Het Hemelse Café

Door Ambrozijn gepubliceerd op Tuesday 22 April 15:42

Mijn begrafenisstoet bewoog zich met waardige tred over het beregende plaveisel langs de Amstel. Het was het ideale begrafenisweer. De lucht was bezwangerd met de geur van nat gras, verse bloemen en doorweekte mensen. Ik voelde me vredig in mijn kist en luisterde naar het zachte tikken van de regendruppels op het houten deksel. De stoet hield stil en ik vermoedde dat we bij het kapelletje waren aangekomen. Ik hoorde het zachte snikken van een paar oude vrienden vlak achter de kist. Maar aan alles komt een eind. Ik had mijn eigen verscheiden zo goed mogelijk voorbereid.

Men had goed zijn best gedaan en een paar aardige speeches voorbereid. De muziek had het door mij beoogde resultaat. Men huilde tranen met tuiten. Langzaamaan begon ik me toch een beetje zenuwachtig te voelen. Wanneer was het eigenlijk gebruikelijk dat je het aardse lichaam zou verlaten? Ik zou toch niet tot in de eeuwigheid in een donker, nat gat te moeten vertoeven? Mijn hele leven had ik een duidelijk beeld van het leven na de dood voor ogen gehad. Het was daarbij echter wel noodzakelijk dat ik op een bepaald moment het aards vehikel zou verlaten. Het begon me inmiddels behoorlijk te irriteren dat ik helemaal niets kon bewegen. Ik lag daar maar en mijn gedachten gingen door.

De stoet zette zich weer in beweging en ik voelde hoe we naar buiten gingen. Ik had bij leven al een mooi plaatsje gereserveerd naast een stenen muurtje, in alle rust omgeven door een stel dat al meer dan een eeuw dood was. Met een kleine schok kwam de kist tot rust op de grond. Men manoeuvreerde hem geroutineerd naar het vers gedolven gat waar het met touwen naar beneden zou zakken. Het regenen was inmiddels gestopt. Ik begon ‘m te knijpen. Als mijn voorstelling van het hiernamaals nou maar niet één grote illusie zou blijken te zijn. Stel nou dat er tóch gewoon niets was. Het gekraak van de touwen klonk ineens nogal macaber. 

Het vredige gevoel was inmiddels compleet verdwenen. Oh! Als ik me nou maar een beetje bewegen kon. Dan kon ik op z'n minst wat akelige krabgeluiden maken aan de binnenkant van het deksel. Ik hoorde hoe schepjes donkere aarde naar beneden werden gegooid. Paniek sloeg toe! Toen voelde ik mezelf lichter worden. Steeds lichter. Mijn lichaam steeg en leek steeds dichter tegen de wit satijnen bekleding van het deksel aan te komen. Ik kon geen kant uit. Met een schok werd ik door het deksel heen geduwd en zag ik het prachtig blauwe, opgeklaarde firmament. 

Ik keek neer op de licht gebogen gestalten van buren, kennissen en vrienden die zich rond mijn graf hadden geschaard. Rondom het gat lag het bezaaid met kleurige bloemen. Ik voelde me doorstroomd van geluk. En zo zweefde ik enkele minuten gelukzalig rond mijn eigen situatie. Langzaam werd ik nu weg gezogen in een richting die ik onmogelijk kon definiëren als 'onder' of 'boven'. Steeds sneller ging het, als in een wervelstorm. Ineens was het stil. Ik smakte met een flinke klap op de grond. Wat verdwaasd keek ik om me heen. Ik bevond me in een reusachtige tuin waar het gras groener was dan ik ooit eerder had gezien. Uit onzichtbare boxen klonk klassieke muziek, waarschijnlijk Vivaldi, wat de tuin meteen een wat kitscherig imago gaf. Zoals de achtergrondmuziek die je wel hoorde als je boodschappen deed in de supermarkt.

