Rawls' dikke sluier

Door Albertinum gepubliceerd op Tuesday 04 November 21:54

Een kritische beschouwing van 'A Thepry of Justice' van John Rawls.

         Inleiding

In de jaren '60 van de twintigste eeuw was het utilisme de belangrijkste stroming in de politieke filosofie. Het heeft dan ook enkele aantrekkelijke eigenschappen. Zo doet het utilisme geen beroep op God of een ander metafysisch schepsel, maar richt het zich op het maximaliseren van het geluk van mensen, los van de vraag of er een hogere macht bestaat of niet. Bovendien is de consequentialistische aard van utilisme intuïtief aantrekkelijk. Toch kent het utilisme ook enkele fundamentele problemen. Ten eerste heeft de utilist geen antwoord op groepen mensen die gelukkiger worden door het opofferen van het geluk van een minderheid, zoals bijvoorbeeld een groep met een andere etniciteit. Zolang het geluk van de samenleving als geheel maar stijgt, kan het utilisme zo'n opoffering niet verbieden. Een tweede probleem is dat van egoïstische motieven. Als iemand zeer gelukkig wordt van kostbare zaken als exclusief eten en snelle sportwagens, moet dat volgens het utilisme kunnen (Kymlicka, 2002, 11).

De Amerikaanse politiek filosoof John Rawls (1921-2002) achtte het daarom noodzakelijk dat er een nieuwe theorie kwam, die recht zou doen aan individuele rechten (het antwoord op de racist) en aan een rechtvaardige welvaartsverdeling (als antwoord op de egoistische voorkeuren). In A Theory of Justice (1971, gereviseerde versie in 1999) formuleert hij zijn theorie. Deze is onder te verdelen in twee gedeeltes: het eerste betreft een gedachte experiment, waaruit in het tweede deel principes van rechtvaardigheid volgen. Het eerste gedeelte van dit paper is een encyclopedische samenvatting van A Theory of Justice.

Het verschijnen van het boek zorgde al snel voor een opleving van politieke filosofie als vakgebied. Veel denkers positioneerden zich daarna ten opzichte van Rawls, hetzij als tegenstander, dan wel als adept, of iets daar tussenin. In het tweede gedeelte van dit paper wordt de sluier van onwetendheid, een cruciaal onderdeel van Rawls' oorspronkelijke positie, kritisch geanalyseerd.

 

1        A Theory of Justice

1.1     De oorspronkelijke positie

Om legitieme rechtvaardigheidsprincipes te bepalen bedenkt Rawls een gedachte-experiment, dat hij 'the original position' noemt. Het betreft een hypothetische situatie, waarin een groep personen onderhandelt over de rechtvaardigheidsprincipes die in de samenleving moeten gelden. Deze personen bevinden zich achter een sluier van onwetendheid (veil of ignorance). Dit betekent dat ze geen specifieke kennis hebben: zo weet bijvoorbeeld niemand iets over zijn sociale klasse, geslacht, ras, seksualiteit en natuurlijke talenten. Ook weet niemand tot welke generatie hij of zij behoort, noch de eigen psychologische configuratie, en zelfs "his conception of the good" (Rawls, 1999, 118) is onbekend. Ze weten alleen dat er zoiets bestaat als een conceptie van het goede leven.

De mensen in de oorspronkelijke positie hebben wél onbeperkte algemene kennis, over zaken als economie en psychologie. Ook gaat Rawls er van uit dat iedereen weet dat ieder mens sociale en natuurlijke primaire goederen nodig heeft. Sociale primaire goederen, zoals rechten en kansen, kunnen worden verdeeld in de samenleving. Daarom zijn deze vooral belangrijk voor de oorspronkelijke positie. Onder natuurlijke primaire goederen vallen bijvoorbeeld intelligentie en gezondheid. Deze kunnen niet worden (her)verdeeld en spelen in de onderhandeling dus geen rol.

De mensen in de oorspronkelijke positie moeten dus beslissen over de verdeling van sociale goederen. De veil of ignorance zorgt ervoor dat zij dit onpartijdig kunnen doen. De sluier zorgt ervoor dat de onderhandelaars kunnen verworden tot hun 'unencumered self' (het onbelaste zelf). Rawls erkent wel dat volledig onpartijdig redeneren moeilijk is. Zijn theorie moet dan ook worden gezien als een ideaalbeeld.

De mensen in de oorspronkelijke positie zijn rationeel en redelijk. Deze rationaliteit is voor hen een manier om levensdoelen te bereiken. De onderhandelaars proberen voor zichzelf een zo goed mogelijke positie te bereiken, en zijn dus mutually desinterested. De positie van de anderen is geen overweging. Dit betekent dus ook dat er geen plaats is voor wrok of jaloezie. De redelijkheid slaat erop dat ze de rechtvaardigheidsbeginselen die uiteindelijk worden aangenomen zullen incorporeren, net als de plichten die daarbij horen. Deze rationaliteit en redelijkheid zijn voor Rawls de basis voor de gelijkwaardigheid van mensen. Dit is een antwoord op het probleem van het utilisme over het opofferen van groepen. Doordat mensen niet weten in welke positie ze zitten, zullen ze uit rationaliteit niet het risico nemen dat zij tot degenen behoren die worden opgeofferd voor het geluk van anderen.

