Boekverslag In Europa Geert Mak

Door Xinax gepubliceerd op Friday 04 July 14:31

Een samenvatting van drie hoofdstukken uit het boek van Geert Mak: In Europa

Samenvating Hoofdstuk 3 Geert Mak

Vanuit het Italiaanse Genua reist Geert Mak door Zuid-Frankrijk richting Spanje. Onderweg beschrijft hij de mooie natuur. Zo komt hij in het zuidelijkste dorp van Frankrijk terecht, Lamanière in de Pyreneeën. Daar praat hij met ene Michel, een dorpsbewoner die hem over het verleden van de streek vertelt.

Ieder dorp heeft zijn eigen karakter en staat op zichzelf. De dorpen haatten elkaar vaak en samen haatten ze de adel en de staat.

Michel vertelt dat er destijds vaak honger werd geleden. Van alles wat het land opbracht ging de helft naar de grondeigenaar. Er heerste een feodaal systeem. Daardoor verliet veel jeugd het dorp en vestigde zich in de dalen, waar ze vaak ambtenaar werden.

Een buurman, Pattrick Barrière, vertelt dat er in de winter van 1939 een paar honderdduizend Spanjaarden de bergen over kwamen. Het waren republikeinen die de burgeroorlog verloren hadden en na de val van Barcelona weg vluchtten.

Er waren diverse tegenstellingen in Spanje. Grootgrondbezitters wilden hun bezit en alles houden zoals het was, terwijl arbeiders er belang bij hadden om dingen te veranderen, desnoods via een revolutie.

Een jonge Engelse violist zwierf in 1935 en in 1936 door Spanje. In zijn boek dat hij er over schreef, zegt hij ‘dat Spanje niet een ander land is en zelfs geen andere wereld; het is een ander tijdperk!’.  Leven in zelfgemaakte hutten, hele dagen hard werken en in de avond eten en verhalen vertellen.

Spanje was als het ware een niet-Europees land dat niet met de ontwikkelingen in andere Europese landen was meegegaan.

Karl Marx noemde Spanje ooit het minst begrepen land van Europa. Alles verliep op een andere manier, eerder, later of extremer. Zo onderdrukte de Kerk de Verlichting en de geestelijke vernieuwing en blokkeerden grootgrondbezitters iedere economische modernisering. Daarnaast bestond onder andere de eeuwige haat tussen de regio’s en het centrale gezag in Madrid.

Nog in 1930 kon een derde tot de helft van de bevolking niet lezen of schrijven en was 50% van de grond in bezit van 1 % van de bevolking! Dit leidde in de 19e eeuw tot tientallen staatsgrepen.  Zo ook was de Spaanse Burgeroorlog niet de eerste maar de vierde burgeroorlog in één eeuw! De strijd tussen monarchisten en vrije burgers, tussen conservatieven en communisten tussen ‘niets veranderen’ en ‘alles veranderen’ duurde al anderhalve eeuw.

In de Spaanse Burgeroorlog waren de anarchisten zowel in de stad als op het platteland de belangrijkste revolutionaire beweging. Dit kwam doordat het in de kern een nostalgische boeren beweging was, die vooral aansloeg bij de kinderen en kleinkinderen van boeren. “Grootgrondbezit was diefstal!” Ook was het een protest tegen het starre centralisme van Madrid, de corruptie van Kerk en overheid en de onderdrukking door adel en grootgrondbezitters.

Op 19 juli 1936 fietste een jongeman over de Ramblas, een grote wandelboulevard in Barcelona, en schreeuwde almaar dat de soldaten op het universiteitsplein waren! Het gevolg was dat veel mensen naar de universiteit trokken. Dit was het eerste linkse volksverzet tegen generaal Franco die diezelfde week zijn militaire opstand was begonnen.

Barricades werden opgebouwd en wapens werden door een politieofficier uitgedeeld. En toen bleek dat de Guardia Civil het verzet ook steunde, was de opstand compleet. Het militaire verzet was gebroken en wapendepots van het leger werden geplunderd.

