Rogge en moederkoorn

Door Herborist gepubliceerd op Wednesday 14 November 14:00

 

Rogge schijnt zijn wortels te hebben in Centraal-Azië, het trok vanaf 4000 voor Christus langzaam westwaarts als onkruid tussen de tarwe- en gerstaanplant van nomadenstammen. Het bereikte de Baltische kust rond 2000 voor Christus, bleek beter dan andere graansoorten te groeien in de arme grond en het koele en vooral vochtige klimaat, en werd in cultuur gebracht rond 400 voor Christus. 
 
Rogge was nauwelijks bekend in de landen rond de Middellandse Zee. Tot in de laatste eeuw was het de voornaamste grondstof voor het brood van de armere bevolking van Noord-Europa en zelfs nu blijft de hang naar rogge bestaan, vooral in Scandinavië en Oost-Europa. In West-Duitsland overtrof de tarweproductie die van rogge voor het eerst pas in 1957, Oost-Duitsland volgde negen jaar later. In de Verenigde Staten is nu 25% van de vrij kleine oogst bestemd voor voedsel, 25 % voor alcoholproductie en de rest wordt als veevoer gebruikt. 
 
Plinius over rogge
Plinius noemt dit koren Secale zo blijkt uit het 16de kapittel van zijn 18de boek waar hij schrijft: ‘Het is vreemd en zeldzaam om te zeggen dat er iets zou wezen dat door onachtzaamheid bevorderd wordt, zulks is nochtans die soort van koren die we Secale en Farrago noemen wat verder geen teelt nodig heeft dan alleen wat omgeroerd of bedekt te worden met de eg of wiel als het gezaaid is. Deze Secale of rogge wordt nu in Italië omtrent Turijn bij de hoge Alpenbergen Asia genoemd wat het allerergste of het allerzwartste en bruinste van alle koren is  en dient bijna nergens toe dan om de honger er mee te stillen die vele, maar dunne en tere halmen of stoppels voortbrengt die droef en onbehaaglijk om te zien zijn door zijn zwartachtigheid, maar van gewicht gaat het ander koren te boven waarom dat het nochtans de maag of het lichaam ook bijster lastig en onaangenaam valt. Het groeit op allerhande grond en brengt voor een graan honderd granen voort en dient zichzelf voor mest’
 
Dodoens over rogge
'Het brood of de bloem van rogge dat beslagen of gekneed is met azijn en olie van rozen en notenmuskaten is zeer goed tegen de gedurige zinkingen, katarren en openingen van de gangen van de hersens.
Diegene die te veel gedronken hebben nemen bier en gemorzeld roggebrood en eten dat met wat suiker.
De pasteibakkers maken de korsten van de pasteien van rogge omdat die langer goed zou blijven.
De meesters van de paarden geven het graan van rogge in water gekookt met korianderzaad om de wormen van de paarden te doden. Hetzelfde mogen de mensen ook wel innemen'.
 
Buiten het graan zelf, werd in de tijd van Dodoens blijkbaar ook het kaf en stro voor medicinale doeleinden gebruikt. 'Het kaf van rogge gekookt met oranjeschellen maakt geel en blinkend haar'. Andere branden de halmen van rogge en maken van de as een loog. Gedistilleerd water van de halmen, bladeren en aren van rogge moest ook de pijn van niergruis verzachten.
 
Roggebrood en roggemeel
Roggedeeg maakt, op grond van de geringe kwaliteiten van het gluten, een zwaar brood, maar een andere eigenschap doet het weer bruikbaar zijn voor vermageringsdiëten. Roggemeel bevat een hoge dosis pentose. Deze componenten hebben een groot waterbindend vermogen, waardoor roggebrood langer 'vers' blijft (zijn vochtigheidsgraad behoudt) dan tarwebrood. Ontbijtkoek en knäckebröd van roggebloem hebben de neiging in de maag op te zwellen en veroorzaken daardoor sneller een gevoel van verzadiging. Daarbij komt dat pentose slechts langzaam wordt afgebroken tot suiker en dus een lange verteringsperiode heeft. Ook dat is een factor die het hongergevoel onderdrukt.
 
Moederkoren of Claviceps purpurea
Afgezien van de culinaire eigenschappen heeft rogge ook een opmerkelijke pathologische en farmacologische invloed op het menselijk leven. De arme grond met het vochtige klimaat, waarin rogge zich thuisvoelt, vormt ook een goed bedje voor de parasiet moederkoorn, een lange vlezige zwam, die zich in de roggeaar nestelt als een grotesk uitziende gerstekorrel. Tussen de elfde en de zestiende eeuw was dit moederkoorn verantwoordelijk voor regelmatig terugkerende epidemieën van wat men noemde het Heilig Vuur of het Sint-Antonius-vuur. Een ziekte met drie groepen van symptomen: abortus; koudvuur (gangreen) waarbij lichaamsuiteinden pijn gaan doen, vervolgens ongevoelig worden, tot zwart verkleuren en afsterven; en hallucinaties, stuipen en toevallen. Minder massaal om zich heen grijpende epidemieën van moederkoornvergiftiging door aangetast meel kwamen in Engeland voor tot 1927, in Frankrijk tot in 1951.
 
Vanaf de middeleeuwen werd het moederkoorn ook als geneesmiddel gebruikt. Het werd toegepast als middel om de weeën op te wekken en behoorde tot in de negentiende eeuw tot de gebruikelijke therapie bij moeilijke bevallingen. Begin twintigste eeuw begonnen scheikundigen de samenstelling van het gif van het moederkoorn te ontrafelen en ontdekten een handjevol alkaloïden met heel verschillende werking. Een daarvan stimuleert een samentrekking van de baarmoeder, sommige zijn hallucinogeen en andere leiden tot verkramping van de bloedvaten, met koudvuur als mogelijk gevolg. Positief kan de werking zijn ingeval van hypertensie, migraine en post-operatieve shock. Het bleek dat al deze alkaloïden één basiscomponent gemeen hadden - lysergine-zuur. In 1943 ontdekte de Zwitserse wetenschapper Albert Hofmann bij een onderzoek naar de eigenschappen van een synthetisch op moederkoorn gelijkend alkaloïd, lyserg(ine)zuurdiëthylamide, LSD. De fameuze synthetische drug uit de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. Maar dat is een ander verhaal.
 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.