Sprakeloos

Door Nicolettepietersen gepubliceerd op Wednesday 23 April 08:24

Mumbel skuk’ zegt Frits verwijtend, als hij ziet dat zijn broer nog een zesde pilsje neemt. ‘Flem muffel!’ , voegt hij er verwijtend aan toe. Het is duidelijk, dat hij uit zijn hum is en broer Karel zegt geruststellend: ‘Heus, ik kan wel wat hebben, nog eentje en we gaan terug naar het vakantiehuisje op de berg!’ Het is een steil en bochtig weggetje, er ligt veel sneeuw en helemaal gerust is hij er niet op. Nog eentje dan, boven is geen drank en dan zal hij weer goed voor zijn broertje gaan zorgen. Hij was liever met zijn vriendin op vakantie gegaan, maar ja: hij voelt zich verantwoordelijk voor dat joch. Zeker nadat hij een hersenbeschadiging heeft opgelopen en de woorden niet meer goed kan vinden, sinds hij hun auto om een boom heeft gevouwen na afloop van een jongerendisco vlak buiten het dorp.

‘U had veel te veel gedronken, die nacht!’stelde de rechter vast en Frits heeft instemmend geknikt en ‘skuk!’ geroepen. En nu zit Frits tegenover zijn broer, die vrolijk maar waterig uit zijn ogen begint te kijken. Boven hem ligt een donkere alp, vol bochtige weggetjes. Daar moeten ze overheen alvorens ze zullen arriveren bij de warme berghut. Een heel avontuur, beseft Frits: je kunt wegglijden, het diepe dal in. Of je kunt een stuurfout maken. Of…. je weet wel…. weer een boom tegen komen. En uit ervaring weet Frits dat bomen niet meegeven! Nee. …. Frits zou het geruststellender vinden als zijn broer nu maar op hield met die pilsjes. Maar Karel denkt er  blijkbaar anders over. Inmiddels staat het achtste pilsje voor hem en het lijkt wel of die waterige oogjes niet goed meer focussen…… ‘Ksssop’ zegt Frits en hij probeert streng naar Karel te kijken, zodat die begrijpt dat hij te ver gaat.

‘Ja jochie’ zegt Karel ‘ we zullen eens gaan. We gaan er een fijne vakantie van maken, broertje van me, je zal eens zien hoe gezellig het gaat worden!’

‘Muffel’ knikt Frits en hij grijnst.

Karel giet de laatste druppels uit zijn glas naar binnen en begint een speurtocht naar de autosleutels. ‘Verdorie, waar heb ik ze nou.’ moppert hij. Zonder iets te zeggen wijst Frits naar de bar…… daar…. achter dat bierglas……

‘Hebbesch’ lispelt Karel terwijl hij de sleutels pakt. Hij  slaat zijn arm om Frits heen ‘kom knul, we rijden naar de berghut. Ik weet de weg, hoor, ik ga er als een postduif op af!’

‘Aioei’ zegt Frits. Hij loopt aarzelend mee en merkt dat Karel niet recht loopt…. erger nog: hij slingert! Gelukkig heeft hij zijn arm nog steeds om Frits heen, zodat die hem steun kan geven. Met veel moeite krijgt Frits het zover dat ze zonder vallen bij de auto aankomen. Wiebelend staat Karel voor de autodeur en tracht de sleutel in het slot te krijgen.

‘Kssop’ zegt Frits en hij schudt hard van nee met zijn hoofd. Hij heeft inmiddels visioenen van die ene boom die onvermijdelijk op hem af kwam, jaren geleden, en wil dat niet weer meemaken.

‘Verdikkie, heb ik de verkweerde schleutels soms?’ lalt Karel ‘hij wil maar niet in het slot!’

‘Kssop, kssop’ Frits stampvoet nu om zijn mening kracht bij te zetten. Maar Karel is druk met de sleutel en de autodeur, die maar niet samen willen komen…… en let niet op zijn broer.

‘Zeg jochie, doe jij die schleutel er efen voor me in’ zegt Karel nu tegen Frits. Maar die schudt weer fanatiek ‘nee’ en stopt demonstratief zijn handen op de rug. Alle ellende die hem ten deel viel na de aanvaring met die boom komt weer in hem bovendrijven….. maanden ziekenhuis, met veel pijn en daarna een jaar revalidatiecentrum…. En toen kon hij wel weer lopen en bewegen maar tot op de dag van vandaag verstaat niemand hem en dat zal nooit veranderen. Dat weet Frits maar al te goed, aan zijn verstand mankeert niks en hij weet heel goed dat de woorden die uit zijn mond komen niet betekenen wat hij wil zeggen. Heel frustrerend is dat….. in het ‘gewone leven’ al, maar in een situatie als deze voelt hij dat dubbel zo sterk! Die stomme Karel, die met zijn zatte kop naar de hut wil rijden en hij, Frits, die maar niet duidelijk kan maken dat het zo niet moet!