Bij het begin van de Spaanse Burgeroorlog waren er overal in Europa spanningen tussen ‘links’ en ‘rechts’. De gebeurtenissen in Spanje werden door velen gezien als een mooie gelegenheid om nieuwe tactieken en wapensystemen uit te proberen.

De burgeroorlog was zeer wreed. Iedere ‘partij’ vocht met volle overgave tegen het kwaad. De anarchisten vochten voor vernieuwing en verandering; communisten, socialisten en liberalen verdedigden de verworvenheden van de Verlichting en rebellen van generaal Franco streden voor het behoud van de heilige waarden van het oude Spanje.

De onderlinge ‘vijanden’ werden enorm gedemoniseerd.

Aan de coup van generaal Franco op 17 juli 1936 was een lange geschiedenis vooraf gegaan. Bij een eerdere coup in ’23 was generaal Miguel Primo de Rivera aangesteld als dictator naast Koning Alfons XIII.  Primo de Rivera kwam uit een aristocratische geziene familie en was een vaderlijke figuur die het land voorzichtig wilde moderniseren. Het lukte hem echter niet om een grote volksbeweging achter zich te krijgen. Omdat hij het niet zo nauw nam met bestaande wetten en regels, werd hij op 28 januari 1930 ontslagen door de koning. Zeven weken later stierf hij in Parijs.

Koning Alfons besloot zijn populariteit en de stemming in het land te peilen via de gemeenteraadsverkiezingen van 12 april 1931. De volgende dag werd op diverse plaatsen de republiek uitgeroepen en volgden demonstraties in Madrid. Koning Alfons zwichtte voor de eis ‘om voor zonsondergang de stad te verlaten’. Hij dacht daarmee een burgeroorlog te kunnen voorkomen.

De macht lag nu voor het eerst bij de ‘vernieuwers’. Vijf roerige jaren volgden.

Bij de parlementsverkiezingen van februari 1936 deed rechts een poging om de macht terug te winnen. Monarchisten en Carlisten vormden een Nationaal Front. De opzet mislukte en de spanningen namen daarna snel toe. Veel politieke moorden, mishandelingen, brandstichtingen in kerken, plunderingen van politieke centra en kranten waren het gevolg.

De radicaal rechtse beweging Falange Espanola kreeg aanvankelijk maar weinig aanhang. (bij de verkiezingen van ’36 maar 0,6%)  José Antonio Primo de Rivera werd de belangrijkste leider van de Falange. Hij was een jonge, intellectuele succesvolle advocaat. Hi kwam er graag voor uit dat hij de zoon was van de ‘oude’ Primo de Rivera. En zo verkondigde hij openlijk dat zijn ambitie was: het voortzetten van het werk van zijn vader. 

Hij was het prototype van de klassieke Spaanse held, een man die niet kiest voor geluk maar voor zijn noodlot, voor wie de woorden ‘eer’ en ‘pijn’ bijzondere waarden hebben.

Wel miste hij het fascistische temperament, schreef Stanley Payne in een biografische schets. Feitelijk was hij te breed van geest en te liberaal. Dit in tegenstelling tot Duitse en Oostenrijkse nazi’s die geen enkel compromis duldden.

José Antonio vond Mussolini interessanter omdat hij een rechtse moderne staatsvorm wist te ontwikkelen zonder de kwalen van klassenstrijd en democratie. Het woord ‘fascisme’ hanteerde hij nooit in redevoeringen. Hij streefde naar een eigen Spaanse variant met onder andere een verzoening tussen traditie en moderne tijd, regionale autonomie en een centraal gezag.

Omdat de Spaanse Bourgeoisie naar zijn mening vergiftigd was met vreemde ideeën, begon José Antonio vanaf 1934  steeds meer te denken aan een gewapende opstand. Dit kwam niet helemaal ten uitvoer omdat hij in ’36 met een paar andere falangisten werd gearresteerd omdat ze de verzegeling van hun afgesloten hoofdkantoor zouden hebben verbroken. Daarna volgden allerlei andere beschuldigingen en belandde hij in de cel.

