Een verhaal

Door Meadow gepubliceerd op Saturday 11 January 17:43

Wat is wijsheid? Hoe oud je ook bent, het dichtst erbij komt wanhoop. Wanhoop vervloeiend in geluk, gedoemd te verdwijnen maar tenminste te bestaan. We zijn allemaal gevangen in deze wereld van gekte, van geloven dat dingen zijn hoe ze niet zijn en een blindheid, een blindheid die alles kapot maakt en alsmaar groter wordt.

Daar stond een jongen in de sneeuw. In zijn hand een tekening van een engel. Een witte engel op verkreukeld bruin papier. Hij kon er niets aan doen. Hij keek me aan met grote ogen, seconden lang. Toen draaide hij zich om en strompelde hij machteloos verder door de kou. In zijn andere hand een verrekijker, om de sterren te bekijken. Maar hij verdween als sneeuw voor de zon.

Deze plaats was leegte, waarin velen al waren verdwaald. De zwarte stilte, de damp die hing over het uitgestrekte land, sprong uiteen door een vogelgekrijs. Een weg had zich geopend en de vogel diende gevolgd te worden. De weg sprak de waarheid en bracht je van wereld naar wereld. Achterr je laat je wat leegte was, wat niet koud maar eigenlijk gevoelloos was. Gevoelloos, opdat het op die manier de pijn verzachtte. Maar ik was klaar voor nieuwe pijn en voor geluk.

We vlogen door de tijd en de vogel streek neer op een verweerd standbeeld. Het was een ijzeren vrouw, met een krans rond haar hoofd. Ze had moeite met het in plooi houden van haar gezicht. Ik kwam dichterbij, gelokt door een hulpkreet die van ver leek te komen, zo dichtbij dat ik haar ijzige gewaad kon aanraken. Nacht daalde op ons neer, viel over ons heen terwijl ik mijn vingers erop legde. Nee, het was geen nacht. De dood leek uit het niets te komen, alsof het beeld momenten geleden nog vlezig was geweest. Toen keek ik op naar het bleke standbeeldgezicht, om het langzaam op me af te zien komen. Haar huid en haren waren strak naar achter gespannen en haar lippen openden vanuit de hoeken. Het leek alsof er duizenden zonnen en stormen vanuit haar binnenste kwamen toen haar geschreeuw zich dfoor de ruimte verspreidde. De nacht had de vloer onzichtbaar gemaakt en ik deinsde met achter me slechts een zee van duisternis. Ik voelde de nattigheid en modder door mijn kleding trekken, maar kon slechts staren naar het gezicht. De vrouw stortte in elkaar, hoestend, en glas was in haar mond. Scherven raakten de vloer en veranderden in duizenden. Ik hield mijn arm voor mmijn ogen, voelend hoe scherpe randen zich in mijn ledematen boorden. Het felle licht hield aan, wit met een blauwige gloed van kwaadaardigheid. Toen was het over. Het donker nam zijn plaats weer in en ik keek voorzichtig langs de huid van mijn hand. Het was alsof er niets was gebeurd. De ingestorte vrouw was verdwenen en een ander stond ik haar plaats. Haar gezicht was nog sterk en statig. Ik sloot mijn ogen en werd wakker in het daglicht.

Want soms ben je gewoon iemand, en is iedereen gewoon iemand, niet bijzonder. En zo is er de vrouw met zeven kinderen. Ik kom haar tegen als ik naar huis fiets. Meestal zit ze op een bankje, met al haar kinderen overal. Af en toe wiegt ze de kinderwagen heen en weer. Dan kijkt ze naar haar oudste zoon, en hoe hij tussen de spijlen van een hek door met herten communiceert. Plotseling is daar haar dochtertje, met een lappenpop in haar handigen, die ze kalmerend teospreekt. De vrouw glimlacht en is gelukkig. Ik weet niet welke weg ze genomen heeft. Maar de mensen om haar heen kunnen niet van haar geluk genieten. Ze zijn eenzaam, zo weet ze. Ze kijkt ze niet meer aan als ze langs haar lopen. Want soms doen ze haar uit haar wereld vertrekken. En dan verandert haar dochtertje met de pop in een pop die gesust moet worden. En haar zoontjes werpen haar een blik toe van verwijt voordat ze krachteloos op de grond vallen. Dan staat ze daar weer met een wagen vol poppen. Want niemand kan haar laten. Iedereen fluistert en wijst en maakt haar gek, gek van deze wereld.

