Roodkapje, maar dan anders

Door Solililizzy gepubliceerd op Monday 16 September 19:35

Aan de rand van een uitgestrekt bos woonden eens een man en een vrouw met hun zevenjarige dochtertje. Hun huis stond gedeeltelijk tussen de bomen, en zag er van binnen en van buiten heel netjes uit. De vrouw was erg ijverig, dat kon je ook zien aan haar dochtertje. Haar kleertjes waren altijd keurig gewassen en gestreken, en op haar hoofd droeg ze een rood mutsje. Dat mutsje had ze van haar grootmoeder gekregen, en men noemde zo'n mutsje ook wel een kapje. Dat was de reden dat het meisje de bijnaam Roodkapje had gekregen. Roodkapje was een vriendelijk en opgewekt meisje. Iedereen mocht haar graag en luisterde met plezier naar haar vrolijke gebabbel. Op een ochtend toen Roodkapje de kippen aan het voeren was, trof een heerlijke geur haar neusje. Moeder was iets aan het bakken! Maar wat? Roodkapje besloot in de keuken te gaan kijken en vroeg aan haar moeder wat die aan het bakken was. “Dat dacht ik wel nieuwsgierig aagje, dat zou je wel willen weten, hé?” zei moeder. “Mag ik eens raden?” vroeg Roodkapje die nu nog nieuwsgierig was geworden. “Goed!”, lachte moeder, “Maar je raad het toch in geen honderd jaar!”. Roodkapje begon te raden. “Bakt U...oliebollen?” moeder schudde haar hoofd. “Poffertjes dan?” “Ook niet lieverd.”. “Ik weet het!” zei Roodkapje juichend “Een cake!” maar weer had ze het mis. “Ik bak zelfgemaakte broodjes.” verklapte moeder. Nou, die vond Roodkapje wel lekker! Ze vroeg haar moeder smekend of ze er een mocht. Maar moeder legde uit dat ze de broodjes gebakken had voor grootmoeder, die erg grieperig was. Als Roodkapje echter snel even de broodjes naar grootmoeder bracht, mocht ze de broodjes die overbleven daarna opeten. “Mag er dan niet ééntje?” zeurde Roodkapje. Maar nu werd moeder kwaad, en zei dat Roodkapje op moest houden met zeuren. Toen gaf moeder Roodkapje ook nog een potje met verse boter mee voor grootmoeder. “Maak je maar niet druk moeder,”, zei Roodkapje bij de hand, “Ik kan dit héél goed en ik zal zorgen dat alles goed bij grootmoeder aankomt.” Maar daar twijfelde moeder aan, Roodkapje was namelijk heel snel afgeleid. Soms ging ze van de paden af om bloemen te plukken of naar de vogels te kijken, en als je van de paden afging kon het zijn dat je Meneer de Wolf tegen kwam. Ook de houthakkers die in het bos werkten waarschuwde Roodkapje voor de gevaarlijke Meneer de Wolf als ze haar tegenkwamen. Grootmoeders huisje lag aan de andere kant van het bos, wel een uur moest Roodkapje lopen voor ze er was. Toen moeder het mandje had klaargemaakt en die aan haar dochtertje gaf zei ze dan ook nog een keer bezorgd: “Pas nu vooral op, hoor kindje! Blijf niet naar de vogeltjes staan luisteren en dwaal niet van het pad af om bloemetje te gaan plukken, want gisteren hebben de houthakkers Meneer de Wolf nog in het bos zien rondsluipen. Wees dus voorzichtig! Roodkapje beloofde dat ze inderdaad voorzichtig zou zijn, en in één keer door te lopen naar grootmoeders huisje. Ze nam afscheid en nog lang kon je haar heldere stemmetje horen, terwijl ze zingend door het bos stapte. Haar moeder keek haar na, maar was er toch niet helemaal gerust op, want haar dochtertje was soms erg ongehoorzaam.