Ondertussen kwam het straatgeweld tot een hoogtepunt. Zo werd in de nacht van 12 juli 1936 het monarchistische parlementslid José Calve Sotelo door militieleden ontvoerd en met een schot in het achterhoofd vermoord. (zogenaamde Russische methode)

Franco was van plan om de coup binnen een paar dagen af te ronden. De greep naar de macht mislukte echter half en liep daardoor uit op een langdurige burgeroorlog. Doordat de generaals maar een derde van het land in handen hadden, konden de republikeinen zich goed organiseren en een eigen leger opbouwen. Ook de anarchisten kregen daardoor tijd en ruimte om weer in actie te komen. En zo gebeurde toch wat de generaals niet wilden, een ‘linkse’ chaos.

Josè Antonio zat al die tijd nog in zijn cel in Alicante, waar de coup niet gelukt was. Hij volgde de ontwikkelingen, voorzag een lange burgeroorlog en deed alle moeite om die te voorkomen. Zo bood hij zich onder andere aan als bemiddelaar.

Omdat alles te ingewikkeld lag, sloeg de regering zijn aanbod af. Op 16 november startte het proces tegen hem en op 20 november werd Josè Antonio door een vuurpeloton om het leven gebracht.

In de Valle de los Caídos, de Vallei der Gevallenen bij Madrid zou ik, Geert Mak, ze later samen zien liggen in een kerk van de falangisten: José Antonio Primo de Rivera aan de ene kant en generaal Franco aan de andere kant van het altaar.

Het graf en de basiliek er omheen zien er uit als een groot Russisch metrostation. Het uithouwen kostte 14 mensenlevens. Werkbataljons en strafdetachementen waren er 16 jaar mee bezig. In totaal zo ‘n 20.000 dwangarbeiders!

Het is een macabere grap dat deze twee mannen naast elkaar liggen, terwijl ze elkaar in het leven zo haatten.

De twee mannen waren zeer verschillend. José Antonio hield van uitgaan, risico’s en vrouwen. Hij was een gepassioneerd politicus die aan het eind van zijn leven tevergeefs, ook de door hem zelf opgeroepen geesten, probeerde te beheersen.

In tegenstelling tot José was Franco een moederskind en een gewetenloos pragmaticus, een opportunist zie zijn machtspositie boven alles stelde. Maar Franco was ook een typische burgerman die tegen de voorrechten van de aristocratie was.

Franco kon goed manipuleren en hield zo alles onder controle. Hoewel hij aanvankelijk geen belangstelling had voor de Falange, wist hij deze beweging snel aan zich te binden toen de aanhang van de Falange sterk groeide. En toen ging de generaal ook opeens prat op zijn nauwe banden met José Antonio en werd het verhaal dat hij zijn natuurlijke opvolger was. Feitelijk had Franco José Antonio in de kou laten staan en geen enkele echte poging gedaan om hem uit de gevangenis in Alicante te bevrijden. Zelfs de dood van José Antonio hield hij lange tijd stil. Pas in 1938 werd zijn dood bevestigd.

De Falange werd uiteindelijk de langstlevende rechts-totalitaire beweging van Europa, van 1931 tot 1977.

Samenvatting Hoofdstuk 4   Geert Mak    Barcelona

Barcelona is een stad met tegenstellingen. Mooie buurten en gebouwen worden afgewisseld met vreselijke wijken. In het centrum vallen Mak 3 dingen op:

  1. de eenvormigheid van producten en diensten; alle kiosken verkopen dezelfde kranten en restaurants allemaal dezelfde paella, etc.
  2. Barcelona is niet Spaans maar Catalaans. Alles ademt Catalonië.
  3. de afwezigheid van historische merktekens. Je moet wel heel goed zoeken om iets uit het verleden te ontdekken. Bijna alles van de burgeroorlog is weggepoetst.