De partijen in de oorspronkelijke positie hebben verder een 'sense of justice'. Hieruit volgen bepaalde overwogen oordelen, die soms conflicteren met de intuïtie. Eén van beiden moet dan worden bijgesteld. Door dit proces te herhalen komt men tot een reflective equilibrium, een stabiele evenwichtssituatie betreffende filosofische standaarden, in dit geval over rechtvaardigheid.

Door dit gedachte-experiment waarborgt Rawls procedurele rechtvaardigheid. De veil of ignorance zorgt voor een faire uitgangspositie voor iedereen. Deze procedure leidt voor Rawls tot justice as fairness.

 

1.2     Rechtvaardigheidsbeginselen

De onderhandelaars uit de oorspronkelijke positie zullen volgens Rawls komen tot twee principes van rechtvaardigheid. Het eerste rechtvaardigheidsbeginsel garandeert fundamentele basisvrijheden, en wordt als volgt geformuleerd: "each person is to have an equal right to the most extensive basic liberty compatible with a similar liberty for others" (Rawls, 1999, 53). Het gaat dan om vrijheid van persoon, politieke vrijheid, gewetensvrijheid en vrijheid van denken, persoonlijk eigendom, en de rule of law. Dit is in feite het concrete antwoord op het opofferen van groepen in het utilisme.

Het tweede rechtvaardigheidsbeginsel bestaat uit twee onderdelen ('a' en 'b' genoemd), en gaat over sociaal-economische ongelijkheden. Het wordt in beginsel als volgt geformuleerd: "Social and economic inequalities are to be arranged so that they are both (a) reasonably expected to be to everyone's advantage, and (b) attached to positions open to all." (Rawls, 1999, 53). Hieruit volgt ten eerste dat sociaal-economische ongelijkheden door Rawls dus niet worden afgewezen. Ze zijn zelfs noodzakelijk, om ervoor te zorgen dat mensen een prikkel ervaren om ambitieus te zijn, en hogerop te komen. Deze ongelijkheden dienen echter wel zó te worden gearrangeerd, zodat ze in het voordeel zijn van iedereen. Anders gesteld: de rijksten mogen veel meer verdienen dan de armsten, mits die armsten er ten opzichte van mogelijke andere verdelingen óók op vooruit gaan. Dit staat bekend als het verschilbeginsel. Dit beginsel volgt volgens Rawls uit de oorspronkelijke positie, aangezien geen van de onderhandelaars weet in welke positie in de samenleving hij of zij zit. Je kunt dus ook bij de onderklasse behoren, en het zou niet rationeel zijn om het risico te nemen dat die klasse er heel slecht vanaf komt in de uiteindelijke verdeling. In de finale formulering van dit verschilbeginsel legt Rawls nadruk op het voordeel van de minst bedeelden: "to be in everyone's advantage" verandert in "to the greatest expected benefit of the least advantaged" (Rawls, 1999, 72).

Aan gedeelte 'b' wordt in de finale formulering het volgende toegevoegd: "..under conditions of fair equality of opportunity" (Rawls, 1999, 72). Om iedereen deze faire kans op elke positie in de samenleving te geven, dient te worden gecompenseerd voor natuurlijke voorsprong of achterstand. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is onderwijs: mensen die van nature minder kennis of vaardigheden bezitten, kunnen door onderwijzing hun achterstand (zo veel mogelijk) goed maken, en zo een even grote kans verwerven op bepaalde posities als mensen die van nature meer kennis en vaardigheden bezitten.

 

2        De sluier van onwetendheid

Op het eerste gezicht is de veil of ignorance een aantrekkelijk aspect van de oorspronkelijke positie. Het idee dat rechtvaardigheidsbeginselen pas echt legitiem zijn als de manier waarop deze tot stand zijn gekomen niet vertroebeld is door partijdigheid en egoïsme, voelt intuïtief goed.

Toch zijn er twee problemen met deze sluier, die te maken hebben met de invloed van de veil of ignorance. Beide problemen vertonen veel overlap in hun fundamentele betekenis, maar het eerste heeft meer met 'vorm', en het tweede juist meer met substantiële inhoud te maken.

 

2.1     Onderhandeling

Het eerste probleem heeft te maken met het bezigen van de termen 'onderhandeling' en 'bargaining' (redetwisten) die soms worden gebruikt voor de situatie in de oorspronkelijke positie. Deze zijn misleidend, net als de term "parties in the original position" (Rawls, 120). Deze termen suggereren een werkelijke onderhandeling, waarin verschillende partijen bijvoorbeeld rond een tafel zitten en samen tot een akkoord moeten komen. Dit is echter niet aan de hand in de oorspronkelijke positie. De sluier van onwetendheid zorgt er namelijk voor dat er van verschillende partijen geen sprake is.

