Het huis aan de overkant

Door Nicolettepietersen gepubliceerd op Wednesday 26 March 12:50

Twee maanden geleden was er nog niets aan de hand. Is het echt pas twee maanden geleden? De tijd heeft iets vreemds gedaan. Het overzicht is weg.

Ik ben een zomermens, ik loop het best op zon en licht, ik hou van lange dagen en korte nachten. Wat ik me vooral goed kan herinneren van twee maanden geleden is mijn verlangen naar warmte en lome, luie dagen.

Het is nog vroeg, maar het belooft een stralende dag te worden. De zon trekt een uitdagende smalle streep langs het bloemenperk achter in de tuin. Alle knoppen in de rozenstruiken staan op springen. De kat van de buurman ligt te spinnen op de bank onder het keukenraam.

Ik loer naar de serre aan de overkant. Hij is er niet. Waar zou hij zijn? Bij haar?

Tot twee maanden geleden was er niets aan de hand, dacht ik. Het ideale plaatje: mijn  zoon en zijn gezin dáár aan de overkant, wij hier. Handig als ze eens oppas nodig hadden, dichtbij als we ’s avonds eens een kaartje wilden leggen en makkelijk bij ziekte en ongemakken. Wij alle vier, mijn man en ik, en Jaap onze zoon met zijn vrouw Gonnie, vonden het een geweldig idee toen het huis bij ons aan de overkant vrij  kwam en zij het plan opvatten het te kopen. Dat is nu twee jaar geleden. Hun drie kinderen Joost, Linda,  en Kareltje , zeven, vijf en drie jaar,  vonden het fijn dat opa en oma zo dichtbij woonden en ze zomaar even langs konden wippen voor een verhaaltje of een spelletje. Toen wisten we natuurlijk niet wat we nu weten: dat alles zomaar in elkaar kan storten alsof er een bom ontploft is en alles anders blijkt te zijn dan je denkt.

Twee maanden geleden:

Het is een koude voorjaarsavond, het regent pijpenstelen en we zitten binnen met de gordijnen al dicht.

‘Zullen we zo maar eens naar bed gaan?’ vraagt Karel, mijn man.

‘Heel even dit hoofdstuk uitlezen’ zeg ik.

‘Dan laat ik vast de hond uit’ zegt Karel. Hij doet de hond aan de lijn, trekt z’n regenjack aan en pakt de paraplu. Weg is hij. Ik hoor de achterdeur dicht slaan: Hè, even lekker doorlezen, denk ik nog maar ineens staat Karel weer voor me.

‘Zo zeg, dat is snel, ach ja…. logisch met dit weer’ lach ik naar hem. Maar dan bekruipt me een naar gevoel, wat is er met Karel? Hij ziet er uit of hij een spook gezien heeft, spierwit en nu ik goed kijk zie ik  zijn lippen trillen. ‘Karel??’ vraag ik.

‘Janine, niet schrikken maar je moet even mee naar de overkant’ zegt hij, z’n stem klinkt zo anders dan anders, zo trillend, zacht en….. bang….. ja bang is het goede woord. De schrik heeft me direkt te pakken.

‘Karel, doe niet zo eng’ zeg ik ‘wat is er gebeurd?’

‘Er staat een politieauto voor de deur bij Jaap en Gonnie en toen ik langs liep hoorde ik een heleboel geschreeuw. En Janine, ik hoorde ook één van de kinderen hard huilen, ik geloof dat dat  Linda was, kom joh we moeten er naar toe!’

Linda hard huilen? denk ik, Linda de stilste van het stel, die zelden huilt en nu hoort Karel háár huilen? En de politie is er?  M’n boek valt op de grond, ik val bijna over m’n eigen benen omdat ik niet weet hoe vlug ik er naar toe moet!

‘Kom gauw Karel, gauw nou, o god wat zou er zijn?’ en ik ren naar de voordeur. Die zit al op slot omdat we naar bed zouden gaan, ik morrel aan de sleutel maar krijg die van de zenuwen niet omgedraaid. ‘Laat mij maar’ zegt Karel en ik zie zijn trillende vingers de sleutel pakken. Goddank krijgt hij de deur open en we stormen naar buiten, na twee stappen drijfnat. Ik vlieg naar de keukendeur van hun huis, met Karel achter me aan….. en in de keuken wordt ik tegen gehouden.

‘Mevrouw, wat doet u hier?’ vraagt een agent, die blijkbaar hier de wacht hield.

‘Mijn kinderen…eh.. enne.. kleinkinderen ’stamel ik.

‘Agent, onze zoon en zijn gezin wonen hier’ hoor ik Karel zeggen. Hij heeft nog steeds die vreemde, angstige stem die hij net al had. ‘kunt u zeggen wat er aan de hand is?’

‘Uw zoon?’ vraagt de agent.

‘Ja, onze zoon, zijn vrouw en drie kinderen’ zegt Karel ongeduldig ‘man vertel nou wat er is!’