In 1936 was dat wel anders, zoals de Engelse schrijver George Orwell beschrijft. De arbeidersklasse had het in Barcelona echt voor het zeggen. Veel gebouwen en muren waren beplakt met revolutionaire posters en overal hingen rode en zwarte vlaggen. Men noemde elkaar toen ‘kameraad’ in plaats van ‘senor’ of ‘don’. Fooien waren verboden. En iedereen liep in blauwe overalls.

George Orwell meldde zich aan bij de links-radicale militie POUM; het bleek een slecht georganiseerde militie met nauwelijks wapens. In de frontlinie bij Zarragoza leidde dat er toe dat men niet op elkaar schoot maar elkaar bestookte met woorden als ‘Viva Espana, viva Franco’ en ‘Fascistas’. Het over en weer roepen werd een ware kunst.

Toen Orwell in april 1937 terug kwam in Barcelona was er veel veranderd. De gegoede burgerij liet zich weer zien in luxe kleding en met glanzende auto’s.

Het politieke klimaat was verhard. Er werd gestreden tegen milities van anarchisten en de POUM ten gunste van het volksleger. In Madrid en Barcelona was gevochten om de macht bij bepaalde bedrijven en comités. Er waren steeds meer onderlinge moordpartijen en langzaam verloren de anarchistische ministers de greep op hun volgelingen.

In het voorjaar van 1937 kwamen de spanningen tot een hoogtepunt bij de strijd om het Telefoongebouw, dat sinds de staatsgreep in handen van de anarchisten was. Alle telefoongesprekken werden daar afgeluisterd. Op 3 mei wilde de communistische politiecommissaris daar een einde aan maken en het gebouw bezetten. Een schietpartij volgde en al gauw verrezen er barricades in de straten. Dagenlang werden felle straatgevechten gevoerd. Toen de anarchistische minister Frederica Montseney in een radiotoespraak haar mensen opdroeg de strijd te staken, gehoorzaamden zij maar waren woedend en schoten de radio aan flarden.

Tijdens de gevechten probeerden de anarchisten en de POUM er wel politiek voordeel uit te halen. Maar ook dat mislukte.  ‘Langzamerhand werden we gereduceerd tot toeschouwer van onze eigen slachting’, vertelde een anarchistische vakbondsleider later.

Een paar weken na de strijd werd de hele leiding van de POUM gearresteerd en de POUM werd tot illegale organisatie verklaard. Overal werd op voormalige aanhangers van de POUM gejaagd. Velen verdwenen onder mysterieuze omstandigheden. Orwell wist met grote moeite aan deze heksenjacht te ontkomen. Anderen, waaronder zijn commandant en kameraad , de Belgische ingenieur George Kopp, had minder gelukt. Hij verdween en kwam nooit meer terug.

Nooit is er zoveel gelogen als over de Spaanse Burgeroorlog. Nu nog is het moeilijk om bij de echte waarheid te komen.  Alleen de verslagen van ooggetuigen vormen het concrete materiaal. Enkele getuigenverklaringen van kleine en grote moordpartijen worden beschreven.

De haat tegen de Kerk was zeer hevig. Alleen al in Barcelona werden 700 geestelijken vermoord. Daarnaast werden vele kloosters en kerken geplunderd en in brand gestoken.

Direct na de val van de grensplaats Badajoz werden in de eerste weken van de burgeroorlog zo ‘n 4000 republikeinse, communistische en socialistische militieleden door Franco’s troepen vermoord omdat ze de republiek hadden verdedigd!

George Orwell schreef achteraf: ‘De Spaanse Burgeroorlog was simpelweg een tijdelijke en plaatselijke fase in een enorm spel dat wordt gespeeld over het hele oppervlak van de aarde’.