‘Aha, toch de goeie schleutel….’ hoort hij Karel ineens  zeggen. De autodeur gaat met een ruk open en Karel valt letterlijk op de bestuurdersstoel. ‘Nou nog de schleutel in het kontakt’ probeert Karel duidelijkheid te scheppen. En ja hoor, na wat gemorrel start de auto.

‘Kom jochie, broertje….. stap in, we gaan. Ik weet de weg, hoor, wees maar niet bang.’ Wie probeert Karel nu eigenlijk gerust te stellen?

‘Flem muffel’ zegt Frits en blijft hoofdschuddend staan waar hij staat.

‘Kom nou’ zeurt Karel, terwijl hij probeert uit te vinden hoe je ook al weer de handrem los maakt. Als tot zijn benevelde brein doordringt dat Frits echt niet van plan is in te stappen wordt hij kwaad.

‘Stom joch, offer ik daar mijn vakantie met Trudie voor op? Stap in of ik ga alleen naar de berghut. Dan bekijk je het maar.’ En hij laat de motor dreigend ronken…..

Maar Frits is niet van plan toe te geven. Als hij ziet dat Karel weg wil rijden rukt hij de deur open en trekt aan Karels jas.’Muffel, muffel’ roept hij wanhopig….. ‘aioei flem.’

‘Ach man, zwam toch niet’ roept Karel kwaad, trekt de deur dicht  en scheurt met veel lawaai weg.

Met tranen in zijn ogen kijkt Frits de auto na. Als verlamd staat hij daar en kijkt naar de slingerende achterlichten. Als ze na de bocht in de weg uit het zicht verdwijnen komt hij tot leven en rent de bar weer in.

‘Mumbel skuk’ roept hij tegen de mensen aan de bar, terwijl hij wijst waar zijn broer heen ging. Er zitten drie mensen aan de bar, onbekenden die niet weten wat er met Frits aan de hand is. Ze kijken hem verbaasd aan, ‘wat zegt die nou?’

‘Aioei, skuk!’ probeert Frits de ernst van de situatie duidelijk te maken.

‘Waar hééft-ie het over?’ zegt één van de mensen tegen de barman.

‘Geen idee, hij was hier net met een andere vent. Die had nogal wat bier op toen ze weg gingen.’ zegt de barman, ‘die ander scheen hem wel te begrijpen, maar die is hier nu niet.’ En hij kijkt de zaak rond in de hoop Karel te zien.

