Puberale Fantasy

Door Gildor Inglorious gepubliceerd op Saturday 03 May 17:38

 

Een Fantasyverhaal waaraan ik begon toen ik 14 was. Ik werd even erg fanatiek op mijn 19e en schreef op mijn 21e een deel van het eerste hoofdstuk. En toen bleef het dertig jaar stof vergaren.



Ik ben de God van mijn eigen werelden

Het leek me zo mooi, toen ik een tiener was. Net als Tolkien een compleet nieuwe wereld scheppen. Al vanaf de kleuterschool verzon ik verhaaltjes die ik vaak voor de klas mocht vertellen. Alleen, opschrijven vond ik erg moeilijk; het kwam er nooit uit zoals ik het in mijn hoofd had. Toen ik 14 was ontstond er een idee in mijn hoofd voor een uitgebreide Fantasyroman. Ik heb een aantal tekeningen gemaakt, landkaarten verzonnen, plaatsnamen, namen van personages en historische figuren. Ik begon zelfs aan een eigen taal. Allemaal puur intuïtief, zonder systematiek. Toen ik 17 was heb ik een aantal hoofdstukken geschreven. Ik ging studeren in Utrecht en op mijn 19e las ik de hoofdstukken, tot mijn verbijstering en schaamte, nog eens. Dit was niks. Vreselijk slecht geschreven. Dat kon beter en het moest ook beter. Ik begon met een uittreksel van het hele verhaal, maakte talloze aantekeningen, maar écht schrijven, dat was nog een brug te ver. Ik voelde, weer intuïtief, dat ik niet over mensen kon schrijven, ook al waren ze fictief, als ik mensen niet beter begreep. En dat was al moeilijk genoeg. Bovendien had ik iets te veel verhalen verslonden van mensen die wél konden schrijven. Dat kon ik nooit evenaren, hoe graag ik het ook wilde. 

Ik zat 's ochtends op de kamer van mijn vriendinnetje. Zij moest hard leren voor een tentamen, ik niet. Haar suggestie: schrijf dan dat eerste hoofdstuk helemaal opnieuw. Zie maar waar je uitkomt. Ik ben tot halverwege dat hoofdstuk gekomen.

Vervolgens bleef het verhaal maar liefst dertig jaar onaangeroerd. Als ik er aan dacht, realiseerde ik me dat ik het hele plot om moest gooien. Ik had namelijk alle Fantasyclichés gebruikt en dat kon écht niet meer. En in mijn dagelijkse leven had ik al mijn jongensdromen toch al begraven.
Ik heb het eerste deel van hoofdstuk 1 teruggevonden, met alle aantekeningen. Nu zet ik het online. Waarom? 

  • Omdat ik wil zien "hoe het staat";
  • Omdat ik wil zien hoe mijn schrijfstijl veranderd is;
  • Omdat ik wil zien wat er nog steeds hetzelfde is;
  • Omdat het dan 'out in the open' is en ik een stok achter de deur wel kan gebruiken;
  • Omdat ik Plazilla sowieso als mijn archief gebruik;
  • Omdat ik zin heb om te lachen, ook en vooral om mezelf;
  • Omdat ik nog steeds van die wereld hou, ook al weet ik niet wat ik met het verhaal aan moet.

Weinig plaatjes, veel tekst dit keer. Ik heb nu andere verhalen in mijn hoofd. Veel ideëen vechten in mijn hoofd om aandacht. ik ben de god van mijn eigen werelden, maar ik ben niet de Ultieme Mustitasker die Hij wel is. Ik ben maar een mens die van plan is om ooit verder te scheppen aan zijn wereldje, maar nog niet weet wanneer en hoe.

Hoofdstuk 1

Het liep tegen het einde van een uitermate mistige dag. De gehele dag waren hier bij de Oosterpoort grote hoeveelheden reizigers aangekomen, zonder oponthoud opdoemend uit de dichte mist. Een mist die nu al twee dagen lang een sluier van klamheid over de stad had gedrapeerd. De sfeer die nu in Wanta te proeven was, had iets paradoxaals. Aan de ene kant was er het sombere, klamme en enigszins onheilspellende dat samengaat met dichte mist. Aan de andere kant de koortsachtige activiteit van een stad dat de volgende ochtend in al zijn hevigheid het grootste festijn van het jaar ging herbergen. De levendigheid en vreugde dat het op handen zijnde feest veroorzaakte, stond in schril contrast met het doodse gevoel van die alles afsluitende mist, althans, dat was de mening van de poortwachter. Alles om hem heen was opgeslokt door die muur van grijze vochtigheid, slechts zijn Poort, de Poort van de Taraman, was het enige dat nog realiteit bezat. Van de grote Oosterweg die van hieruit langs de zuidzijde van de Taraman liep, was slechts een tiental meters te zien. De machtige muren aan weerskanten van de Poort vervaagden en werden verhuld door het mistgordijn.

