Aardrijkskunde begrippen module 6 MAVO

Door Crown gepubliceerd op Sunday 16 February 19:40

 

Absolute afstand = afstand uitgedrukt in het aantal kilometer.

Bereikbaarheid = gemak waarmee je op een plek kunt komen.

Betuwelijn = nieuwe goederenspoorlijn van Rotterdam naar Duitsland.

Binnenvaart = scheepvaart die plaatsvindt op rivieren en meren, in tegenstelling tot de zeevaart, en dus kleinere schepen heeft.

BNP (Bruto Nationaal Product) = het totale inkomen van een land.

BNP per hoofd = inkomen dat gemiddeld per persoon per jaar in een land wordt verdiend.

Carpoolen = met twee of meer mensen volgens afspraak in een auto naar het werk reizen.

Container = grote stalen laadkist met een vaste maat.

Containeroverslag = het overladen van grote stalen laadkisten (containers) van het ene transportmiddel op het andere.

Directe werkgelegenheid = werk dat rechtstreeks te maken heeft met het eindproduct of de dienst van het bedrijf.

Distributiefunctie = een gebied of plaats houdt zich bezig met de verdeling van goederen over een gebied.

Export/uitvoer = alle goederen of diensten die vanuit het eigen gebied/land naar andere gebieden gaan.

Goederendoorvoer = de aangevoerde goederenstroom wordt met andere vervoermiddelen verder vervoerd.

Goederenstroom = stromen van goederen van plaats A naar B.

Grondstoffen = materialen die gebruikt worden voor het maken van andere stoffen.

Grondstoffenleverancier = rol die ontwikkelingslanden hebben in de wereldhandel: het leveren van grondstoffen aan de rijke landen.

Halffabricaten = een bewerkt product dat door een ander bedrijf als grondstof gebruikt wordt.

Hoofdverbindingen = de belangrijkste aan- en afvoerwegen tussen economisch belangrijke gebieden.

HSL = hogesnelheidslijn: een nieuwe spoorlijn voor snel personenvervoer.

IJzeren Rijn = deels nog afgesloten spoorlijn tussen Antwerpen en het Ruhrgebied die bij Weert over Nederlands grondgebied loopt.

Invoer/import = alle goederen of diensten die binnenkomen van buiten het eigen gebied/land.

Indirecte werkgelegenheid = werk dat niet direct te maken heeft met maken van het eindproduct of dienst van een bedrijf.

Infrastructuur = het hele stelsel van bovengrondse verbindingen (wegen, havens, spoorwegen) en ondergrondse verbindingen (kabels, leidingen).

Intercontinentaal vervoer = vervoer dat plaatsvindt tussen minimaal twee verschillende continenten.

Intermodaal vervoer (of multimodaal vervoer) = het wisselen van vervoermiddel.

Internationalisering = een proces van schaalvergroting waarbij bedrijven gaan samenwerken en/of uitbreiden buiten de eigen landgrenzen.

Internationaal vervoer = vervoer tussen verschillende landen.

Kijkfiles = files die ontstaan door het kijken naar bijzondere gebeurtenissen, bijvoorbeeld een ongeluk, op de andere rijbaan.

Locatie voordelen (of vestigingsplaatsvoordelen) = voordelen die voor een bedrijf voortvloeien uit de plaats van vestiging.

Logistiek = zorg voor een efficiënte goederenstroom, van producent tot consument, met inbegrip van de erbij behorende informatie- en geldstromen.

Mainport = knooppunt in een wereldwijd transport netwerk waar zowel verzameling, overslag als distributie van goederenstromen plaatsvinden en waar verschillende vormen van transport bijeenkomen.

Massagoederen (of bulkgoederen) = goederen die onverpakt in scheepsruimen, treinwagons of vrachtwagens worden getransporteerd zoals olie, graan, zand, steenkool en ijzeren.

Mobiliteit = gemak waarmee iemand zich verplaatst.

Overslaghaven = haven waar het overladen van goederen van het ene transportmiddel op het andere (bijvoorbeeld van zeeschip op binnenschip of van treinwagon op openbaar vervoer verder te reizen.

Park & Ride (P&R) = grote parkeerterreinen waar reizigers hun auto kunnen parkeren om met openbaar vervoer verder te reizen.

Rekeningrijden = een elektronische vorm van tolheffing. Wie tijdens de spits passeert, moet daarvoor extra betalen.

Relatieve afstand = aftand gemeten in termen van tijd kosten en moeite.

Schaalvergroting = een proces waarbij steeds grotere bedrijven en organisaties worden gevormd.

Sneeuwbaleffect = een kettingreactie van nieuwe activiteiten. De ene activiteit heeft weer een ander gevolg.

Spits = het moment waarop heel veel mensen op weg zijn van huis naar werk of andersom.

Spitsstroken = het gebruik van vluchtstroken in de spits.

Stukgoederen = goederen die verpakt worden vervoerd.

Terminal = vertrek en aankomstpunt van het transport bijvoorbeeld een treinstation vliegveld of haven.

Thuiswerken = arbeid waarbij men een onlineverbinding met de werkgever heeft.

Toeritdosering = het geleidelijk toelaten van verkeer op een snelweg doormiddel van een stoplicht.

Tolheffing = te betalen bedrag voor het gebruik van wegen en tunnels.

Transfer = het vervoer van personen op een luchthaven die doorreizen naar een andere bestemming. Zij moeten op de luchthaven van toestel veranderen.

Transport/vervoer = goederen of personen van de ene plaats naar de anderen brengen.

Uitvoer/export = alle goederen of diensten die vanuit het eigen land naar andere landen gaan.

Verkeer = doelbewust verplaatsing van ene plaats naar de andere.

Verkeerscapaciteit = het vermogen van verkeerswegen om een maximale hoeveelheid verkeer te laten passeren.

Verkeersintensiteit = gemiddeld aantal motorvoertuigen per dag op een bepaald wegtraject.

Vestigingsplaatsvoordelen = voordelen die je voor een bedrijf voortvloeien uit de plaats van vesteging.

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Weer wat geleerd, dankjewel