En dan, voordat de agent iets kan zeggen gebeurt er van alles tegelijk. Linda komt huilend de keuken binnen en stort zich in mijn armen, ze snikt en snikt. Achter haar aan komt Kareltje, zijn knuffelbeer in de hand en hij strekt beide armpjes naar opa uit. Tegelijkertijd horen we de voordeurbel gaan en als een andere agent daar open doet, zie ik twee ambulancebroeders met een brancard voor de deur staan.

‘Kom binnen’ zegt die agent, ‘ jullie moeten boven zijn’ en hij wijst naar de trap. Ik wordt ineens heel bang als ik die brancard de trap op zie gaan en grijp de agent, die bij ons staat, vast: ‘wat is er aan de hand? Zeg het NU’ probeer ik hem te dwingen. ‘ Voor wie is die brancard, waar is mijn zoon en zijn vrouw? En waar is onze andere kleinzoon?’

Linda klampt zich aan me vast: ‘oma, ik ben zo bang’ fluistert ze.

‘Oma is bij je lieverd’ ik streel over haar blonde haartjes terwijl ik zelf nauwelijks mijn tranen kan bedwingen.

‘Meneer, mevrouw, laten we even in de woonkamer gaan zitten’ zegt de agent terwijl hij ons voorgaat. Hij loopt hier rond alsof hij hier al uren is en precies de weg weet. Ik wordt steeds banger, er is iets heel erg mis, dat is wel duidelijk. ‘Gaat u zitten’ zegt hij en wijst op de bank. Met Linda in mijn  armen ga ik op de bank zitten, Karel komt naast me zitten met Kareltje nog op de arm. We kijken de agent vol spanning aan: ‘man, vertel’ zegt Karel.

‘De heer des huizes is uw zoon?’ vraagt de agent.

‘Wat is er met mijn zoon, dat vroeg u net ook al’ zeg ik, terwijl ik mijn angst niet meer kan bedwingen, ‘is die brancard voor hem? Is hij gevallen of zo?’ mijn stem is inmiddels vele malen hoger dan normaal. Nog even en ik ga gillen!

‘En u heeft nóg een kleinzoon?’ vraagt de agent weer.

‘O nee, is er ook iets met Joost?’ nu gil ik echt.

‘Even rustig mevrouw’ maant de agent ‘we weten het  nog niet precies maar het lijkt erop dat de vrouw des huizes, uw schoondochter, neem ik aan,  geprobeerd heeft haar man van de trap te duwen. Daarbij is uw kleinzoon gevallen en niet uw zoon.’

‘Wawa… wie…. O nee… hoe is het met ze?’ vraagt Karel bibberend. Ik kan niets zeggen, is dit echt waar? Gonnie, duwen, trap? Waarom in godsnaam? Het gaat  allemaal in een flits door me heen. Nee, dat kan niet, niet Gonnie! Joost gevallen, nee, nee dat kan niet waar zijn…..

‘Uw kleinzoon is er slecht aan toe, de broeders die u binnen zag komen zullen hem meenemen naar het ziekenhuis. Uw zoon is bij hem, samen met de dienstdoende huisarts.’

‘Is met Jaap alles goed?’ fluister ik.

‘Ja mevrouw, iedereen is erg van streek, maar met uw zoon lijkt alles in orde.’

‘En Gonnie?’

‘Is dat uw schoondochter?’ en als ik bevestigend knik zegt hij ‘die is gearresteerd en wordt zo mee genomen naar het bureau.’

Op dat moment horen we gestommel op de trap. Ik wil op staan om te gaan kijken maar de agent houdt me tegen. ‘Jaap, Joost’ roep ik,  terwijl ik me probeer lost te rukken van de agent om naar de gang te hollen.

 ‘Oma, ik ben zo bang’ snikt Linda weer in mijn hals en nu begint ook Kareltje heel hard te huilen.

‘Mevrouw kalmeert u alstublieft, u maakt deze kindertjes  nog meer van streek’ zegt de agent streng. Ik ga weer naast Karel zitten, die zijn arm om me heen slaat. Daar zitten we nu: trillend van ellende allebei met een huilend kind in de armen.

We horen de voordeur slaan en even later de sirene van de ambulance, die weg rijdt. De agent, die bij ons zit loopt even weg naar de gang waar weer allerlei lawaai vandaan komt. Ik kan het niet laten, zet Linda bij Karel op schoot en loop achter hem aan, misschien kan ik Jaap nog even spreken? Maar lieve hemel, ik schrik me wild want ik zie Gonnie, die verwilderd uit haar ogen kijkt. Ze wordt bij de arm meegenomen door een agent, haar handen zitten op haar rug. Als ze een glimp van mijn gezicht opvangt begint ze te krijsen: ‘die rotzak van een zoon van je had een ander! Al bijna vier jaar, dus nog voor Kareltje geboren werd! Ik had hem hartstikke dood moeten gooien.’

‘Kom op doorlopen’ zegt de agent die haar vast heeft.