Het misschien wel belangrijkste aspect van iedere onderhandeling is dat deze uit verschillende partijen bestaat.  De 'parties' in Rawls' oorspronkelijke positie zijn echter door de veil of ignorance ontdaan van veel zaken die nodig zijn om dit met recht een onderhandeling te mogen noemen. Zo hebben de partijen in een onderhandelingspositie normaal gesproken verschillende belangen, en een verschillende conceptie over wat belangrijk is en wat niet. In Rawls' oorspronkelijke positie hebben ze sowieso geen verschillende belangen, want alle aspecten van een mens waar die uit zouden kunnen voortvloeien, zijn verborgen achter de sluier van onwetendheid. Ze hebben slechts een conceptie van rechtvaardigheid, maar dat hebben alle mensen, en deze is dus voor alle partijen hetzelfde. In feite is er dus sprake van één rationele entiteit, en niet van een onderhandeling tussen verschillende partijen.

 

2.2     Rationele keuzes

Het onderscheid tussen de partijen in de oorspronkelijke positie is dus op zijn minst dubieus. Dat werpt de vraag op: wat zijn dit voor entiteiten? Ze bespreken samen wat de rechtvaardigheidsbeginselen moeten worden, maar eigenlijk is er niets dat ze onderscheidt. De sluier van onwetendheid ontdoet ze namelijk van alle kenmerken die personen tot personen maakt. Het is voorstelbaar, en zelfs goed te verdedigen, dat bepaalde kennis van de partijen moet worden afgeschermd. Het niet kennen van de eigen plaats in de samenleving is bijvoorbeeld een plausibele garantie tegen het uitsluiten van minderheden, al blijft het de vraag of rationele personen inderdaad tot het verschilbeginsel zouden komen. Bij Rawls nemen ze een zeer verdedigende positie in: ze houden er allemaal zó serieus rekening mee dat ze in de 'laagste' groep terecht zullen komen als de sluier is opgelicht, dat ze die positie te allen tijde maximeren. Terwijl rationele personen net zo goed zouden kunnen kiezen voor een sterke positie van bijvoorbeeld een middengroep, die misschien wel groter is, en waarvan de kans dus groter is dat je erin terecht komt.

Dit is echter niet het probleem waar ik me hier op concentreer. Een belangrijkere vraag is hoe de personen rationaliteit ten toon kunnen spreiden. Rationaliteit is niet slechts gebaseerd op algemene kennis over bijvoorbeeld economie of psychologie. Rationaliteit gaat ook over einddoelen. Het aantrekkelijke aspect van consequentialisme (namelijk: het beoordelen van rechtvaardigheid op basis van de uitwerking van keuzes) wordt geweld aangedaan, wanneer de persoon die de keuzes moet maken niets weet over wat 'het goede' is. Hij weet bij Rawls slechts dat er zoiets bestaat als 'het goede', maar dit is een leeg gegeven, aangezien alle aspecten die bepalend zijn voor dat idee bij hem zijn weggenomen.

Het is onmogelijk, zelfs in een hypothetische situatie, om een gesprek te voeren over principes van rechtvaardigheid zonder te weten welke keuzes tot welk einddoel zullen leiden. Zelfs als deze partijen, die niets weten over hun einddoelen, tot een beslissing komen over hun principes, kan deze niet gebaseerd zijn op rechtvaardigheid, omdat rechtvaardigheid moet worden getoetst op basis van de consequentie van keuzes.

 

3        Een dunnere sluier

Om die reden moet het dikke gordijn van Rawls een échte sluier worden. De partijen moeten wél weten wat de drijfveren van alle anderen zijn, en wat hun conceptie van het goede leven is. Alleen dan kunnen er legitieme rechtvaardigheidsbeginselen komen. De sluier wordt echter niet geheel opgeheven. Om onpartijdigheid te bewaken weten de partijen wel de drijfveren van de anderen, maar níet die van henzelf.

Rawls' term sluier (veil) is misleidend. Een veil is volgens het woordenboek "a piece of more or less transparent material" (Collins English Dictionary, 2014). De sluier van Rawls is daarentegen absoluut niet 'min of meer transparant'; hij is zo dik en gesloten, dat hij ten eerste alles onzichtbaar maakt wat een persoon tot een persoon maakt. Een onderhandeling tussen verschillende partijen is daardoor onmogelijk. Ten tweede beneemt de dikke sluier het zicht op de consequenties van de mogelijke keuzes, waardoor deze nooit op rechtvaardigheid gestoeld kunnen zijn.

 

 

         Literatuur

Collins English Dictionary - Complete & Unabridged 10th Edition (2014). Veil. Vinddatum 14 mei 2014: http://dictionary.reference.com/browse/veil

 

Kymlicka, W. (2002). Contemporary Political Philosophy. Tweede editie. Oxford, Oxford University Press.

 

Rawls, J. (1999). A Theory of Justice. revised edition. Harvard: Harvard University Press.

 

 

 

 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.