Toen Roodkapje een poosje had gelopen zag ze een aantal hele mooie vlinders van bloem tot bloem vliegen. Ze stond al op het punt om haar mandje neer te zetten, toen ze zich herinnerde wat ze haar moeder beloofd had. Ze liep door in de stralende zon en de duizenden vogels zongen er lustig op los, alsof er geen slechte wolven en mensen bestonden. Overal geurden de bloemen, en de bijtjes gonsden door de lucht. Roodkapje zong nog steeds uit volle borst en bleef braaf het smalle bospaadje volgen. In de verte hoorde ze de bijlslagen van de houthakkers , die bezig waren de hoge en zware bomen te vellen. Toen de mannen het gezang van het meisje hoorden staakten ze hun werk en gingen op een omgehakte boomstam zitten. “Dag, Roodkapje!” zeiden de houthakkers, die het meisje goed kenden, “Wat ben jij vrolijk!”. “Waarom zou ik niet vrolijk zijn, ik krijg strakjes lekker zelfgemaakt brood van moeder.” zei Roodkapje blij. “Oh, en die broodjes in je mandje zijn natuurlijk voor ons!” zei een van de houthakkers plagerig, want hij wist best dat ze niet voor hen waren. “Neehee! Die zijn voor grootmoeder, want die is erg grieperig.”. “Zo dat is een flinke wandeling! Wil je niet even hier uitrusten?” vroeg een houthakker. Maar Roodkapje zei dat ze van haar moeder de weg niet af mocht. “Je moeder heeft groot gelijk.” zeiden de houthakkers toen “Dadelijk kom je iemand tegen die niet het beste met je voor heeft.”. Roodkapje vroeg of er veel van dat soort mensen in het bos rondliepen. De houthakkers vertelden dat die er wel een aantal waren, maar er was er eentje waar Roodkapje heel erg voor moest oppassen. Dat was Meneer de Wolf, die had het namelijk altijd op kinderen gemunt. Roodkapje knikte, en zei dat ze weer verder moest lopen. Een van de houthakkers besloot met haar mee te gaan, hij had namelijk die ochtend Meneer de Wolf door het bos zien sluipen en dacht dat die misschien wel iets in zijn schild voerde. Al lopend praatte Roodkapje honderduit tot groot vermaak van de houthakker, die hard moest lachen om het vrolijke gebabbel van het kleine meisje. Toen ze uiteindelijk bijna bij het huisje van grootmoeder waren besloot de houthakker dat Roodkapje nu wel veilig was. Maar toen ze afscheid namen zei hij nog: “Wees toch maar heel voorzichtig Roodkapje. Meneer de Wolf komt wel bijna nooit het pad op, maar als je zo helemaal alleen bent maakt hij misschien wel een uitzondering.” Roodkapje zweerde dat ze voorzichtig zou zijn, en liep door.

Toen de houthakker uit het zicht verdwenen was hoorde Roodkapje plotseling een nachtegaal. Het dier zong zo prachtig dat Roodkapje bleef staan om te luisteren. Wat was dat een mooi geluid! Ze stapte het struikgewas in om te kijken hoe het diertje er precies uitzag, en toen deed ze nog een stapje, en nog een. Uiteindelijk stond ze op een grote open plek met prachtige bloemen. Verwonderd bleef Roodkapje staan en keek naar al die mooie kleuren. De nachtegaal en alle andere vogels rondom de open plek waren echter gestopt met zingen. Het was alsof zij geschrokken waren dat het meisje zo ongehoorzaam en roekeloos was. Maar Roodkapje was alle beloftes en waarschuwingen vergeten, ze besloot van die mooie bloemen een boeket te maken voor grootmoeder. Ze zette haar mandje neer en al snel was ze ijverig aan het plukken. En terwijl ze af en toe aan de lekkere geuren van de bloemen rook, begon ze weer vrolijk te zingen. Ook de vogels begonnen weer te zingen, maar wat Roodkapje niet merkte was dat de vogels heel anders zongen dan daarstraks. Het waren korte, zenuwachtige trillertjes met aan het einde een scherpe klank. Het leek of de vogels wilden zeggen: “Denk aan de waarschuwingen! Wees toch voorzichtig, Roodkapje! Pas-op! Pas-op! Pas-op!”. Maar Roodkapje zong door, ze had inmiddels zo'n grote bos bloemen geplukt dat ze hem bijna niet meer kon vasthouden in haar kleine handje. Ze legde de bloemen naast het mandje, en begon aan een tweede boeket ditmaal voor haar moeder. Nog steeds schetterde de vogels hun waarschuwingen in het rond: “Gevaar-gevaar-gevaar!”. Maar Roodkapje dacht helemaal niet aan gevaar, ze voelde zich zo blij te midden van al die mooie bloemen dat ze geen moment meer aan Meneer de Wolf dacht.