Huiverend trok hij zijn inmiddels met vocht verzadigde mantel dicht om zich heen. Nog een heel uur en dan zou hij mogen uitrusten tot een uur voor het ochtendgloren. Hij stond hier nu al vijf uur volgens zijn schatting. Het feit dat de zon zich de hele dag niet had laten zien was voor de poortwachter geen beletsel om te weten hoe lang hij al dienst had. Integendeel, hij ging er prat op dat hij altijd een juiste schatting kon maken van de verstreken tijd. Hij zou zich nooit illusies maken over zijn nog te volbrengen wachttijd. In de twee jaar dat hij nu als poortwachter dienst deed had hij een welhaast perfect tijdsgevoel ontwikkeld. Voor hem niet meer dan normaal. Hij was immers een deel van de muren van Wanta, die al zovele eeuwen aanschouwd hadden met de kalme onverstoordheid van bergen, bestemd om tot het einde der tijden te blijven staan. Wat was een mens toch een eendagsvlieg voor die muren. Was het dan niet logisch dat tijd voor de mens een zo ongrijpbaar iets was? Maar wanneer de poortwachter dienst deed, was het alsof de eeuwigheid van de stad hem als een zachte bries omstroomde en hem een deel van haar maakte. Een immens gevoel van trots kwam dan over hem. Hij voelde trots voor zijn beroep, zijn Poort, zijn Wanta, zijn hele land Dermay en diens volk en alles waarnaar ze streefden. Zeker op dit moment, de dag voor het grote Dermayani-festival. Morgen was de dag dat, vele eeuwen geleden, de barbaren van het Noorden door de machtige Ochtar verpletterend verslagen werden en Dermay gesticht werd, het lichtend voorbeeld voor het mensdom.

De poortwachter glimlachte. Hij zag het al helemaal voor zich. Een uur voor zonsopgang zouden hij en alle andere poortwachters in vol ornaat de Poorten sluiten en op de stadsmuren boven de Poorten geknield in oostelijke richting kijken. En dan zou de zon in al haar stralende glorie oprijzen boven de Taraman – als die vervloekte mist maar verdween gedurende de nacht – en haar eerste stralen zouden door het bovenste raam van de Zonnetempel dringen en het Zwaard van Ochtar doen opvlammen. Dan zou het festival beginnen en tevens het nieuwe jaar.

Wat hem nog steeds verbaasde, hoewel hij toch al heel wat festivals had meegemaakt, was die enorme stroom reizigers, die in één week tijd het aantal inwoners van de stad verachtvoudigde. Van alle delen van Dermay kwamen ze naar de hoofdstad, van de woeste kuststreken van Alkart; van de vlakten van Zuid-Dermay, waar de grote kuddes caratcho’s gefokt werden, onder de eeuwig huilende steppenwind. Uit de uitgestrekte naaldbossen van het Noorden; uit de onherbergzame bergstreek van Nonen, waar de bergbarbaren leefden, vlak tegen de grens met het verdorven rijk Vontala. En uiteraard kwamen er ook veel uit het buurland Terpallen, de staat van de kooplieden. Er waren onder de reizigers inderdaad veel kooplieden, speciaal gekomen om in een week tijd zoveel mogelijk waar om te zetten. De meesten waren al een week geleden gearriveerd. Het grootste gedeelte van hen kampeerde buiten de stadsmuren; er was doodeenvoudig niet genoeg plaats voor al die kramen en karren in de toch al zo drukke straten van Wanta. Wie het eerst komt, eerst maalt en bovendien zorgde het Stadsgilde van Handelaars er wel voor dat zij de beste plekken bezet hadden, vlak nadat officieel toestemming verleend was om markten op te zetten. Dat was traditioneel een moment van opperste paraatheid voor de Stadsordetroepen. Straten en pleinen raakten verstopt met karren van kooplieden, overal brak ruzie uit tussen de handelaren, die soms zelfs ontaardden in serieuze en grimmige vechtpartijen. De ordetroepen grepen dan onmiddellijk en met harde hand in. Ordeverstoringen werden in Wanta altijd streng bestraft. Men kon zich niet veroorloven dat in een sterk overbevolkte stad zich chaotische situaties voor gingen doen. De slimste en gelukkigste kooplieden kregen uiteindelijk hun plaats binnen de muren en waren verzekerd van grote inkomsten. Voor sommige kooplieden betekende het festival de helft van hun jaaromzet.