Sommige mensen zijn puur vergif. Ze kunnen het niet helpen. Maar ziek wordt iedereen ervan, gemerkt of ongemerkt. Daarom hang ik soms tegen busraampjes. Meestal vliegt de wereld er langsheen. Eens was ik wakker en zag ik bomen met gezichten. Gezichten zonder duidelijke emotie, maar met grote open monden. Deze wereld is vertrouwder. Er zijn weidse velden van blauwe bloeisels als regendruppels. Er zijn feeën met insekten pootjes en eenzame boomstronken om vanaf te waaien door grootse winden. Zwaardvechtende indianen hupsen soms voorbij als je goed kijkt. De weg van de vogel leidt me er steeds weer heen. Nergens zou ik liever zijn.

Toch gaat de avond door in de wereld van velen. Vooral familieavonden gaan door, en ze zijn schrijnend van aard. Verre ooms en tantes die alleen kunnen praten over de vriend van de dochter van de nicht van de overbuurvrouw of wie er die week wel niet zijn overleden. Ontsnapping van verplichte gesprekken brengt je slechts, als straf misschien, tussen gillende kinderen die elkaars speelgoedauto's tegen de muur smijten. Het is triest om te zien, maar naar om uren achtereen tussen te verblijven. Van links en rechts tegelijk snellen ouders aan om hun vervelende kinderen in bedwang te houden, zelf het geschreeuw overschreeuwend met ellendigere stemmen. Aan de andere kant van de kamer wordt bier over de tafel gegooid en mensen vallen opnieuw uit, niet inziend dat de situatie niet eens in de buurt van ernstig komt. Sta erbij als eenvoudig mens en je wordt in je gezicht geslagen door razernij. Wat is het toch dat het altijd zo moet gaan? Wat is het dat je uitgeput van het niets doen onder een afdakje staat in druilerige regen? Het geluk van een donkere nacht in de ogen kijkend, zou ik mensen verlaten als ik het maar kon. Niet de mensheid, maar dit stukje ervan dat zo verwrongen is als een oude vaatdoek. Dan ga ik op weg langs paden van bomen met neutrale gezichten en open monden. Lichten van de chaos verdwijnen langzaam in de verte. Ademen is vrij en duisternis omarmt me, neemt me mee. Pas op het moment dat niemand me kan zien voel ik me veilig. Veilig in bekend terrein dat ik nog nooit heb gezien. Want ik herken de maan die vol is en schijnt over het gras in de wind. Klinkerweggetjes eindigen en maken plaats voor zanderige modderpaden. Voeten zakken steeds verder weg en nattigheid kruipt door de zolen. Het is de kalmte van de aardie die mijn lichaam koelt. Pas een het einde van het pad kom ik tot mezelf en draai ik me om, mensenin de verte. Het grote geluk van het zien van hen en hoe ze praten, wetende dat ze mij niet van het gras onderscheiden kunnen. Wind trekt aan en sputters vallen. Ik spreid mijn armen om de nacht te ontvangen. Dan zie ik een helder licht over de wiede trekken. Een licht dat met hoge snelheid op me af komt en me dan overweldigt als de blik in de ogen van een geliefde. Meer heb ik niet nodig dan wind en regen, en maanlicht dat afgewisseld wordt door wolken die voor het licht langs schuiven. Op heldere momenten schijnt het hoge gras in het donker en wordt alles omhuld door een laag van glinsterend zilver. Ik kijk omhoog maar moet me neerbuigen om het aan te raken en door de natte mist naar de horizon te staren. Staan daar is een moment van bezinning. Water loop langs mijn lichaam en ik voel me overgeleverd aan de grillen van de nacht. Ik voel me gereinigd van de avond en elke strook van maanlicht geeft me nieuwe energie.

Dan is er dat nare licht van koplampen in de verte. Omdat ik te lang in mijn wereld ben gebleven. Ik kijk nog eens op en zie hoe de wolken zijn verdwenen. Ik voel me blootgegeven, want het licht verdwijnt niet meer. Het doet me kleiner worden en op mijn knieën vallen. Niet van verdriet maar van pijn bij afscheid. Waarom zou je naar een tv-doos staren als je kunt dansen met de nacht? Het vasthouden maakt het gevoel erger en ik ruk me los nu het nog kan. Maar ik moet rennen door de modder om me in bedwang te houden. Ik moet rennen onder het licht van de maan en voel me bekeken alsof mensen overal verborgen staan, klaar om hun zaklampen aan te klikken. Ik moet rennen van mijzelf en van mijn wereld, waarnaar ik niet mag omkijken, nu niet meer. Mijn schoenen zijn zwart, ik weet het, maar kan het niet helpen. Hijgend van angst en inspanning tegelijk bereik ik het kamp. Ik probeer de paranoïde staar uit mijn ogen te wissen, met de gedachte dat ze toch niet zullen weten wat voor een onzin ik mezelf doe meemaken. Dan stap ik in de auto bij de familie die nog aan het denderen is. Gelukkig hebben ze het te druk met denderen, dan kan ik door het raam naar mijn wereld staren, tot die uit het zicht verdwenen is. En er dan een zogenaamd verzonnen verhaal over schrijven.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.