Het Grootmeester plan-2

Door Weltevree gepubliceerd op Thursday 22 May 10:03

Onder het waterige zonnetje zong iedere vezel in zijn lijf een overwinningshymne. 
Erneo danste bijna, liep in een opvallend krachtige, verende cadans door de binnenstad. Voor de middag bereikte hij al de Rijnbrug, die zuid met noord verbindt. Hier hebben de geallieerden de oorlog verloren, wist hij, maar ik zal mijn strijd niet verliezen. 
Eigenlijk wist hij niet zeker wat hem zo hardnekkig dreef. Was dit een vlucht? Weg van een mislukking. Of juist een ontdekkingsreis naar succes? De laatste poging iets van zijn leven te maken? In ieder geval dankte hij zijn God die hem sterk genoeg had gemaakt om op tijd de oude giftige wortels los te snijden. De Heilige Voorzienigheid had hem als het ware persoonlijk op weg gestuurd. Hij ervoer het, sinds hij in de trein dat formidabele idee kreeg, al haast als een heilige missie die hij volhardend, trouw en vol geloof in zichzelf, volbrengen zou.
Als een overwinnaar marcheerde hij over het gehavende wegdek, hoog boven de Rijn, terwijl de wind vrij spel had in het stugge zwarte haar. Onderaan de ijzeren boogbrug koos hij ervoor rechtsaf te slaan en zo kwam hij al snel in een verrassend jonge woonwijk terecht. Laagbouw van rode en gele baksteen naast de uiterwaarden van de rivier, door een dijk gescheiden van het water. De eerste straat aan zijn rechterhand bestond uit nette aanééngeschakelde huizen. Het pand waar hij voor stond fascineerde hem direct. Aan de overkant kon hij nog net het straatnaambordje lezen, dat half achter een struik aan één schroef schuin tegen de woning hing.
De Katjesweg, gescheiden door een middenberm met kniehoog onkruid dat al jaren geen schoffel had gezien. Een schot in de roos, zong zijn avontuurlijke hart van blijdschap. Deze dag leek steeds meer door Zijn Heer te worden geregisseerd en toen hij echt goed keek voldeed het hoekpand werkelijk aan alle eisen. 

Het huis was wonderbaarlijk goed aan de bommen ontsnapt en, voor zover hij dat kon overzien, was er nagenoeg geen sprake van achterstallig onderhoud. Evenals de ernaast gelegen woning had het pand een nette voorgevel met ondiepe erker, die bij de rest van de woningen ontbrak. Het geheel zat strak in de groen-met-witte-glanslak, al was daar nu niet veel meer van te zien door het gruis dat zich er in de laatste jaren op had verzameld. Erneo was getraind, keek door dergelijk vuil heen. De beide woningen waren elkaars spiegelbeeld en groter dan de andere huizen in de straat, alsof ze waren bedoeld als statige ingang van de wijk. Ze hadden een sterke uitstraling en konden waarschijnlijk met weinig moeite tot winkelpand worden omgebouwd.
De voordeuren, pal naast elkaar, waren identiek en straalden beschaafde degelijkheid uit. Door de gescheurde vitrage zag hij dat ‘zijn pand’ werd bewoond. Het ander stond leeg, maar daar ging zijn hart niet naar uit. Wel keek hij daar door het erkerraam. In de relatief kleine voorkamer bewezen schuifdeuren dat er achter nog een ruimte was. Waarschijnlijk de slaapkamer. In gedachten brak Erneo die wand weg opdat hij daar in de toekomst óók zijn handel aan de man kon brengen.

Een paar deuren verderop slofte een oud manneke met hoed naar buiten om zijn te magere hondje uit te laten en Erneo sprak hem aan. In algemeen beschaafd Nederlands. Niemand mocht weten dat hij uit het Noorden kwam en hij informeerde quasi onverschillig of het fijn wonen was aan de zuidkant van de stad. Het smoezelige mijnheertje lichtte zijn hoed even op, stelde zich voor als Manus van Wilgen en maakte graag een praatje, zei hij. Al snel had Erneo uitgevogeld dat het hoekpand aan ene familie De Jong toe behoorde.

