IJsvijvers en bloedoffers

Door Weltevree gepubliceerd op Saturday 10 May 12:57

Kijkend naar de plek naast het grote wiel waar het heel schemerig was, zag hij niets dat leek op Nico, Bert stuntelde ruggelings met de fiets bij de mensen vandaan. Heel even bekeek hij het donkergroen geverfde ijzeren hek en liet toen zijn Gazelle met schooltas op de bagagedrager er tegenaan vallen. Verstomd leunde hij achterover. Zijn hoofd bonkte alsof er een grote trom in zat en zijn achterhoofd raakte net de vergulde punten van de omheining, die perfect bij de grote Art-Deco villa paste waarmee de Apeldoornseweg bezaaid was. Van opwinding- straks thuis breed uitmeten wat hij had gezien- was niets meer over. Een leegte en onpeilbare diepte holde zijn maag uit en hij concentreerde zich erop dat hij vanaf de nieuwe plek het gehel veel beter overzag,  Alsof hij er volgende week een spreekbeurt over houden moest. Alweer zoiets dat hij niet kon.

Bert stelde zich voor dat hij als reporter voor de radio werkte en nam de huilende chauffeur in zich op, registreerde dat de man lijkbleek was en totaal doorweekt, terwijl het al een week niet geregend had. Hij keek naast de politieman verwilderd  om zich heen, terwijl de agent zijn versie van het ongeluk uit hem probeerde te trekken. Verder dan onsamenhangend stamelen kwam de man niet. Bert verstond er wel flarden van. “Ik heb niets gezien, echt niet. U moet me geloven." Hij vond het jammer dat hij er geen microfoon bij kon houden. "Ik heb gevoeld dat ik ergens overheen reed. Niets gezien, echt niet, u moet me… Ik heb meteen geremd, dacht misschien was het een hond.“

Het onwaarschijnlijke gevoel dat hij een hoofdprijs gewonnen had sloop naar binnen. Bert fantaseerde dat hij moederziel alleen in de bioscoop zat waar een spannende thriller draaide, die hij als winnaar het eerst van heel Nederland mocht zien. Hij bekeek de enge scene alsof het zich op honderd meter afstand van hem afspeelde, terwijl hij maar enkele stappen had hoeven zetten om de chauffeur aan te raken. Ik moet alles heel goed in me opnemen, voor als Nico, hoe irritant is dat toch altijd, alle details moet horen, dacht Bert, maar óók daarin faalde hij.

Hij kon het niet opbrengen om toe te kijken hoe men heel voorzichtig dat onherkenbare vormeloze met zijn broertjes jas aan onder het wiel vandaan probeerde te trekken. De zinnen, die hij van de sigarettenverkopen had gehoord, schoten als bliksemschichten door zijn hoofd. Moordend schuldgevoel dat nergens houvast leek te kunnen vinden veranderde hem in een stijve plank en hij moest plotseling heel nodig naar de wc. Stokstijf stond hij met samen geknepen knieën zijn plas op te houden, zag hoe men de brancard meteen met de paardendeken afdekte en heel behoedzaam die witte laadbak inschoof. Alles in slow motion. Dat vond hij op tv altijd heel interessant. Twee politiemannen kwamen langzaam aanlopen met juten zakken… de achterdeur van ambulance werd heel voorzichtig, zonder geluid dicht gedrukt. Kennelijk wilden ze geen gerucht maken? Men zette de sirene niet aan en reed stapvoets weg. Nico had natuurlijk rust nodig, tot ze in het ziekenhuis hadden geconstateerd dat het allemaal reuze meeviel, toch?

De vrachtwagen met het bruine dekzeil had een aanhanger die door het harde remmen was gaan scharen. Een fotograaf met politielogo op de borst maakte foto’s van de sporen op de weg. Het fototoestel had Bert nog nooit eerder gezien. Het had twee lenzen en een uitklapbaar bovenstuk waarin de man keek. Hij probeerde het merk te onthouden. De politiefotograaf stond nogal ver weg, maar Bert had zeer goede ogen en las iets dat leek op Yasshica.  Ineens werden zijn ogen naar meter rechts van hem getrokken. Hij schrok van de hoeveelheid bloed die traag naar de goot liep, fel rood afstak tegen de blauwgrijze klinkers. Een van de agenten opende de zak. Het was heel fijn wit zand. Hetzelfde soort dat de buurman onderin de kanariekooi legde. Had Nico het in zijn broek gedaan? Met een brede zaaibeweging gooide de man er een dikke laag van over dat glimmende rood. Alsof zijn bloed begraven wordt, dacht Bert met een wee gevoel en toen was de film voorbij. De groep mensen was inmiddels tot een menigte uitgegroeid en loste vrij snel op. Men liep fluisterend in twee- of drietallen alle kanten uit.