Totdat ze achter zich gekraak van het kreupelhout hoorde, snel draaide ze zich om. Daar stond Meneer de Wolf, blijkbaar stond hij al een tijdje naar het meisje te kijken. Het leek wel alsof Roodkapjes hart stilstond van angst. Ze kon geen stap meer verzetten en geen enkel geluid uitbrengen. Maar Meneer de Wolf wist dat de houthakkers in de buurt waren en kon niets doen, hoewel hij wel trek had in zo'n mals boutje. “Wat doe jij hier?” vroeg hij brommend. “Ik wilde alleen wat bloemen plukken, Meneer de Wolf. Het spijt me, ik zal het nooit meer doen.” zei Roodkapje. Nu keek Meneer de Wolf haar wat vriendelijker aan en zei dat het nou ook weer niet zó erg was. Hij vroeg voor wie die bloemen en het eten in het mandje dan waren, en Roodkapje vertelde over Grootmoeder die een beetje grieperig was. “Dat is lief van je, dat je zo'n eind loopt voor je grootmoeder” zei de wolf vriendelijk. Roodkapje glimlachte, en vond dat de wolf veel vriendelijker was dan de mensen over hem vertelden. Roodkapje vroeg waarom dat zo was, en vertelde dat haar moeder en de houthakkers haar gewaarschuwd hadden om vooral niet het pad af te gaan vanwege Meneer de Wolf. Meneer de Wolf keek heel verdrietig toen hij dat hoorde en zei: “Maar je ziet nu toch zelf, lief kind, dat ik helemaal niet zo gemeen ben. Nog voor Roodkapje kon antwoorden vroeg hij of haar grootmoeder alleen in haar huisje woonde, en of ze een man had. Roodkapje vertelde dat haar grootvader al een aantal jaren geleden was overleden. Meneer de Wolf vroeg toen hoe Roodkapje dan binnen kon komen, als grootmoeder met griep op bed lag. En Roodkapje legde uit dat grootmoeder een touwtje om de klink had vastgemaakt en door de brievenbus gestoken. Zodat Roodkapje naar binnen kon wanneer ze aan het touwtje trok. “Nou, ik ga weer verder met mijn wandeling. Maak jij maar rustig je boeketje af, en loop dan naar je grootmoeder.” zei Meneer de Wolf, en hij vertrok.