Direct na het uitbreken van de burgeroorlog had Franco hulp gekregen uit Duitsland en Italië: technici, piloten, vliegtuigen, geweren en munitie en duizenden vrijwilligers. Deels was dit pure handel want Franco gaf de Duitsers in ruil mijnconcessies.

De republikeinen kregen steun uit Mexico dat direct 20.000 geweren stuurde. Frankrijk leverde aanvankelijk ongeveer 70 vliegtuigen maar stopte later haar steun, in navolging van Engeland dat niets deed. Op 8 augustus 1936 sloot Frankrijk de grens voor al het militair verkeer.

Deze ontwikkelingen dreven de republikeinen in de armen van de communisten en de Sovjet Unie van Stalin.

Tot slot beschrijft Mak de streken waar veel gevochten is. Zo noemt hij (op pag. 403) ook de huidige N420, zo ‘n 100 km ten zuidoosten van Barcelona. (volgens mij zit je dan in de Middellandse Zee!

Aan het eind van de dag leidt de reis van Mak naar de lelijke stad Zarragoza, waar de flatgebouwen te dicht op elkaar lijken te staan. Het was de lievelingsstad van Franco.

Daarna reist hij langs Tudela en overnacht op een heuvel nog voor Bilbao. Hier beschrijft hij de gemoedelijke sfeer in het dorp maar ook de scheiding tussen de ‘roden’ en de conservatieven, die ieder apart bij een ander café zitten.

Samenvatting Hoofdstuk 5   Geert Mak  Baskenland en Guernica

Al in de 18e eeuw schreef Jean-Jacques Rousseau dat Guernica de gelukkigste stad van de wereld was, waar burgers alles zelf goed wisten te regelen.

Mak beschrijft Euskadi, of wel Baskenland, als een droom waar je in een weelderige tuin met andere mensen en een andere taal komt. In tegenstelling tot de Spaanse steppe is het hier mooi groen. In het landschap liggen vele witte boerderijen. De Oceaan is dichtbij en Madrid is heel ver weg!

De Basken leven net zo als de gemiddelde Europeaan.

De Baskische afscheidingsbeweging heeft voor iedere Bask een ander gezicht. Er zijn vele soorten nationalisten. Zo zijn er nationalisten die bommen leggen, terwijl andere nationalisten daar fel tegen zijn. Je kunt de Basken en de Baskische nationalisten zeker niet over één kam scheren. Al in de 15e eeuw streden Baskische provincies voor rechten van de adel en de burgerij, voor privileges, eigen wetten en belastingen.

Eind 19e eeuw kreeg dit onafhankelijkheidsgevoel een nieuwe impuls door Sabino de Arana, grondlegger van de nieuwe beweging. Hij knutselde op papier een eigen Baskische natie in elkaar met een eigen taal en volkslied. Hij noemde de nieuwe natie Euskal Herria, land waar Baskisch gesproken wordt. Door velen wordt hij nu voor gek versleten maar zijn Partido Nacionalista Vasco (PNV) is nog steeds de belangrijkste partij in Baskenland.

Doordat Franco streefde naar een eenheidsstaat, waar de Basken fel tegen waren, veranderde het Baskische nationalisme in een militante verzetsbeweging.

Aanvankelijk kregen de Basken in ruil voor loyaliteit de eigen republiek waar ze van droomden, maar een paar maanden later, in mei 1937, werd het land onder de voet gelopen door de troepen van Franco. De nationalistische leiders kwamen in de cel of gingen in ballingschap, de Baskische taal werd verboden en er kwam een einde aan de autonomie. Duizenden Basken kwamen om.

De PNV groeide uit tot een gematigde partij. Een groep marxistische radicale studenten in Bilbao kon zich daar niet mee verenigen en richtten de Euskadi Ta Askatasuna (Baskenland en Vrijheid) op, ofwel de ETA. Vele aanslagen volgden en zo ontaardde de ETA na de dood van Franco in een machtige terreurgroep die zichzelf financierde via afpersingen.