“Die arme man. Kon er niets aan doen, is er gewoon overheen gereden. Op slag dood. Twaalf, ouder was die knul niet. Zag je dat, naast dat wiel? Ze hebben het opgeveegd, meegenomen,  maar volgens mij waren het hersens,” fluisterde iemand van een druk gesticulerend stel dat vlak langs Bert naar beneden liep. Ineens was het of de duivel hem op de hielen zat. Hij wilde weg, maar niet naar huis.

“Zeg slungel, maak dat je wegkomt, zo leuk is het niet dat je alles tot in de finesses moet volgen. Scheer je weg, vlegel!” baste de agent die hem ruw bij zijn schouder pakte en hem bijna tegen de grond kwakte. Het was of Bert wakker werd. Zonder de man een blik waardig te keuren griste hij de fiets en sprong erop om er als een bezetene vandoor te gaan. De rest van de heuvel was maar kort, maar hij vloog toch snoeihard onder het spoorwegviadust beneden door, waar nu nog maar aan één kant verkeer de Apeldoornseweg op kon rijden. Op slag dood, Nee, nee. Op slag dood, neehee, op slag, Dood, dood, draaide de woorden gelijk met de trappers mee. Als een wielrenner voorover gebogen sjeesde hij langs het bekende Music Sacrum en mistte op een haar na de trolley ,die hem geruisloos van rechts naderde. Hij vloog over het Singel richting de brug , waar de oorlog verloren was. Al wat hij probeerde was zijn jagende angst voorblijven, want als hij snel was, dan… dan. Het was alsof al zijn stripvrienden hem op de hielen zaten, riepen dat hij blij moest zijn, zijn zin had gekregen, eindelijk. Alleen, alleen, eindelijk alleen, hoorde hij bij elke trap, alleen, alleen. De oprit van de Rijnbrug leek steiler dan anders en middenop hijgde hij zijn longen uit het lijf, dacht dat zijn hart zou begeven en plotseling vroeg hij zich af of zijn ouders al op de hoogte waren. Het idee dat hij het hen vertellen moest stak als een speer door zijn ziel en ineens greep hij zich in een opwelling aan de reling vast en stopte. Hij gooide de fiets aan de kant en kotste over de reling. Zijn maag brandde, de slokdarm leek binnenstebuiten te keren en ineens durfde hij niet meer verder, daar midden op die brug te ver. Het idee om over het hek te klimmen en zichzelf naar beneden te laten vallen was het beste dat hij in jaren had gehad. Hij keek leeggekost in het kolkende bruine water, zo diep beneden hem. Even, tien seconden misschien, was het een fijn idee om nooit meer last van dat strontvervelende jong te hebben, maar de vreselijke gedachte maakte vrijwel meteen plaats voor schaamte . Was was hij voor een mens? Was hij nog wel normaal? Het was enkel hoogtevrees die hem ervan weerhield te springen. Hij berekende, hoopte, bad, dat de politie zijn ouders inmiddels had ingelicht, maar hij had onderweg  geen politiewagen gezien die de brug overstak. 

Vervolg

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.

Reacties (6) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
verdorie Dora .. wat een beklevend verhaal!
Indringend verhaal!
Steengoed
Omdat ik zijn fietsroute ken, maakt het deze scène voor mij extra levend. Het is heel lastig om alle mogelijke gedachtenflitsen en emoties die je op zo'n moment zou kunnen voelen weer te geven, maar het lukt je verrekte goed, op een natuurlijke manier. Knap stuk!
Dank je wel...
Woonde er tot mijn twaalfde vlak in de buurt, hoorde het verhaal op mijn zeventiende...
Het blijft mooi om te volgen.