Doorheen de tijd en continenten

Door Weltevree gepubliceerd op Monday 03 November 15:33

Ik weet dat ik droom, zoals zo vaak als mijn allerliefste en ik meer dan een week niet samen waren. De opwinding van Ghetoeri’s warme omarming zindert liefdevol en weldadig na. Het was een onschuldige geile droom. Mijn lief is al twee weken onderweg, komt de eerste dagen ook nog niet terug, maar omdat ik straks kilometers moet lopen geniet ik nog even extra van mijn diepe gevoelens voor de mooiste jongen van het dorp. Onze liefde duurt al twee jaar. Onwillekeurig glimlach ik want mijn moeder zou me aartslui noemen, ware het niet dat ze weg is. Naar mijn tantes. De hele familie is bezig met de voorbereidingen en ik ben er heel erg van doordrongen dat mijn ouders trots zijn op mij, zich verheugen op de bruiloft, waarvoor beide zeer uitgebreide families al maanden in de weer zijn. Ik ben ook dáárom heel dankbaar hier te zijn geboren en zucht genoeglijk tot mijn gelukzalige gevoel wordt verstoort door een vreemde geur. Die hoort niet thuis in de hut van mijn ouders, noch in de schuilplaats die Ghetie en ik in het bos hebben. De heerlijke loomheid lost op vanwege die sterke, in de verte bekende, maar onwezenlijke stank. Ineens weet ik het weer. Hospitaal.

Dat scherpe in de lucht waar ik zo van schrok toen mijn moeder beviel van mijn jongste zusje. Soms word ik onpasselijk van de geur die blanken bij zich dragen, maar de meur van schoon, wat zij steriel noemen, zal ik nooit vergeten. Wat nu mijn neus binnendringt is hetzelfde, al is het toch alweer jaren geleden dat ik mijn neus dichtkneep toen ik het voor het eerst rook. Het was vele malen sterker dan de geur van natuurlijk zoet bevallingsbloed dat altijd rond mijn moeder hing als ze weer een kind ter wereld bracht. De mengeling van rode aarde en groene bladeren waarover vruchtwater zich verspreid, heeft iets van een wonderlijke lieflijkheid. Ik vond dat altijd lekker ruiken naar nieuw leven, nieuwe liefde. Het onheilspellende gevoel dat bij hospitaal hoort zal ik echter nooit meer uit mijn geheugen kunnen bannen sinds die keer, toen mamma bijna stierf omdat de baby er niet uit wilde. Wij, mijn oom en de drie broers, want pappa was naar de grote stad, konden haar nog net op tijd naar het ziekenhuis dragen, gelukkig, waar ze haar buik open sneden. Dat penetrante kunstmatige kille tracht ik uit mijn heerlijke tevreden beleving te weren, want de reuk van steriel brengt ongeluk. 

“Goede morgen,” klinkt het scherp nadat stampende voetstappen me veel te dicht zijn genaderd. Het is een taal die ik niet spreek en toch moeiteloos begrijp. Ik wil de verstoring van mijn droom voorkomen, verlang naar Ghetie’s beschermende armen om me heen. Laven wil ik me aan zijn kruidige zweet dat altijd net iets lekkerder ruikt als we elkaar lang niet hebben gezien. Mijn ogen moet ik zeker niet openen en geërgerd draai ik me om.

“Wakker worden mevrouw de Klerk.” Het beangstigende gevoel gevangen te zijn wordt versterkt door kletterende geluiden van metaal in de verte en schuivende stof dichtbij. Ineens word ik me gewaar dat er iets over me heen ligt. Iemand schudt nadrukkelijk aan mijn schouder waardoor ik van schrik de ogen te ver opensper en meteen weer sluit vanwege al het wit. Ik draai mijn hoofd om tot ik door mijn toegeknepen oogharen een blanke meen te zien die met haar armen priemend naar me toe buigt. Weg wil ik. Normaliter kan ik binnen één seconde opspringen en naar buiten rennen, maar nu lijk ik verlamd en als ik mijn ogen voorzichtig open blijk ik omringd door glanzend ijzer. Ik lig niet op de grond. De vrouw voor me heb ik nog nooit gezien, maar zij lacht me toe alsof zij me al jaren kent. Welwillend, met iets van medelijden in haar veel te blauwe ogen. Ineens vermoed ik dat deze droom in een droom niet zomaar weer verdwijnen zal.

“Goed zo, hoe gaat het met ons? Het is tijd voor ons ontbijtje.” zegt het lachende hoofd met grote tanden die misstaan in het witte van de vlekkerige huid. Ik heb nooit begrepen waarom sommige van mijn vriendinnen ook zo’n huid zouden willen hebben. Een van hen wil nota bene trouwen met zo'n Westerse bleekscheet, maar zij is altijd al belust geweest op geld en luxe.

“Nee, nee, niet weer gaan slapen,” zegt de magere vrouw in haar witte jasje en ik trek in een reflex mijn arm weg die zij probeert te grijpen. Een schok gaat door me heen. IJskoud krijg ik het. Al lig ik hoog boven de grond in wat blanken een bed noemen, toch lijk ik door de grond te zakken. Mijn arm blijft als een oude geknakte boomtak boven mijn hoofd zweven. Wat is ermee aan de hand? Wat ik zie kan niet van mij zijn, toch? Het heeft het meeste weg van een berkenbast, maar dan slap. Gerimpeld, ingekerfd en trillend als een bange hagedis. Op de gerimpelde hand zitten bruine vlekken en hij is akelig mager, niet vlezig en sterk. Ik beweeg mijn vingers en de berkentakjes daarboven bewegen mee. In één klap wordt mijn keel kurkdroog en bloed bonst in harde klappen tegen het vel in mijn oren. Ik schud wild met mijn arm, maar boomschors valt er niet van af... Waar is mijn mooie bruine kleur, het strakke vel met de satijnen glans waar Ghetie zo opgewonden van kan raken?