Her en der stonden groepjes wat wazige, in het wit geklede figuren met elkaar te praten. Ze hadden geen van allen benen en zweefden zo maar een beetje boven de grond. Een paar ervan maakten zich los uit een groepje en zweefden op me af met uitgestrekte armen. Ik herkende in een flits mijn eigen ouders en een paar oude stapmaten. Het ontroerde me ongelooflijk mijn ouders na al die tijd weer te zien. En wat zagen ze er weer jong en gezond uit! Toen ik mijn oude stapmaten zag, schoot ik in de lach. Ik kende ze alleen maar in oude spijkerbroeken en leren jasjes en nu bleken ze hier in één of ander wit Jezusgewaad rond te kachelen. 'Nee, jullie zien er lekker uit zeg! Hebben ze hier geen kledingzaken of zo?' Ze antwoordden niet, maar keken me spottend aan. Ik volgde hun blik en zag dat ik zelf óók in zo'n vaag kloffie was gehuld. Nee hè!

Hoe kon dat? Ik had toch duidelijke instructies achtergelaten over het kledingprotocol na mijn dood. Hadden ze dat in de wind geslagen en me tóch in zo achterlijk dodenhemd gehesen?

Eindelijk zei één van hen wat; 'hier zijn wij allen gelijk'.

Nee, dáár was ik blij mee. Reis ik me in één of andere wervelstorm het schompes, kom ik erachter dat alle, door mij zorgvuldig aangeleerde omgangsvormen en kledingcodes niet meer golden. Lekker vaag.

Mijn ouders gingen ervan tussen en zeiden dat ze me later wel weer zouden zien. Mijn vrienden en ik zochten een afgelegen bosje op om een beetje bij te praten. Het was bijzonder gezellig en ik voelde me alweer helemaal gelukkig. Dood-zijn was toch minder erg dan men op aarde altijd dacht. En al helemaal niet pijnlijk.

Het enige dat me wel een beetje irriteerde, waren die meeuwen die steeds rakelings over- en langs ons heen scheerden. Luid fladderend en krijsend baanden ze zich een weg door het luchtruim. Toen ik er tegenover mijn vrienden een opmerking over maakte, begonnen ze te lachen en informeerden me dat het hier geen meeuwen maar engelen betrof. Mijn mond viel open. Het was dus tóch waar! Engelen waren helemaal niet verzonnen! Misschien bestonden kabouters en trollen dan ook wel.

Al dat geouwehoer had me een danig droge keel bezorgd en ik vroeg of er niet ergens een cafeetje was waar we gezamenlijk onze dorst op ouderwets gepaste wijze konden lessen. Op mijn vraag betrokken hun gezichten. 'Nee, dat is eigenlijk het enige dat we hier missen.' Ik voelde mijn maag samentrekken. Hoezo geen kroeg! Wat nu? Er was van alles, zo vertelden ze me; een culturele ruimte, coffeeshops, een bibliotheek, theater, een zwembad en diverse esoterische workshops die je kon volgen, maar géén kroeg.

Het bleek al tegen zessen te lopen en we moesten ons haasten naar de Centrale Ruimte waar Jezus zou spreken. Het bleek een gigantische hal te zijn waarin zich al duizenden onstoffelijken bevonden. Engelen stonden aan de zijkant een beetje met elkaar te smoezen. Jezus bleek fantastisch! Hij had een enorm charismatisch voorkomen, compleet met baard en felblauwe ogen en had overduidelijk een geweldige copywriter in dienst, want de pakkende onliners vlogen ons om de oren. Hij had het over 'liefde', 'universele kennis' en hoe we ons best moesten doen het één en ander op subtiele wijze door te geven aan de aardbewoners in de hoop dat ze misschien bij leven al zouden gaan begrijpen waar het nou eigenlijk om draaide. Hij leek me een toffe peer. Wel wat naïef misschien… 

Aan het einde van zijn redevoering was er gelegenheid tot het stellen van vragen. De één na de andere stelde een intelligente of spirituele vraag. Het leek wel een cursus filosofie. Toen besloot ik mijn brandende vraag te stellen, ook al wist ik dat die niet uitblonk door intelligentie of spiritualiteit; 'waarom hebben we hier geen kroeg?' Het viel volledig stil in de hal en iedereen keek in mijn richting. Vanuit mijn ooghoek zag ik mijn vader beschaamd naar de grond staren.