De poortwachter betastte met een blik van voldoening zijn met mooie stenen bezette dolk, die hij gisteren had gekocht van een Terpalleense wapensmid, uiteraard voor minder dan de helft van de door de koopman voorgestelde prijs.

Het aantal kooplieden was echter niets vergeleken met de overige reizigers. Deze kwamen niet alleen voor de grote jaarmarkten, maar toch zeker ook voor alle bezienswaardigheden op het festival. De gelukkigsten zouden de toeschouwers kunnen zijn van de Grote Ceremonie, de plechtige viering door het Hof en alle edellieden en hoogwaardigheidsbekleders uit het hele land. Ieder hoofd van elke stad of dorp in Dermay zou aanwezig zijn en de belofte van trouw en strijdbaarheid hernieuwen aan het volk van Dermay en aan haar heerser, Sidon Olidorm. Vevolgens zouden Dermo Dextion en de acht Dalmi van de acht Dali hun leven aanbieden aan Olidorm als teken van hun onvoorwaardelijke trouw aan het gezag van de Sidon. Hij zou ze het teruggeven onder de voorwaarde dat ze hun leven nog een jaar in dienst zouden stellen van de verdediging van het land. Hierna zou Dextion namens het gehele leger de belofte van trouw afleggen aan het volk en haar Sidon. De rest van de dag zouden overal in de stad zang- en toneelgezelschappen de beproevingen en daden van het Dermayaanse volk bezigen of uitbeelden. Dansgroepen zouden wervelende schouwspelen verzorgen, maar de grootste aandacht zou toch uitgaan naar de Grote Toernooien. Op het Plein van de Overwinning zouden de beste strijders van de acht Dali hun krachten en vaardigheden meten. Iedere Dal probeerde zoveel mogelijk eerbewijzen in de wacht te slepen en zijn aanzien te vergroten. Vaak hing een eervolle opdracht voor een groot deel af van de successen die de beste strijders voor hun Dal behaalden. Voor de individuele strijders bestond de grote kans dat ze terechtkwamen in de Elitetroepen van verschillende edellieden, met als beroemdste uiteraard de Paleiswacht.

De poortwachter dacht aan die tijd, twee jaar geleden, dat hij toen nog als Sumo in de zesde Dal, door wist te dringen tot de laatste twintig lansvechters, wat hem een plaats bij de Poortwachters had opgeleverd. Hij herinnerde zich nog zijn opwinding toen hij voor Wondil moest verschijnen, die naast de Paleiswacht ook de Poortwachters onder zijn hoede had. Wondil had zijn wapenfeiten geprezen en hem vervolgens zijn plaats onder de Oosterpoort gegeven.

De aandacht van de poortwachter werd getrokken door een gedaante die op een tiental meters afstand stil was blijven staan. Hij zag vaag de omtrekken van een man, gezeten op een caratcho, wiens snuit een grote wolk damp uitblies. Toen het dier zich in beweging zette, zag hij dat de ruiter een Nonena was, een bergbarbaar uit Nonen. Hij beval hem halt te houden. Zoals de meeste inwoners van Wanta voelde hij een sterk wantrouwen jegens dit volk. Natuurlijk wist hij dat er nergens in Dermay zulke goede jagers waren als in Nonen. Ook als krijgers waren ze beslist uitstekend, dat wist hij nog uit zijn jaren in de zesde Dal. Maar toch, ondanks het feit dat ze nu tot hetzelfde land behoorden, bleef de herinnering aan vroegere oorlogen nog voortleven. Bovendien, kon een volk dat zo dicht bij het verboden rijk Vontala leefde wel helemaal vertrouwd worden? Magie was overal in Dermay uitgebannen, maar toch waren er nog geruchten dat in Nonen nog steeds beoefenaars van deze verboden kunst leefden.

