Mythologie voor kinderen: het ontstaan van de wereld

Door Bleeker gepubliceerd op Monday 22 October 13:27

Het ontstaan van de wereld

1. Chaos
Aan het begin van alles was er niks. Nou ja, niks, er was wel een ruimte die de Chaos heette. De Chaos was zonder begin en zonder einde maar er waren wel al de ingrediënten. Laten we zeggen de puzzelstukken van alles dat gemaakt kon worden. De puzzelstukjes heetten aarde, water, lucht en vuur. In de ruimte zonder begin of einde, de chaos, zweefden de puzzelstukjes van hier naar daar en weer terug, maar je kon nooit weten welke kant ze zouden opgaan want ze deden maar wat. Ze wisten zelf ook niet goed wat ze aan het doen waren. Soms kwamen er ineens 2 of 3 puzzelstukken bij elkaar die bij elkaar iets waren en na een heel lange tijd (ontelbaar nachtjes slapen) kwamen wonder boven wonder alle puzzelstukken bij elkaar en samen maakten zij Gaia. Gaia was de aarde, de moeder van alles. De puzzelstukken maakten ook de Tartarus. De

Tartarus was heel diep onder de aarde, zo diep, dat er geen licht bij kon komen, het was er altijd pikkedonker en daarom werd het ook wel de donkere onderwereld genoemd Het laatste wat er ontstond door de puzzelstukken was het mooiste dat er is: Eros de liefde. De eerste kinderen van Gaia waren de hemel Uranus en de zee Pontos.


2. Uranus & Kronos
Uranus was de eerste zoon van Gaia en samen waren zij de baas van alles. Gaia gaf samen met Uranus leven aan veel reuzenkinderen zoals de Titanen, drie honderdarmige reuzen en de Cyclopen. Maar Uranus vond de Cyclopen heel erg eng want ze hadden maar één oog en de honderdarmige reuzen vond hij ook heel eng met al die armen. Iedere keer als hij zo’n Cycloop naar hem zag kijken, werd hij bang. En als er toevallig een honderdarmige reus voorbij kwam, verstopte Uranus zich snel tot ze weer weg waren. ‘Zo kan het niet langer.’ Dacht Uranus en hij sloot alle Cyclopen en reuzen op in de Tartarus. ‘Dat is lekker rustig zonder al dat drukke gedoe met die engerds,’ dacht hij, want Uranus hield niet van drukte en gedoe, nee, hij hield juist van stilte en rust. Gaia, de moeder van alle engerds, was daar zo boos over dat ze iets besloot te doen. Ze zagen er misschien een beetje anders uit, maar het waren toch haar kinderen.

Ze ging naar Kronos. Kronos was één van haar Titanenkinderen, en de Titanen waren niet door Uranus naar de onderwereld gestuurd want die waren niet zo eng. Ze hadden in ieder geval gewoon 2 ogen en 2 armen, en dat scheelde toch. Het waren trouwens toch een soort van zijn kinderen, maar ja, dat waren de Cyclopen en honderdarmige reuzen ook. De Titanen mochten op de aarde wonen van Uranus. Gaia zei tegen Kronos: ‘Jij zou een veel betere baas van alles zijn dan je vader, dat is zo’n ontzettende luiwammes en bangerik!’ ‘Maar mam, dat kan ik helemaal niet! Riep Kronos uit, want Uranus was veel sterker. ‘Wacht maar,’ zei Gaia, ‘Ik help je wel, kijk maar wat er straks in de grond zit.’ Vol verwachting keek Kronos naar de grond. Langzaam kleurde de grond donkerder. Het leek wel een potloodstroop die steeds dikker en donkerder werd. ‘Dit is ijzer.’ Zei Gaia, en ze maakte er een grote zeis voor Kronos van. Hij stormde met de zeis op Uranus af die half lag te slapen in zijn troon. Uranus deed één oog open en schrok zich een rotje! Hij kon nog maar net op tijd wegduiken. ‘Hé! Ben je helemaal betoeterd! Je arme vader zo te laten schrikken, schaam je!’Kronos luisterde niet en sloeg met de zeis in het rond en probeerde te raken wat hij raken kon. Uranus dook alle kanten op, maar de zeis was zo groot dat hij wel geraakt werd en hij riep: ‘Hou op! Hou op! Jij hebt gewonnen, laat me met rust, ik wil alleen een beetje rust, is dat soms teveel gevraagd?’ Uranus klom uit zijn troon en rende weg. Terwijl Kronos op de troon ging zitten riep zijn vader naar hem: ’Bij jou zal hetzelfde gebeuren als bij mij; ook jij zal een kind krijgen dat je verslaat en die de baas van alles wordt.’