Jezus schraapte zijn keel. 'Tja, het is eigenlijk voor het eerst in tweeduizend jaar dat iemand deze vraag aan mij stelt en een direct antwoord kan ik hier niet op geven. Ik zal erover na moeten denken en ik kom er nog op terug.' Druk gebarend en discussierend dromde de menigte de Centrale Hal uit. Mijn vraag had toch het één en ander los gemaakt…

Na vier dagen arriveerde er een drankvergunning over de post. Er zat een briefje bij met weinig woorden; 'Succes ermee! Jezus.'

Mijn vrienden wachtten me al op en in de daaropvolgende weken waren we dag en nacht bezig met je opbouw van onze hemelse kroeg. We hadden ook al een naam; Café 'Den Gevleugelde Vrienden'. Na drie weken was hij af en onder grote belangstelling van onstoffelijken en engelen knipte mijn moeder een lintje door.

Het liep storm. Het was hard werken, maar er hing een goede sfeer en er waren eigenlijk nooit vechtpartijtjes. Maar na een week of drie begon de belangstelling een beetje af te nemen. De onstoffelijken verkozen toch liever spirituele verdieping in één van de coffee- of workshops.

Het zat wel altijd stampvol met engelen die en met enige regelmaat met hun grote vleugels nogal irritant alle glazen van de tafeltjes veegden. Ze hadden er nogal lol in blijkbaar, want ik kreeg een vast ploegje klanten dat 's morgens rond 10.00 uur al bij de deur stond te wachten en pas 's avonds tegen sluitingstijd de deur uit waggelde. Afgezien van het gigantische aantal gebroken glazen, had ik geen problemen met de engelen. Ze hadden gevoel voor humor en hielden van een gebbetje op z'n tijd.

Maar toen kwamen de eerste klachten binnen. Het bleek dat een aantal engelen 's morgens, na sluitingstijd van het hemelse café, afdaalde naar de aarde op zoek naar afterparty's. Ze wilden méér. En wanneer ze eenmaal lam waren, kon het ze allemaal niet meer schelen. Ze misdroegen zich en hielden wedstrijdjes slalom- en hoogvliegen. Twee waren er frontaal tegen elektriciteitsmasten aangevlogen, ééntjes was dwars door het raam van een respectabel, slapend gezin gevlogen en een andere werd vleugellam in een greppel aangetroffen.

Ik kreeg hoog bezoek. Jezus kwam me persoonlijk vertellen dat hij klachten had ontvangen van de aardbewoners. Ze deden geen oog meer dicht met dat geklapper van vleugels en men voelde zich persoonlijk bedreigd. De burgemeester had een extra schoonmaakploeg moeten aanstellen om elke morgen alle losgeraakte veren van de straten te vegen. Ook begon het werk van de engelen eronder te lijden doordat ze duidelijk niet fit meer waren voor hun taken.

Er moest een regeling worden getroffen. Vragend keek ik hem aan. Had hij misschien al wat in gedachten? 'Wijntje?', vroeg ik. Hij keek me bedenkelijk aan. Toen klaarde zijn gezicht op. 'Ach, waarom ook niet, het is alweer zo lang geleden', mompelde hij. Het bleek het begin van een genoeglijke avond. Hij was zeer onderhoudend en had een hoop goed geformuleerde en smeuïge anekdotes. De tijd verstreek en voor ik het wist was het al weer sluitingstijd. Wat onvast op zijn benen, liep hij met een gelukzalige glimlach terug naar huis. Toffe kroeg!

Vanaf die avond was hij één van mijn vaste klanten. Hij werd zelfs de gangmaker van het span. Soms klom hij  op de rug van één van de engelen en daalde met ze mee af om nog verder door te zakken. Tót hij op een avond werd herkend. ‘Het is de Messias!’ riep iemand.

Geroezemoes steeg op. Wat? Was hij écht De Messias? Men had toch wel verwacht dat die er heel anders zou uit zien! Wat beschaamd keek Jezus naar zijn rafelige spijkerjasje. Goed, zijn haar was wat aan de lange kant, maar met die baard was hij wel weer heel hip en waarom zou hij er eigenlijk niet mogen uit zien zoals hij eruit zag? Wie bepaalde dat eigenlijk? Hij hief zijn glas op; ‘proost jongens!’