“Och zo zielig, mijnheer. Het zijn goedwillende jongelui en dan zulke grote zorgen.”
Erneo vroeg meelevend wat er zo meelijwekkend aan hen was.
“Ach mijnheer, ze kunnen amper het hoofd boven water houden en mijnheer, mijn naam is overigens van Wilgen, mijnheer... en hij, Bernhard de Jong bedoel ik, werkt zich een slag in de rondte, pakt alles aan wat hij krijgen kan, maar ach.” Erneo rook lont en vroeg belangstellend door.
“Het is vanwege de zorg voor hun kinderen, mijnheer. De dokterskosten, ziet u, die zijn torenhoog. Dat hen dat nou moest overkomen. Zulke kleine ukkies nog. Ze raakten net vóór de evacuatie door granaatsplinters gewond," leefde de tanige mijnheer van Wilgen met zijn jonge overbuurtjes mee. "Hen staat het water echt al maanden tot ver boven de lippen."
In Erneo’s lijf borrelde de ondernemingsgeest op als nooit te voren. Hij wist zijn opwinding meesterlijk te verbergen toen hij zei hen wellicht te kunnen helpen, omdat hij eventueel belangstelling had voor hun huis. Van Wilgen trok het uitgehongerde scharminkeltje mee en wilde mijnheer, "hoe was uw naam ook weer?", met alle liefde wel even aan de eigenaar voorstellen, zei hij en klepperde al aan de brievenbus voordat Erneo had kunnen knikken.
“De bel doet het niet, ziet u? Gejat... door de moffen.”
Erneo bleef bedeesd op afstand toekijken, kon niet te opdringerig lijken en het was bijna niet te geloven dat hij nog geen vijf uur, nadat hij thuis vertrok, met open armen door het jonge gezin werd ontvangen. Toen zij hoorden dat hij op zoek was naar een huis waren ze bij wijze van spreken als warme bijenwas in zijn korte onelegante handen.

“Mijnheer de Koning, u weet het niet, maar ziet u, u komt als geroepen. Een geschenk uit de hemel,” verzuchtte de nog piepjonge vader en uiteraard deed Erneo verbaasd, gematigd meelevend, terwijl hij in één oogopslag de situatie inschatte. Twee jongelui in nood, naiëf, amper vijfentwintig, zien enkel schulden die net als de kopzorgen ver boven hun hoofd groeien. Ze schamen zich voor hun armoe, zijn ten einde raad, hebben van doortrapte streken geen kaas gegeten. Dit is een kwestie van ijzer smeden als het heet was en daarna- hij wist nu al dat het lukken zou- wordt het eenvoudig niet te happig lijken, ook niet zeuren, maar wel doorpakken.

“Ik zal u helpen. Dit is geen leven. Het zou niet moeten mogen, twee zulke aardige jonge mensen en dan al, ja hoe zal ik het zeggen, zoveel ongeluk moeten doorstaan. Die arme ukkepukkies, nu al getekend voor het leven. Zij hebben het veel beter verdiend. Ik zal alles doen wat in mijn macht ligt om jullie te helpen, want dat zijn we bij ons in het noor-, ahum,  eh, van thuis uit zo gewend.” Het rolt over mijn lippen alsof God zelf het me influistert, dacht hij geamuseerd en ook wel trots dat de oorlog hem zoveel had geleerd wat niemand in de schoolbanken op zou kunnen steken. Hij telde in gedachten zijn zegeningen, bedankte De Heer voor zoveel hulp en zette hen niet eens onder druk, hoefde amper te sjoemelen aangezien hij contant betalen kon. Het was een verrassend makkelijke peulenschil om nog een flink bedrag van de toch al zeer redelijke vraagprijs af te pingelen.