Nu kon de poortwachter de man goed zien. Hij was nog jong, ongeveer 23 jaar. Hij had lang, golvend blond haar en een ruwe baard van enkele dagen. Zijn grote bruine ogen keken de poortwachter licht geamuseerd aan. Zijn licht opgekrulde lippen versterkten dit nog. Hij had uitstekende jukbeenderen, waarvan een ontsierd was door een diep liggend litteken. Hij droeg de gebruikelijke uitrusting van een Nonena-jager. Een tuniek van donkerbruin leer en hoge laarzen. Aan zijn zadel had hij een lange boog bevestigd en een koker met pijlen. Aan een brede riem om zijn middel hingen zijn zwaard en zijn vilmes. Over zijn schouders gedrapeerd hing een mantel van wit nageronbont. Aan de lange bovenliplellen te zien had de caratcho zijn beste dagen gehad.

“Heb je onderdak in de stad?”, vroeg de poortwachter koel, terwijl hij de bergbarbaar minzaam bekeek.
“Nog niet.”, luidde het antwoord. “Er is mij verteld dat er in de Nonena-wijk wel plaats te vinden is.”
De poortwachter voelde een lichte irritatie. Weer zo’n barbaar met weinig respect voor het gezag. In plaats van de ogen neer te slaan bleef de barbaar hem recht in de ogen aankijken.
“Heb je een verkoopakte? In dat geval ben je te laat en kan ik je niet meer toelaten.”
“Ik ben geen koopman”, klonk het geruststellend, wat de poortwachter kwaad maakte. De onbeschaamdheid om hem op die manier toe te spreken! Hooghartig zei hij: “Als je voor middernacht geen onderkomen gevonden hebt, moet je de stad verlaten. We willen hier geen zwervers in Wanta. Rij maar door. De Nonena-wijk ligt rond de Terpenora.”

De jager reed door, met een grijns op zijn gelaat. Het was precies zoals hij verwacht had. Hoe verder hij van zijn geboortestreek af was, des te onvriendelijker werden de mensen. Nu reed hij onder de Oosterpoort en was hij voor het eerst van zijn leven in Wanta. Snel passeerde in zijn gedachten alles wat hij over de stad wist de revue. Wanta was een oude stad. Het was al sinds de stichting van de staat Dermay haar hoofdstad. Er waren zes toegangswegen tot de stad, de zes Poorten van Wanta, vier voor elke windrichting; de twee overige waren de Rivierpoorten, door welke de rivier Grolku de stad in het zuiden binnenstroomde en in het westen verliet. De Oosterpoort keek uit op de berg Taraman en heette daarom ook Poort van de Taraman. De stad was gebouwd op vijf heuvels. De grootste en belangrijkste was de Fuynora, met het Paleis van Sidon Olidorm, de villa’s van de edellieden, de Zonnetempel en nog enkele andere belangrijke gebouwen. Verder waren er de Myalnora, de Corynora, de Ortinora, waar de wijk van de soldaten lag en het Plein van de Overwinning. Tenslotte was er de Terpenora, waaromheen de armere wijken van Wanta lagen, waar veel Nonenai woonden. Naar deze laatste wijk zou hij gaan om onderdak te zoeken.

Turend door de mist probeerde hij zich een beeld te vormen.

 

En daar hield het dus op, dertig jaar geleden. Ik ben benieuwd of ik de komende tijd inspiratie krijg om hiermee verder te gaan, het compleet te herschrijven, het lef heb om het hele plot om te gooien of gewoon besluit om deze wereld in aanbouw te laten. De tijd zal het leren.
 

Reacties (32) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
ik heb het gelezen en af en toe moeten iets hernemen.
Er kwam zoveel op me af .. misschien ligt het aan mij?
En wie ben ik om kritiek te geven. Ik zou het zelf zo goed niet kunnen. En ik zou het ZEKER niet gekund hebben toen ik die leeftijd was.

Jij zou het waarschijnlijk nu ook anders schrijven?!
Je was toen al een 'talent!
Ik ben het met je criticasters eens, goed geschreven maar een lawine aan informatie waardoor het niet echt tot leven komt.
Maar wie ben ik? 25 jaar geleden (rekeninghoudend met het leeftijdsverschil tussen ons) schreef ik niet zo goed als jij op die leeftijd.
Ik moet zeggen dat ik erg blij ben met mijn criticasters, zeker nu ze mijn vermoeden bevestigen.
Wat jij over jezelf zegt, daar kan ik natuurlijk geen oordeel over vellen, maar ik neem aan dat jij dat wel kan.
En als ik dan kijk wat Neerpenner op zijn 18e al voor elkaar krijgt, nou, dan wordt dat nog wat!
Aan de andere kant, als "excuus" voor ons: in onze tijd bestond er nog geen Plazilla. Hij heeft natuurlijk veel meer kunnen oefenen! :P
Dit kan ik toch niet ongemerkt laten passeren. :)