3. Kronos bedenkt een plannetje
In die tijd kwamen voorspellingen, die ze orakels noemden, altijd uit en Kronos was doodsbenauwd voor dit orakel. ‘Ik wil de baas blijven,’ dacht hij en hij hoopte maar dat zijn vrouw Rhea geen kinderen zou krijgen. Op een dag kwam Rhea naar Kronos toe en zei tegen hem: ‘Ik heb een kindje gekregen, je bent vader geworden van een jongetje en hij heet Hades.’ ‘Waar is de kleine lieveling?’ Vroeg Kronos, en hij ging op zoek. Toen hij de kleine jongen zag liggen, pakte hij hem voorzichtig op. Kronos was reuzengroot, en de baby in zijn handen was voor hem net zo groot als een appel. Hij keek naar de jongen en dacht: ‘Ik moet wat doen want anders verslaat hij mij later als hij groter is en dan wordt deze Hades de baas van alles.’ Rhea kwam binnen en vroeg aan Kronos: ‘Is hij niet om op te eten?’ Kronos keek naar Rhea. Toen keek hij naar de pietepeuterig kleine baby in zijn handen en dacht ‘Dat is een goed idee!’ Met één grote hap verdween de kleine Hades in de buik van zijn vader. ‘Wat doe je nou!’ gilde Rhea, ‘Je kan toch niet je kind opeten? Ben je helemaal gek geworden of zo?’ Trots keek Kronos zijn vrouw aan. Hij vond dat hij een briljant idee had verzonnen. ‘Nou,’ zei hij, ‘je zei het eigenlijk zelf.’ Woedend liep Rhea weg. ‘Ik hoop dat je flink buikpijn krijgt!’ riep ze nog. Toen Rhea weer een baby had gekregen, stond Kronos gebogen over het kindje. ‘Hoe heet ie?’ Vroeg hij. ‘Poseidon,’ zei Rhea, ‘en blijf van hem af.’ Maar Kronos bleef niet van hem af en toen Rhea even niet keek, at hij gauw Poseidon op. ‘Deze was nog lekkerder dan de vorige!’ lachte hij terwijl Rhea hem zwaaiend met haar staf achterna rende.

4. Moeder aarde helpt een handje
Het volgende baby’tje was een meisje: Hera. Kronos keek ernaar en wist niet goed wat hij moest doen, zou een meisje hem kunnen verslaan en de baas van alles kunnen worden? Hij dacht goed na en wist zeker dat het orakel had gesproken over een kind’, en niet een zoon, dit meisje zou hem dus ook van de troon kunnen stoten. Kronos bedacht zich geen moment en slikte zijn dochter Hera in één keer door. Ook de meisjes Hestia en Demeter die daarna geboren werden, werden telkens meteen, zonder boe of ba verslonden door Kronos. Rhea was natuurlijk erg verdrietig dat al haar kinderen opgegeten werden door hun vader en ze ging met Gaia praten. ‘Gaia, alsjeblieft, zeg me wat ik moet doen’, huilde Rhea. ‘Die woesteling van een Kronos eet al mijn kinderen op, help me alsjeblieft moeder aarde, want ik krijg snel weer een kindje’ ‘Ik zal je precies vertellen wat je moet doen lieverd.’ Zei Gaia. ‘Als dit kindje geboren wordt, moet je het direct verstoppen. Dan doe je een grote steen in een doek en hou het in je armen. Kronos zal denken dat het de baby is.’


5. De geboorte van Zeus
Niet lang daarna kreeg Rhea inderdaad een kindje. Ze noemde hem Zeus en gelijk na zijn geboorte verstopte ze hem bij de bergnimfen. ‘Waar is die nieuwe baby?’ brulde Kronos, ‘Ik wil hem graag zien.’ ‘Oh hier hoor, schat!’ Riep Rhea naar hem terwijl ze een flinke steen in doeken wikkelde. ‘Mag ik hem eventjes vasthouden? Vroeg Kronos met een poeslief stemmetje. ‘Natuurlijk,’ zei Rhea, ‘het is jouw zoon.’ En ze strekte haar armen met de steen erin naar Kronos. Met een snelle beweging pakte hij de steen uit haar handen en gooide hem in zijn mond. Zonder te kauwen slikte hij de steen door en vroeg: ‘Dat mocht toch wel?’ Snel rende Kronos weg want hij dacht dat Rhea wel weer boos achter hem aan zou komen om hem een draai om zijn oren te geven. ‘Dat plannetje is gelukt!’ dacht Rhea.