Hij liep snel met een omweg naar het huisje van grootmoeder en klopte op de deur. “Wie is daar?” klonk een zwakke stem. “Ikke grootmoeder!” zei Meneer de Wolf met een hoog stemmetje. “Roodkapje?”, zei grootmoeder, “Trek maar aan het touwtje en kom binnen, lief kind.” Meneer de Wolf trok aan het touwtje en ging het huis in. In de slaapkamer stortte hij zich bovenop grootmoeder en scheurde haar de kleren van het lijf. Uiteindelijk sloot hij haar op in de kelder en deed wat kleren aan die hij in de kast vond. Hij deed een grote wollen muts op en ging in bed liggen met de dekens hoog opgetrokken, wachtend op Roodkapje. “Hè, hè!”, bromde hij, “Dat was een taaie kluif, dat malse boutje zal me dadelijk vast heerlijk smaken!”. Roodkapje was inmiddels alweer onderweg naar het huisje van grootmoeder met het mandje en de twee boeketten met prachtige bloemen. Ze zong weer luid, en de vogeltjes om haar heen zongen ook. Ze zongen luid “GEVAAR! – GEVAAR!”, maar Roodkapje snapte niet wat ze bedoelde. Roodkapje liep flink door omdat ze inmiddels best wel honger had gekregen, en ze hoopte dat grootmoeder haar een broodje zou geven. Toen ze bij het huisje aankwam klopte ze op de deur. “Wie is daar?” hoorde ze, en Roodkapje dacht dat grootmoeder wel heel ziek moest zijn als haar stem zó schor was. “Ikke grootmoeder!” zei Roodkapje, en de schorre stem antwoordde: ““Roodkapje? Trek maar aan het touwtje en kom binnen, lief kind.”. Dat deed Roodkapje, en ze liep door het huisje naar grootmoeders slaapkamer. Daar lag Meneer de Wolf al in bed op haar te wachten. “Hoe gaat het grootmoeder?” vroeg Roodkapje. “Niet zo goed, kind.”, klonk het vanuit het bed, “Ik heb het zo verschrikkelijk koud. Kun jij niet eventjes bij mij in bed komen liggen? Als jij een poosje bij me ligt wordt ik misschien wat warmer.” Roodkapje zei dat als grootmoeder dat echt zo graag wilde, ze wel naast haar zou kruipen. Ze trok haar schoenen en bovenkleertjes uit, legde het rode mutsje op het kastje en stapte in bed bij Meneer de Wolf. “Eigenlijk zou het veel beter zijn als U bij ons komt wonen, grootmoeder.”, zei Roodkapje. Want dat had ze haar moeder ook al heel vaak horen zeggen, ze keek opzij en zag nu dat grootmoeder er wel heel vreemd uitzag. “Grootmoeder”, zei ze, “Wat heeft U borstelige wenkbrauwen!”. “Dat komt doordat ik ze al een tijdje niet geëpileerd heb, lief kind.” klonk het antwoord. “En grootmoeder, wat staan uw haren wild!” “Dat komt doordat ik ze vandaag nog niet gekamd heb, lief kind.” “En grootmoeder, volgens mij heeft U een snor!”. Meneer de Wolf legde zijn hand op Roodkapjes schouder en zei: “Dat komt door de leeftijd, ik ben niet meer zo mooi en jong als jij, lief kind.”. Roodkapje keek naar de hand op haar schouder en zei, terwijl er inmiddels iets bij haar begon te dagen: “Grootmoeder, waarom heeft U van die grote handen?” “Dat is om jou beter te kunnen vasthouden!” zei Meneer de Wolf, en hij greep Roodkapje hardhandig beet. Die gilde luid, en ze rolden worstelend over de grond.

Toen werd er op de deur gebonsd, en er klonk een diepe mannenstem die Roodkapje herkende als de stem van rechercheur De Jager. “HELP!” riep Roodkapje zo hard als ze kon. Ze hoorde hoe de deur van het huisje werd ingetrapt en rennende voetstappen richting de slaapkamer kwamen. Meneer de Wolf stond op, en greep naar een ijzeren kandelaar en haalde daarmee uit naar rechercheur De Jager toen hij de kamer binnenkwam. Maar rechercheur De Jager ontweek de kandelaar en schoot met zijn pistool een kogel recht door het hart van Meneer de Wolf. Hij was op slag dood. Een paar dagen later stond in alle kranten van het land geschreven over de gebeurtenissen die Roodkapje overkomen waren. Roodkapje had samen met grootmoeder, die inmiddels bij hen in huis woonde, aan de journalisten het hele verhaal verteld. Ze hoopte dat de mensen het dan zouden lezen en er een les uit zouden trekken, zodat zoiets nooit meer zou kunnen gebeuren. Want voor iemand anders zou het misschien niet zo goed aflopen als het voor haar gedaan had.

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Grappig hoor, het sprookje ff net weer een andere wending geven.