Inmiddels heeft Frits in de gaten dat hij hier geen hulp hoeft te verwachten. Ze verstaan hem niet, dus moet hij het alleen oplossen. Hij rent naar buiten, er zit niks anders op dan maar te gaan lopen naar de berghut en hopen dat Karel daar veilig aangekomen is. Maar het is glad op de weg, bevroren sneeuw maakt zijn wandeling er niet eenvoudiger op. Glibberend en glijdend gaat hij verder, dankbaar voor alle training die hij tijdens zijn revalidatie heeft gehad, waardoor hij de conditie van een sporter heeft. Na een tijdje begint het ook nog te sneeuwen en wordt het steeds moeilijker om vooruit te komen. Frits ploetert verder, in zijn hoofd schreeuwt hij het uit: ‘nee, nee, Karel, niet tegen een boom!’  en ‘als-ie nou maar niet van de weg af raakt.’ Op de cadans van zijn angst glibbert hij door, als door een wonder blijft hij op de been en na een tijd, wat voor Frits úúúren lijkt,  ziet hij in de verte het buitenlichtje van het vakantiehuisje opdoemen. ‘Goddank’ denkt hij ‘daar is het, fijn dat we dat lichtje aangelaten hebben.’ Maar hierdoor is hij afgeleid en zet zijn voet niet goed neer, zijn been glijdt naar rechts, hij valt en maakt een enorme schuiver. Hij ziet de afgrond op zich af komen en graait om zich heen om houvast te vinden. Seconden lang glijdt hij door….. er is niks om te pakken, niks om zijn vaart te breken ……alle herinneringen aan ‘die boom’ komen in alle hevigheid op, de pijn van toen is weer voelbaar….. Frits gilt het uit…. En ineens ligt hij stil, hij realiseert zich dat hij niet van de weg af geraakt is en ook niet tegen een boom is opgebotst, even blijft hij als verdoofd liggen. Het is doodstil, hij hoort alleen zijn eigen gejaagde ademhaling. Voorzichtig probeert hij zijn armen en handen te bewegen, daarna zijn benen en voeten, alles doet nog wat hij wil….. hij tilt zijn hoofd even op en kijkt in het rond, hoe kwam hij nou stil te liggen? Frits gaat zitten en probeert rond te kijken, zijn nek doet zeer, zijn hoofd draait moeilijk en door de sneeuwval ziet hij weinig….. maar dáár vóór zijn voeten ligt iets op de grond. Iets waar hij tegenaan geschoven is en wat hem een val in de afgrond bespaard heeft…. Wat is dat? Hij schuift er op zijn billen naar toe en bekijkt het eens goed…. Verdraaid dat lijkt wel…. dat kan toch niet? O god, dat lijkt de bumper wel van Karel’s auto! Frits schuift de sneeuw ervan af en kijkt nog eens, ja hoor…. het klopt. Karel moet ergens tegenaan gereden zijn en hier de bumper verloren hebben. Het ding zit vastgeklemd achter een struik en heeft zo Frits voor wéér een ongeluk behoed. Terwijl Frits daar zit en nog eens in het rond kijkt ziet hij een schaduw tussen de sneeuwvlokken door. Behoedzaam gaat hij staan en glijdt onmiddellijk weer onderuit, door zijn eigen glijpartij heeft hij onder zich een soort ijsbaantje gemaakt. Maar wat staat daar nou? Op handen en knieen kruipt hij er naar toe en als hij er in de buurt komt staat zijn hart even stil! ‘Aaioe’ roept hij hard, daar ligt de auto van Karel….. op de zijkant. Frits kan de bestuurdersstoel niet zien, omdat de voorkant van de auto net boven de afgrond hangt, zit Karel er nog in of niet? Wanhopig kijkt Frits in het rond…. geen sterveling in de buurt, wie is er nu ook buiten met dit hondenweer!  Frits probeert weer in de auto te zoeken, maar zodra hij de auto aanraakt begint die gevaarlijk te wiebelen, alsof hij zo de afgrond in zal vallen! Van een veilige afstand bekijkt Frits de auto eens goed, de sneeuw rond de auto is hier en daar rood gekleurd….. bloed? Is Karel gewond? In paniek gaat Frits op de grond zitten met zijn hoofd in zijn handen….. angst om Karel en allerlei nare herinneringen tuimelen door zijn gedachten….. tranen lopen over zijn wangen. Na wat in zijn idee een eeuwigheid lijkt, kan hij zijn gedachten weer op een rijtje krijgen: misschien zit Karel nog wel in die auto, er moet dus hulp komen…. maar hoe? Naar het huisje en de alarmlijn bellen is zijn eerste gedachte, maar dan moet hij hier weg, weg bij die auto met Karel er nog in…. Dat kan toch niet? Maar toch moet het….. wanhopig roept hij: ‘aioei mumbel flem’ terwijl hij denkt: ‘hou vol Karel, ik haal hulp!’

En daar gaat Frits, dáár naar dát lichtje moet hij toe, vastberaden gaat hij op pad. Als hij eenmaal op weg is voelt hij een stekende pijn in zijn linker enkel…. ‘gekneusd zeker’ denkt hij. Zo goed en zo kwaad als het gaat ploetert hij door. In zichzelf herhalend dat hij  verder moet om voor Karel hulp te halen……. Hij móet de alarmlijn bellen en zeggen dat ze snel moeten komen…. zeggen? ….hij? ….  ‘Niet aan denken’ zegt hij tegen zichzelf, ‘eerst daar maar eens zien te komen .’

Eindelijk is hij er….. hij kan bijna geen stap meer doen van de pijn in zijn enkel, zijn hele lijf lijkt wel bevroren . Onhandig rommelt hij met de sleutel bij de deur…… maar die gaat al langzaam open als hij er tegen duwt.  Frits kijkt voorzichtig om de hoek, inbrekers? Maar nee…. kijk nou…. Op de bank ligt iemand, hij strompelt er naar toe…. Het is Karel…. Frits raakt hem aan, is het echt Karel? Hoe kan dat? Behalve een snee op zijn hoofd lijkt alles goed met hem. Door de aanraking komt Karel een beetje bij, hij pakt de hand van Frits en dan hoort Frits  hem zeggen: ‘Trudie? Wat ben ik blij dat ik je zie!’ Dan zakt Karel weer in een diepe roes, terwijl Frits sprakeloos naar hem blijft kijken.

 

 

 

 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.