Bedankt voor je lovende woorden, en, ja, het is waar dat dankzij mijn schrijftijd op Plazilla mijn schrijfsels erop vooruitgegaan zijn.
Volkomen mee eens. :) in die tijd had ik maar één bevooroordeelde fan, die alleen viel over mijn steevaste spelfouten. D.w.z. : ze heeft het er bijna ingeslagen dat het taFel is en niet taVel en AraBISCH in plaats van Arabiers :) Wat Neerpenner en Rose (laten we je muisgenote niet vergeten) betreft; ik mocht willen dat ik toen al zo goed schreef als die kibbelende muisjes
Het verhaal is goed, maar je schrijfstijl is door de jaren heen echt veel beter geworden. Je bent best wel veel bezig met de omgeving, de personen gaan niet echt voor me leven. Hoewel ik de passage met de dialoog met de poortwachter en de bergbarbaar wel heel goed vind.

Als je dit nu gaat herschrijven, denk ik dat je er iets heel moois van kunt maken.
Ik ben het helemaal met je eens. Ik ben ook erg blij met de opmerkingen van Thalmaray en zwagertje Neerpenner. Zij brachten onder woorden wat ik voelde maar niet duidelijk op mijn tong kreeg.
Zouden meer schrijvers moeten doen, iemand anders kritisch naar hun werk laten kijken. ;-)
ik leer van kritiek; ik weet dat ik blinde vlekken heb. Gelukkig minder dan dertig jaar geleden. :-)
;)

Ik vraag me wel af hoe ik het verhaal gelezen had als ik niet had geweten dat je dit dertig jaar geleden geschreven had. :)
Ja, dat is een hele goeie! Dat zullen we denk ik nooit weten.
En dit heb je dertig jaar geleden geschreven? Het zat er toen dus ook al in. Ik denk dat het idee meer dan de moeite waard is. Fantasy schrijven is zo gemakkelijk nog niet. Wij hebben ook verschillende werelden geschapen, met kaarten en al. Maar nu werkt dat niet meer. Alhoewel het verhaal van Sierra is er een deel van..
Ik hoop dat je hier toch mee verder gaat.
Fantasy is hartstikke moeilijk! Zeker als je clichés wilt vermijden.
Prachtig wat je vertelt, ik heb ook nog een aantal zelf ontworpen landkaarten.
Ik hoop dat je zus verder gaat met Sierra. Ik ga hier ooit mee verder. Sterker nog, ik kreeg ineens een ingeving voor een totaal ander einde. :-)
Wel, ik zou het moeilijk vinden om verder te lezen. Zoals Thalmary al opmerkte, krijg ik heleboel namen toegeslingerd waarbij ik me nauwelijks beelden kan vormen.

Maar er is nog een andere reden. Een verhaal draait voor mij rond karakters. Het zijn hun persoonlijkheden, hun problemen en dromen die het verhaal het zout in de pap geven. En hier zie ik weinig personages, op een poortwachter na, die verschrikkelijk veel mijmert over zijn land als je het mij vraagt :), en een mysterieuze vreemdeling waar ik haast niets van afweet.

Tja, dit doet me toch meer denken aan een geschiedenisles, om eerlijk te zijn.

Op een positieve noot: Je schrijft nu enorm beter. Vergelijk je Thalassa, maar eens met dit hoofdstuk. Je hebt dus grote vooruitgang geboekt. :)

En ergens troost dit mij. Ik heb toch al zo'n twee lijken in mijn bureaulade liggen, mij verwijten toefluisterend als ik aan een nieuw verhaal begin in plaats van hen af te schrijven. Wie weet wek ik ze ooit tot leven.
En ook troostend vanwege dat hoewel ik weleens tekortschiet in schrijven en nog weinig weet over verhalen, ik nog veel kan leren en dus beter worden. Ik hoef maar te kijken naar jouw vooruitgang.

Dus het heeft een grotere therapeutische waarde voor mij dan literaire, vrees ik. :)
Neerpennert, hoe lekker ongezouten jij je mening kan geven, ik vind het, zeker hier op de site, een enorme verfrissing!

