en verdient heel wat beter dan half ontmaagd te worden door een van die dronken vette torren van onze club. Met welk slavinnetje staat hij trouwens te praten bij de bar?”
Ik kijk en herken Angela. Haar toga is in het licht van de discolampen een beetje doorschijnend. De contouren van haar goddelijke lijfje roepen lieflijke herinneringen op. Ik zie haar schaterlachen om een van Stevens grapjes. Ze aait hem over zijn haren. Hij kijkt dolgelukkig.
   “Dat is Angela”, zeg ik.
   “Oh, hij kan het heel wat slechter treffen. Heb jij toch ook wat mee gehad?”
   “Een avondje gezoend, meer niet”, zeg ik ontwijkend.
   “Meer niet? Niet verliefd?”
   “Té lief, té naïef. Heel beschermd opgevoed. Ze heeft streng paapse ouwelui”, zeg ik snel. “Ik heb haar duidelijk gemaakt dat ze best wat kieskeuriger mag zijn; ze dreigde een beetje los te slaan.” Gert slaat me op de schouder.
   “Goed van je kerel! Geen misbruik maken van te makkelijke prooi. Staat je netjes. Een jaar geleden had ik daar totaal geen moeite mee, maar toen ging ik wat minder met jou om.” Ik barst uit in lachen.
   “Ach, wat nou? Bedoel je dat ik jou heb beïnvloed?”
   “Ja jongen, dat purisme van jou is net inkt. Het geeft vlekken. Waar je mee omgaat, daar raak je door besmet!”
   “Daar moeten we dan maar eens flink op gaan drinken!”
   “Maar niet zonder mij!”, klinkt het achter ons. Beiden voelen we een arm om de schouders en krijgen we een natte klapzoen. Karin ziet er schitterend uit in haar Romeinse robe. Haar haren zijn opgestoken en een aantal krullen hangt quasi casual over haar wangen. Ze heeft er duidelijk een encyclopedie op nageslagen.
   “Stelletje sukkels”, zegt ze hoofdschuddend tegen ons. “Lauwerkransen van klimop, hoe durf je. Heiligschennis!” Ons antwoord dat je in de winter nou eenmaal minder keus hebt wuift ze weg.
   “Vreten, kreng!”, zegt ze terwijl ze me een handvol druiven in de mond duwt. Ze kijkt Gert aan en zegt zachtjes: “En jij, word je al een beetje hitsig van al die mooie blanke en blote meisjesschouders? Zie je niet zo veel dit jaargetijde toch?”
   “Doet me helemaal niks”, zegt Gert gemaakt serieus.
   “Uh huh, laat ik maar zeggen dat ik je geloof. Let jij maar even op je tienerbroertje kerel, die heeft het wel érg gezellig aan de bar”, knipoogt ze. “Angela is echt een schatje, ook al is ze streng Rooms opgevoed. Ik turn haar wel om tot een protestantse zoals ik.”
Gert begint ‘Catholic girls’ van Frank Zappa te zingen.

   “En hoe mogen we jou noemen vanavond?”, zeg ik met mijn mond nog halfvol.
   “Livia, de vrouw van Augustus Caesar en dus jullie meerdere. Jullie gaan je deze avond netjes gedragen want anders zwaait er wat. Biertje, heren?”
   “Ja, lekker”, zegt Gert. En dan tegen mij: “Was die Livia niet een ontzettende gifmengster?” Ik beaam het.
   “Ach, de jongetjes durven niet meer?”, zegt Karin. “Bang voor mijn reputatie?”
   “Wat is een leven nou zonder een beetje risico?”, roept Gert theatraal.
   “Een saaie droom”, zegt ze.
   “En als we stokoud zijn, zijn onze dromen alles dat we overhouden”, zeg ik zogenaamd diep bedroefd.
   “Nepfilosoof!”, zegt ze. Ze geeft me nog een zoen, knijpt even in mijn billen en loopt naar de bar. “Ben zo terug”, horen we haar zeggen. Steven zien we niet meer. Angela lijkt ook verdwenen.

 

Verder lezen? Dat kan in deel acht.

Reacties (19) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Het speelt zich voor mijn ogen af...
Je bent er een kei in kleurrijk en ingevoeld te beschrijven wat en hoe het zich aan je voltrekt waardoor de de weg gedrukte herinneringen langzaam maar zeker terug komen

Kreeg wat moeite met zo vaak ik en mijn
Het lijkt vaak simpel te omzeilen.
Of drie maal die in één zin.
Normaal brengt me dat tot rust, die onvoorspelbare dans van onzichtbare stofdeeltjes die samen hallucinerende patronen weven die me in een meditatieve trance brengen.

Jij zult het anders doen, maar ik puzzel maar even mee
Normaal brengt me het onvoorspelbare om elkaar zweven van onzichtbare stofdeeltjes tot rust, als in een dans van samengeweven hallucinerende patronen die me in een meditatieve trance brengen.

Normaal brengt me dat tot rust, de onvoorspelbare dans van onzichtbare stofdeeltjes als in een mystiek spel van hallucinerende samengeweven patronen die me in een meditatieve trance brengen.
Of iets dergelijks..
Oh, ik moet zeker nog flink met de stofdoek door alle teksten heen. Ga ik eens rustig de tijd voor nemen als ik helemaal in de sfeer van het verhaal zit.

Dank je voor dit prima voorbeeld. Die zin mag inderdaad anders; ik ga er een tijdje op broeden. Drie keer "die" is inderdaad lelijk, want het heeft hier geen functie.
Ik dacht in eerste instantie dat je het wellicht expres zo had gedaan, vanwege het hypnotiserende van 'die in een herhaling'. Dat was een plausibele reden geweest, maar ik dacht ook, toch even meedenken
Had best gekund, maar als ik die zin lees, voel ik dat het niet werkt. Dus moet het anders. ;-)
Over filmisch gesproken. Jij kan er ook wat van, meneer!
Dankjewel! Ik vind het ook uitdagend om daarmee te spelen.
Zo ken ik je weer ;)
Mooi vervolg, je hebt je rijke manier van schetsen vastgehouden.
**probeert alle mogelijke interpretaties van de eerste zin in beeld te krijgen** ;-)

Dankjewel, het was wel weer even wennen om zo te schrijven. Misschien lijkt het toch op fietsen. :-)
Goed dat je verder gaat, ik ben altijd erg slecht in het volgen van vervolgverhalen, maar deze pik even mee, leest lekker weg...
Dankjewel! Ik ben er ook slecht in, maar ooit gaik mijn leven beteren. ;-)
Leuk een nieuw deel, ik blijf me afvragen wat er aan de hand is. Al zullen we daar vanzelf achter komen.
Leuk dat je er nog bij bent! Wat er aan de hand is? Veel drama, dat kan ik je alvast voorspellen...:-)
IK blijf het echt wel volgen, daar heb ik geen moeite mee. :)
Fijn dat je weer verder bent gegaan, moest er ook weer even in komen.
Ik loop natuurlijk wel een heel stuk achter op jou, maar het was geen wedstrijdje toch? ;-)
Deze pauze had ik nodig om structuren te verzinnen.
Absoluut geen wedstrijd, ben juist blij een mede langeverhalen schrijver te hebben
In 1 adem gelezen en moest ff tweede scherm openen om er weer ff in te komen. Maar zit er nu weer helemaal in.
Dan heb je een aardige longinhoud! :-)
Ik zit er zelf ook weer helemaal in. Soms helpt een schrijfpauze echt.
Ik heb inderdaad een hele beste longinhoud meneer Inglorious.
Ben ik met je eens .... ...... yep, deze pauze werkte weer prima -))