“Mevrouw de Klerk, nu moet u niet dwars liggen. Ik heb te weinig tijd en helemaal geen zin in uw aanstellerige grapjes. Schiet op, we moeten ons aankleden. Of wilt u de rest van de dag in bed liggen?” Ze rukt de deken en het witte katoen, want dat is wat zo ritselt, van me af en ik zie een uitgemergeld lijf dat op witte lakens ligt. Tussen mijn benen, waar zojuist Ghetie nog zijn lenige lijf tegenaan drukte, zit een wanstaltig nat en koud ding, waar een eng vel omheen zit. Heb ik iets gedaan waardoor ik een vloek over me heb afgeroepen? Heeft onze dorpsdokter in al zijn wijsheid beslist dat ik behekst ben?

 

Ze zegt Nina te heten en dat ze vandaag invalt als bejaardenverzorgster en uitzendkracht van Tempoteam waarna ze de geplooide doeken bij de muur opzij schuift en licht de ruimte binnen stroomt. Daarbuiten is het grijs. De blanke vrouw is misschien net zo oud als ik, maar ze helpt mij, of wat er van me over is, uit bed. Met een vies gezicht plukt ze de doeken tussen mijn benen weg en ik moet toelaten dat ze mij een papieren broek aantrekt. Zijn die zielige dunne witte staken waarop ik me amper staande kan houden, mijn jonge sterke bruine benen? Van binnenuit begint mijn lichaam te gillen, te trekken en trillen. Het lijf waar ik zo blij mee was, dat alle jongens het hoofd op hol brengt, dat krachtig en lenig de liefde bedrijft, lijkt in één nacht uitgedroogd, is bedekt met de witte klei, die we bij de jaarlijkse slachtfeesten gebruiken. Na veel ongeduldig wild sjorren en trekken zijn we kennelijk klaar en de vrouw in het wit drukt me in een zachte zetel naast het gat in de muur waar glas voor zit. 

De belachelijke spullen die ik draag voelen vreemd. Alles in deze bedompte ruimte is grijs, wat ik draag te dik en het zit ongemakkelijk. De ruimte heeft iets weg van het huis van de blanke meester, die in ons dorp de school runt. 

Waarom moet ik deze kleren aan en waar zijn de veelkleurig geverfde benen enkelbanden, mijn prachtige kettingen? Ik heb ze zelf gemaakt van kleurige kralen zoals mijn moeder ons dat heeft me geleerd. Om mijn nek zijn de gouden halsbanden, geschonken door de familie verdwenen. Ik draag ze al sinds het één na laatste jaarlijkse plechtige vruchtbaarheidsritueel toen ik tien was. Het feest duurde drie dagen en alle meisjes in ons dorp van mijn lengte en geboortemaan werden toen ingezegend als vrouw, maar alle sieraden van mijn stam zijn verdwenen.

313fd93906e2f60e51bdf8beb0769d72_medium.

Voorzichtig voel ik op mijn hoofd. Mhorari en ik hebben gisteren het lange glanzende kroeshaar met olie gemasseerd en zorgvuldig naar de laatste mode invlochten, maar dat alles lijkt te zijn verdwenen. In plaats daarvan voel ik iets slaps op mijn schedel, vlassig, eng glad en kort. Ik wil het bekijken, maar in de kleine beklemmende ruimte is geen spiegel te vinden. De oude fletsgebloemde stoel waarin ik ben neergezet lijkt op de troon van onze dorpsoudste en hij staat naast een vreemde donkerrode houten kast waarop een glinsterend dienblad met dure witte kopjes op rare schaaltjes glimmen. 

“Vanmiddag komt uw zoon op bezoek,” zegt de onvriendelijke Nina.

“Ik heb géén zoon, zou volgende maand pas trouwen,” roep ik hard in mijn eigen taal, maar ze lacht me uit en ik schrik ook van mijn stem, rauw krassend als van een doorgesleten waterketel. De vrouw schudt haar hoofd vlak voordat ze vertrekt. Ik spuug op mijn hand, maar de witte verf, of is het iets anders, blijkt onafwasbaar te zijn. De deur gaat open en in de opening staat een stokoude blanke man met een glanzende stok, die zich amper staande kan houden. Kaal, wit en zo te zien leunt de dood al dreigend op zijn schouder.

“Hallo Ans,” fluistert hij en komt langzaam, maar met een blije lach wankelend dichterbij. Zonder me iets te vragen drukt hij een kus op mijn mond en ik ben te verrast om hem weg te duwen, kijk hem enkel verschrikt aan. Tot hij vraagt of ik niet blij ben mijn man te zien.

Reacties (22) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Weltevree! Ècht, geen woorden voor deze briljante invalshoek!
Niet alleen wakker worden in een vreemd lichaam, maar omgetoverd van Afrikaan tot bleekscheet, een bejaarde bleekscheet nog wel die ellendig genoeg ook nog 'n keer In luiers gehuld haar dagen moet slijten in een verpleeg tehuis.
Een ware nachtmerrie, fantastisch geschreven!
Gelezen en beoordeeld!
Gelezen.
Heel mooi geschreven...maar dat is van u bekent
erg goed geschreven , mooi sterk verhaal
Heel mooi geschreven.
Ik zat helemaal in het verhaal. Bovendien heeft het me geïnspireerd, dus misschien als ik deze week nog tijd vindt ...
Gelezen.