Met de oude Manus en zijn hondje Mopsie als getuigen ondertekenden ze die namiddag het eigenhandig opgesteld document. Het stond bol van allemachtig veel indrukwekkend moeilijke woorden als was het door een echte jurist opgesteld.
“Alles is zo voorlopig netjes geregeld, zien jullie wel? Dat zullen we later bij een notaris officieel bezegelen, maar dan zijn we voor dit moment in één klap uit de brand, ”zei Erneo tevreden en stak zijn paperassen in de binnenzak, vouwde onverwachts zijn handen en bad deemoedig.
“Geloofd zij onzen genadige Heer, die hemel en aarde geschapen heeft. Laten we Hem danken dat Hij in al zijn goedertierenheid ons zo onverwacht samen heeft gebracht. Ik vraag U, mijn Heer en mijn God, help deze lieve mensen verder op hun zware levenspad.” 
Alle vier zeiden ze in koor als vanzelf  “amen” en Erneo leek de Barmhartige Samaritaan die hen gered had. De jongelui waren dankbaar, zeer inschikkelijk ook omdat hij hen in hun huis zou laten wonen totdat er iets passends geregeld was.
“Wij kunnen straks, aan het eind van de week waarschijnlijk, wel bij familie op de boerderij intrekken. Dat is tien kilometer stroomafwaarts, aan de Rijn, niet zo ver lopen als we de meubels moeten verhuizen en tot die tijd slapen wij wel boven bij de kinderen. Dan krijgt u ons bed in de achterkamer.” zei Bernhard de Jong en zijn jonge Nora beloofde dat mijnheer de Koning mee zou kunnen eten, “want, ach weet u, waar er vier weinig hebben kunnen we er ook wel voor vijf genoeg van maken.”
Die nacht lag de nieuwbakken huiseigenaar in het donker te gniffelen om zijn verdomd goede zakeninstinct en had het gevoel de hele wereld aan te kunnen. De volgende plannen waren al uitgeschreven in het kleine opschrijfblokje, dat hij al vanaf de middelbare school bij zich droeg. De toekomst was zeer overzichtelijk.

Vervolg

Reacties (11) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Het begint steeds interessanter te worden. Wat ik er van vind bewaar ik voor later. Gauw naar het volgende deel...
wat erg .. misbruik maken van andermans miserie!
wat een ellendige man!
Je hebt het voorproefje van twintig jaar later al gehad, maar nu zie je hoe hij het aanpakt...
Inderdaad doet dit verhaal stukken minder mistig aan dan de vorige. Meer beschrijvingen die me enigszins wat laten zien.
Ik blijf me verwonderen over Erneo, absoluut niet de aardigste. Waar komt die manie voor sjoemelen vandaan?
Ik weet wel nog niet waar dit verhaal heen moet, maar dit is, zoals je me hebt uitgelegd, een flashback en dat verklaart veel.

Ben benieuwd hoe hij het verder rooit.
In het eerste deel, wat op jou wat mistig overkwam, wordt uitgelegd dat sjoemelen in de oorlog door de vingers werd gezien omdat men uiteraard soms wel eens op slinkse wijze iets voor elkaar moest krijgen.
Dat klopt, maar dat verklaart zijn manie nog niet helemaal. Het is immers vredestijd. Maar wellicht is dat in een eerder deel gebeurd.
Hij is de zoon van een volle neef en nicht, dat wil nog wel eens hier of daar een defect opleveren... en hij is intelligent, maar sociaal ( zoals medeleven of een geweten?) zou ik het een wrak noemen
Ik begin steeds meer een hekel aan hem te krijgen. Eerst pikt hij het geld van zijn broer en zus en nu bedonderd hij ook nog deze arme jongelui.
Ja, hij ging thuis voor intelligent, maar dat hij sociaal achterbleef heeft niemand toen gezien en je weet, een geweten is een sociaal element wat ons de mogelijkheid geeft aardig en begripvol te reageren...
Mooi dit in kijkje in Erneo, hij wordt er niet aardiger van.
Hij blijft gewoon in het gesjoemel tijdens de oorlog hangen, let maar op....hij hoopte zo op een nieuwe toekomst, maar ach gossie...