Toen Mak in mei 1999 in Baskenland reisde had de ETA juist een wapenstilstand afgekondigd. Hij ontmoette Monica Angulo, een Baskische sociologe en haar vriend die hem alles toonden over Guernica. Zij vertelde hem dat het nationalisme vooral anti-Madrid is en verder geen concrete achtergrond heeft. Als Mak hen echter vraagt waarom die onafhankelijkheid zo belangrijk is, krijgt hij geen antwoord.

Doordat het nationalisme een mengeling was van oud en nieuw, van verzet maar ook van nostalgie krijgt het Baskenland iets dubbelzinnigs. In de ogen van veel Basken blijft Madrid een kolonisator die met alle middelen bestreden mag worden. Anderzijds is het aantal tegenstanders van afscheiding groter dan het aantal voorstanders en spreekt tweederde van de inwoners geen woord Baskisch meer.

In Guernica wordt het Duitse bombardement van 26 april 1937 herdacht met een klein monument. Guernica wordt door een ieder anders bekeken. De een ziet het als een generale repetitie voor de bombardementen op Warchau en Rotterdam, voor de meeste Spanjaarden is het een schurkenstreek van Franco en de Baskische nationalisten zien het als een schending van hun ‘heilige stad’ door Madrid. De oude aanhangers van Franco hebben de bijzondere lezing dat Guernica door de ‘rode’ Basken zelf in brand is gestoken.

De verschillende kijk op de kwestie Guernica is tekenend voor de relatie tussen Madrid en de Basken. Ze staan lijnrecht en hard tegenover elkaar.

Mak vraagt zich af of dit het klassieke drama van een vergeten groep is. Maar hoe het ook ligt, de Spaanse natie heeft een groot probleem. In de laatste decennia maakte de ETA ongeveer 800 terreurslachtoffers. Dit is een pijnlijke constatering die Madrid niet zo maar kan negeren.  Maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld Charles de Gaulle die met de OAS via onderhandelingen tot een oplossing kwam, is Spanje daar niet echt toe bereid. Spanje wil een moderne krachtige staat zijn, maar onderhuids heerst nog de feodale mentaliteit. En zo kwam Madrid de laatste jaren niet verder dan één vruchteloze bijeenkomst in mei 1999.

Aan Baskische kant ligt het wat ingewikkelder. Er is sprake van interne tegenstellingen en die innerlijke verwarring is zichtbaar bij de ETA. Veel aanslagen vinden in Baskenland plaats tegen Baskische doelen in plaats van Spaanse. Veel schrijvers concluderen dat het zo langzamerhand een strijd is geworden tussen Basken onderling met de achterliggende vraag: tot welk vaderland behoren we eigenlijk?

De gebeurtenissen rond Guernica zijn door de Spanjaarden handig in de doofpot gestopt. Sporen van bomkraters werden na het bombardement handig weggewerkt zodat men generaties lang kon doen geloven dat de verschrikkingen van Guernica het gevolg was van brandstichtingen door de ‘roden’.  Ook toen in de jaren 60 een vliegtuigbom werd gevonden, werd dit razend snel onder de mat geveegd.

Mak praat ’s avonds op een terras met Monica en een Baskische schrijver. Ze praatten over de manier waarop Spanje probeert om te gaan met het verleden; Als een samenleving van zwijgen. Over de burgeroorlog praat men (liever) niet. Het is taboe.

Op de vraag van Mak of het nooit ophoudt, antwoordt de schrijver dat de ETA voorlopig is gestopt na eindeloze discussies.

De ETA leeft alleen onder de jongeren tussen de 18 en 25 jaar en pleegt naar hun mening alleen nog aanslagen om hun eigen geïsoleerde wereldje in stand te houden. De schrijver vertelt over de executie van een gemeenteraadslid, een gewone jongen net als iedereen. Daaraan kun je zien hoe de beweging moreel vergiftigd is.

Een half jaar later zouden de aanslagen weer beginnen!      

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.