Lekker lezen

Door Tilla gepubliceerd op Monday 20 January 16:46

 

Voorlezen, daar begon het mee. Elke avond las mijn moeder voor uit de Sprookjes van Moeder de Gans van Charles Perrault (1697), oorspronkelijke titel Histoires ou contes du temps passé, avec des moralités: Contes de ma mère l'Oye. Spannende  verhalen, waarvan later bleek dat sommige diepe indruk hadden gemaakt, met wijze lessen zoals ze bedoeld waren.

Zelf lezen was een openbaring en na het leesplankje van Hoogeveen en de boeken van Ot en Sien en Pim en Mien herinner ik me de woensdagmiddagen waarop ik lekker languit liggend voor de zwarte kolenkachel de Donald Duck las, van voor naa achteren en terug.

Bevatte dat vrolijke weekblad ook wijze lessen voor later? Het waren vooral de lieve neefjes Kwik, Kwek en Kwak met wie ik mij als goedwillend kind vereenzelfvigde. Willie Wortel vond ik een nerd en met de Gordon Gekko avant la lettre, Dagobert, had ik helemaal niets. Van de wolf Midas was ik eigenlijk bang. Heer Bommel was een beetje dom, hij liet die arme Tom Poes steeds alles opknappen, wat trouwens ook gold voor de neefjes die Donalds streken telkens moesten rechtbreien. Ook deze personages bleken te bestaan.

Toen ik tien was had ik alle delen van Pietje Bell en van de Olijke Tweeling, lieve meiden, die ik later niet meer herkende. Gelukkig was de boekenkast van mijn ouders goed gevuld en kwam ik in aanraking met Nederlandse literatuur.

De Straat van Ina Boudier-Bakker was zo’n boekje dat indruk maakte, een sociale roman. De drukkende sfeer van de dorpsgemeenschap die op ieder individu zijn stempel drukte was herkenbaar in de buurt waar wij in de naoorlogse jaren woonden.

Literatuur gaat over personages en situaties die ook in de werkelijkheid zouden kunnen voorkomen. Soms komen we voor dezelfde situaties te staan, soms ontmoeten we of worden we deze personages. Vaak stelt literatuur ons ongemakkelijke vragen.

Ik lees nu Oorlog en vrede (1869) van Tolstoj (vertaling De Vries, Verzameld werk, deel 3). Op bladzijde 476 gaat Andrej Bolkonski, de hoofdpersoon, in discussie over het belang van goede medische voorzieningen voor lijfeigenen met zijn vriend Pierre Bezoechov, een vrijmetselaar die het goede wil doen. ‘Ah, juist, ziekenhuizen, medicijnen. Hij krijgt een beroerte, hij is stervende, en dan kom jij hem aderlaten en lapt hem op. Hij sleept zich rond als een invalide, nog wel een jaar of tien, en is iedereen tot last. Het zou veel gemakkelijker en eenvoudiger voor hem zijn als hij stierf. Het zou een andere kwestie zijn als je er tegenop zag een arbeidskracht te verliezen, maar jij wilt hem genezen omdat je hem liefhebt.‘

’s Avonds in Zembla zie ik ouderen die mishandeld worden. Een verpleeghuisarts legt uit dat we er biologisch niet op gebouwd zijn om onze ouderen tot op hoge leeftijd te verzorgen. Het kabinet snijdt in de zorg voor ouderen en gaat ons straks de ongemakkelijke vraag stellen het nu persoonlijk op te lossen. Nee, niet vragen, opleggen. Ieder voor zich.

Onze wens het goede te doen zal ons in verwarring brengen.

 

 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.