‘Zeg dat maar tegen hem, ik schiet hem dood zodra ik er de kans voor krijg!’ gilt ze nog naar me over haar schouder.

Zo is dus alles veranderd: Gonnie zit nog in voorarrest. Ze is zo boos en agressief dat de verwachting is dat ze in een psychiatrische inrichting zal worden opgenomen. Joost ligt nog in het kinderziekenhuis, de val had zijn bovenbeen verbrijzeld en na drie operaties leert hij nu weer lopen. Wij bezoeken hem zoveel mogelijk, het jochie heeft het zwaar. Hij weet nog heel goed hoe het gegaan is: papa en mama hadden ruzie op zolder, hij ging zijn bed uit omdat hij bang werd van het lawaai. Toen hij naar papa wou lopen voelde hij een zet en viel van de zoldertrap. Hij werd pas wakker in het ziekenhuis, dus al het gedoe in huis heeft hij niet mee gemaakt, gelukkig.

Linda en Kareltje zijn bij ons, dat leek iedereen beter. Thuis waren er te veel traumatische herinneringen. Ze zijn erg van streek geweest, vooral ’s nachts werden ze vaak huilend wakker. Ze bleven maar vragen waar mama was,  maar de laatste week slapen ze allebei weer door. Dus het gaat de goede kant op met ze.

En Jaap? Tja, Jaap ….. wat moet ik er van zeggen? Hij gaat iedere dag naar Joost, komt bijna iedere dag bij ons om even bij de kleintjes te zijn. Hij heeft ons bekend inderdaad een ander te hebben. Hij is heel duidelijk geweest: ‘ik laat haar niet gaan’ zei hij ‘ Gonnie is al jaren agressief, het was niet uit te houden. Ik was niet op zoek naar een ander, maar toen ik haar tegen kwam was ik er erg blij mee!’

‘Maar Jaap toch’ zei Karel ‘had er met ons over gepraat, we hadden misschien kunnen helpen of had professionele  hulp gezocht!’

‘Dat had geen zin meer, pa’ zei Jaap ‘ik wilde weg bij Gonnie, maar ze wilde me niet laten gaan. Zogenaamd voor de kinderen, maar die kunnen toch niet altijd in zo’n ijzige sfeer leven? Alle ruzies, alle boosheid ….. het was niet meer te doen. Maar dat Gonnie zó door zou draaien had ik niet verwacht.’

‘Ik snap maar niet dat we nooit iets gemerkt hebben, Jaap’ zei ik ‘jullie leken altijd zo’n voorbeeldig gezinnetje!’

‘Allemaal schijn, mam, zodra we binnenshuis waren ging bij Gonnie de knop om: schelden, slaan en overal iets achter zoeken. De kinderen hebben heel wat meegemaakt en eigenlijk is het goed dat het nu voorbij is, alleen jammer dat het zo moest. Joost gewond, Linda en Kareltje van streek, nee mam, dat nooit meer! Als ik eerder de knoop had doorgehakt was dit allemaal niet gebeurd, daar voel ik me heel schuldig over.’

Dus woont Jaap nog steeds aan de overkant, althans op papier, want hij is er nooit. Hij is altijd ‘bij haar’. Zodra Joost weer naar huis mag gaat hij er toch weer wonen, heeft hij gezegd. Dan wil hij Linda en Kareltje ook weer thuis hebben en gaat hij alleen voor zijn gezin zorgen, waarbij wij hem natuurlijk zoveel mogelijk zullen helpen. Zodra de hele situatie rond Gonnie afgerond is, wat nog wel even zal duren, hoopt Jaap met ‘haar’ verder te gaan. Dan zal het huis wel te koop gezet worden!

Ik kijk vanuit mijn raam naar zijn lege serre en zucht verlangend naar warmte en lome, luie dagen! Het zal een warme dag worden maar ik blijf het maar koud hebben, ondanks mijn  warme vest en een lekkere lome dag zal er voorlopig wel niet in zitten.

Reacties (4) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Ik hoop ook van harte dat het niet echt is gebeurd. Als zelfs mijn zus twijfelt weet ik al helemaal niet meer wat waar is en wat niet. Al denk ik dat het niet echt is want je hebt het alleen over de twee kleinkinderen waar je oppast. Ik vind het in ieder geval prachtig
ik schrijf ook andere verhalen dan alleen maar over oppasdag..... geloof het of niet ik ben een oen met internet, vond ( dacht ik ) een schrijfwedstrijd en toen ik dit verhaal daarvoor gemaakt had en ingestuurd kreeg ik een mailtje dat die wedstrijd in 2011 was! Haha, we hebben hier wat afgelachen. nou ja dit verhaal er aan over gehouden en gelukkig is het helemaal verzonnen. Dus ik dacht ik laat het jullie lezen....
goh wat een mooi compliment, dank je!
Jij weet het zo te schrijven dat ik twijfelde of het echt gebeurd was. Prachtig.