Toen draaide hij zich om en ging verder met zijn gesprek. Maar het bleek het begin van het einde. De volgende dag stond het met grote koppen in de krant: ‘De Messias is gekomen!’

God zat rustig aan de ontbijttafel zijn post door te nemen, tot zijn oog op de kop in de krant viel. Hij werd lijkbleek. Wat? Dit kon niet waar zijn! Dat rotjoch! Had hij soms helemaal voor niets zorgvuldig zijn toekomst uitgestippeld? Woedend beende hij de kamer rond. Hoe moest hij hier in godsnaam nog een fatsoenlijke draai aan geven. En wat zouden zijn intergalactische vrienden er wel niet van zeggen.

Hij belde zijn secretaresse. ‘Laat Petrus onmiddellijk bij me komen!’ Even later haastte Petrus zich de kamer binnen; ‘U wenste?’

Wat is dit voor gedonder? bulderde God en woedend smeet hij de krant voor Petrus zijn neus. Hoe kan het gebeuren dat míjn zoon zich honderdvijftig jaar te vroeg als ‘De Messias’ vertoont?

‘Het zal wel iets met die nieuwe kroeg te maken hebben MijnHeer…’, piepte Petrus gelaten.

‘Hoezo kroeg?’, bulderde God.

‘Ja, mijnheer, er is hier sinds kort een café geopend. De gevleugelde vrienden heet het…’

‘En waarom weet ik daar dan niets van af?

‘Mijnheer Jezus heeft er persoonlijk een vergunning voor af gegeven.’

‘En wie bestiert die kroeg dan wel niet?’

Ehhh, een nieuwe mijnheer. Díe kwam met dat vermaledijde idee…’

‘En het komt bij niemand op mij hiervan op de hoogte te stellen?’

‘Ik dacht dat mijnheer Jezus het met u had besproken, MijnHeer…’

Het was weer een ouderwets gezellige avond en iedereen kwam behoorlijk in de stemming. Een aantal klanten begon aan een polonaise en mijn vaste klanten discussieerden zoals gewoonlijk weer eens over ‘de zin van het leven na de dood’. Er klonk geruststellend geroezemoes. Ineens viel het stil. Ik keek op.

Een oude, wat norsige man was binnen gekomen en stond midden in de zaak. Hij was een stuk langer dan de meesten en had opvallend heldere, groene ogen. Iedereen keek naar Hem. ‘Wáár is mijn zoon?’ sprak hij met gedragen stem.

Alle ogen richtten zich op Jezus, die nog met zijn rug naar hem toe zat en net zijn glas hief. Hij draaide zich om. ‘Pa, wat doe jij hier nou?’

Woedend snauwde God hem toe; ‘het is uit met de lol, jij kwallebak!’

‘En wie is die figuur?’, bulderde Hij, terwijl hij met zijn vinger priemend in mijn richting wees. Ik schrok. Oh jee, dat werd hommeles! Fluisterend vroeg ik aan één van de engelen; ‘wie is die man?’

‘Dát is nou God’, antwoordde die eerbiedig.

Mijn schrik sloeg om in blijdschap. Het was God. Hij bestond! En Hij kwam mijn zaak persoonlijk met een bezoek vereren!

Hij liep met grote passen op mij af. ‘Is dit jouw kroeg?’

Ik knikte ja.

‘Dan trek ik hierbij per direct je vergunning in. Kroegen horen in de hel, niet in de hemel. Dat heb ik nog zo met Lucifer besproken, indertijd.’

Ik hoorde het zachte tikken van de regendruppels op de aarde. De geur van nat gras en vochtige grond vervulde de lucht in mijn neusgaten. Ik probeerde om me heen te kijken, maar kon me niet bewegen. In de verte meende ik de zachte glans van wit satijn te ontwaren. Toen kreeg ik een gewaarwording alsof ik naar beneden werd gezogen. Steeds harder en dieper. Als in een wervelstorm die steeds dieper de aarde in gezogen werd...

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.