Dit is ook niet een op zich staand kort verhaal (leuk dat Vlamingen daar één woord van hebben gemaakt, maar dit terzijde). De hoofdpersoon van het hele boek is dus die barbaar die zojuist de poort binnenreed. Die poortwachter is maar een bijfiguurtje. Maar dat kan ik alleen weten. ;-)

Ik hoop inderdaad dat mijn schrijfstijl vooruitgegaan is. Zelf vind ik het moeilijk om te beoordelen. Ik zie in dit hoofdstuk veel onnodige woorden en weinig ritme in de zinnen. Weinig afwisseling ook.

Het verhaal laat me nog niet los, maar of ik er verder mee ga en wanneer? Geen idee. Het oorspronkelijke plot heeft een aantal gruwelijke clichés (hou je goed vast!!)
- een vage Profetie in hoogdravende taal (maar deze is 100 % waar, want het is uitgesproken na het drinken van drakenbloed ;-) )
- een magisch zwaard
- een ellenlange tocht door verre landen
- een prinses die zo nodig gered moet worden
- een verzonken werelddeel
- een Grote Strijd tussen Goed en Kwaad
- een bijkans onsterfelijke Kwade Macht
- moet ik nog doorgaan?

Ik moet hier iets mee, maar ik weet nog niet wat. :-) Misschien blijft het een lijk in mijn Plazilla-archief, misschien weet ik het op welhaast goddelijke manier te herscheppen. Het begint me ook weer verwijtend toe te fluisteren, nadat het 30 jaar zijn kop heeft gehouden. ;-)
Het is gemakkelijker om kritiek te geven op andermans vroege werk dan op zijn huidige. :) Ik zou het juist leuk vinden als iemand mijn vroegere werk tot op de grond afbrandde, want dat kan alleen maar betekenen dat ik vooruit gegaan ben.

Ai, er komt dus eerst een ellenlange scéne met de mijmeringen van een bijfiguur voordat het hoofdfiguur ten tonele komt? Dan lijkt mij iets fout te zijn met de structuur. :)

Vertrouw me, je schrijfstijl is beter geworden. Die negentienjarige jij zou ik aangemoedigd hebben om te blijven oefenen, de huidige jou zou ik aanraden om een fantasy-roman te schrijven.

Clichés zijn niet erg. Het is hoe ze worden beschreven dat telt. Harry Potter heeft ook een profetie, een magisch zwaard, een Grote Strijd tussen Goed en Kwaad en Voldemort is toch tamelijk onsterfelijk. :)
Maar is het een clichématig verhaal? Nee, want Rowling heeft het op een andere wijze aangepakt. Door het bijvoorbeeld voor het grootste deel op een kostschool laten afspelen.

Ach, dat is misschien een goed teken. ;)
Dat vind ik een hele goede observatie van jou, wat je over Rowling zegt. Het is natuurlijk ook gewoon waar. Haar sterke punt vind ik de verwevenheid met "onze" wereld van Dreuzels die we nou eenmaal zijn.
ik ben de laatste tijd erg gecharmeerd van George RR Martin die in zijn boeken elk hoofdstuk vanuit de 'point of view' van een ander personage schrijft. Dan kan je leuke dingen doen met spanningsopbouw en de psychologie van je karakters mooi uitdiepen. Ik kreeg in elk geval sympathie voor de meeste figuren die ik in eerste instantie als 'slecht' beoordeelde ( Cersei en Jamie Lannister b.v.)

Het zou wat zijn zeg, een clubje Fantasy-afficionados van Plazilla die elkaars werk kritisch beoordeelt! Geeft weer een extra dimensie aan het schrijven hier.
Dat zou wel een interessant idee zijn. Maar ik denk dat het clubje daarvoor te klein is, met jij, ik, en de twee zussen Karazmin en Anerea. :)

Ik wou nog iets kwijt over jouw clichés. Een profetie die geheel waar is? Nou, dat is pas origineel. :)
Yep... ook ik wil meer ;-)
Ik heb al ergere debuten gelezen. Eén kritische opmerking, ik merk een overdaad van zelfverzonnen plaats- en eigennamen. In één zin kwam ik er vijf tegen, je nadruk op die fictieve omgeving is hier en daar te nadrukkelijk en leest eerder chaotisch. Als lezer heb je bijna geen tijd om de betekenis van de nieuwe woorden eigen te maken, vooral als er een opeenvolging komt zeer snel na elkaar. Maar dat zal wel ongeduld van de jeugd geweest zijn. Damn in een kritische bui blijkbaar.
Ben ik volkomen met je eens! In mijn hoofd mocht het dan al leven, maar een lezer moet je het gedoseerd voeren. Dat kunstje beheerste ik toen nog niet. :-)