6. Zeus redt zijn broers en zussen
Zeus groeide op in Kreta op de berg Ida bij de bergnimfen. Hij kreeg melk van een goddelijke geit en de bijen van de berghelling haalden honing. Als Zeus begon te huilen, gingen alle priesters en priesteressen van Rhea zingen zodat Kronos niets merkte. Zeus groeide op tot een sterke en slimme jongeman, en toen de tijd rijp was, ging hij naar zijn vader. Kronos wist niet dat de jongen voor hem zijn zoon was en vroeg wat de jongen kwam doen. ‘Ik heb een heel bijzonder drankje voor u gemaakt,’ zei Zeus, ‘Het zou me een groot plezier doen als u dat zou willen opdrinken.’ ‘Voor mij?’ vroeg Kronos, ‘Dat vind ik aardig jongeman, kom maar dichterbij dan zal ik eens proeven van dat drankje.’ Zeus gaf de kelk aan zijn vader. Kronos nam een slok, maar omdat hij zo groot was, was na één slok de hele kelk leeg. ‘Het was niet veel he? Lachte Kronos, en toen proefde hij de smaak pas goed. Eerst trok zijn hele gezicht samen alsof hij in een citroen had gehapt. Toen kleurde zijn gezicht langzaam groen. Daarna begon Kronos met zijn buik te schudden en te kokhalzen. Zijn enorme mond ging open en hij kotste. Kronos kotste, maar hij kotste geen kots, nee, hij kotste Hades, Poseidon, Hera, Hestia en Demeter die allemaal ook groot waren geworden, want je weet dat goden onsterfelijk zijn; ze waren opgegroeid in de buik van Kronos. ‘Kom jongens!’ riep Zeus, ‘we jagen die griezel weg!’ en Kronos wist dat Uranus gelijk had gekregen: hij werd verslagen door zijn eigen kinderen.


7. Strijd der Titanen
Maar Kronos liet het er niet bij zitten. Hij ging naar zijn broers de Titanen en vertelde wat er was gebeurd. ‘Help me die vervelende godenkinderen te verslaan, dan zal ik jullie allemaal heel belangrijk maken.’ Zei Kronos, en dat wilden de Titanen wel, ze hadden al lang genoeg op de aarde rondgelopen zonder echt belangrijk te zijn, en dat terwijl de Titanen juist allemaal zo groot en sterk waren. Een paar Titanen deden niet mee met Kronos: Oceanus, Thetys, Coeus en Themis gaven Zeus groot gelijk. ‘Het is toch logisch dat ze boos op je zijn, broertje,’ zeiden ze, ‘Je hebt ze tenslotte zonder pardon opgegeten.’ ‘Wij doen niet mee met je gemene plannetje, wij gaan Zeus waarschuwen.’ Toen ze Zeus vertelden dat zijn vader met alle Titanen onderweg was om Zeus en zijn broers en zussen te verslaan, werd Zeus toch wel een beetje nerveus. Van al die vervelende Titanen konden ze niet winnen. ‘Ik heb ook helpers nodig.’ Dacht Zeus. ‘Maar wie zou mij kunnen helpen?’ Opeens wist hij het: hij daalde af naar de Tartarus en liet alle Cyclopen en honderdarmige reuzen vrij. ‘Jullie zijn vrij,’ riep Zeus, ‘en iedereen die zijn dankbaarheid wil tonen kan dat doen door mij te helpen.’ De Cyclopen en reuzen waren dolgelukkig dat ze weer uit die nare onderwereld weg mochten en wilden niets liever dan Zeus laten zien hoe dankbaar ze wel niet waren.

‘Wat moeten we doen, Zeus?’ vroeg een hele grote Cycloop vooraan. ‘Mijn vader Kronos is met zijn broers de Titanen op weg om mij weg te jagen, en ik wil graag dat jullie mij helpen.’ ‘Ja,’ riep een honderdarmige reus achteraan, ‘maar de Titanen zijn ook onze broers.’ ‘En Kronos heeft Uranus weggejaagd, en die had ons hier in de Tartarus opgesloten.’ Riep een andere reus. Geroezemoes steeg op uit de onderwereld waar de Cyclopen en honderdarmige reuzen met elkaar aan het praten waren of in zichzelf stonden te mompelen. ‘Stil!’ Riep Zeus hard, ‘Jullie broers hebben jullie hier al die jaren laten zitten zonder naar jullie op of om te kijken, lekker leuke broers zijn dat zeg!’ en hij lachte schamper. ‘Ik dacht wel aan jullie. Ik heb jullie bevrijd.’ Iedereen was stil. ‘Wie me wil helpen mag nu met me meekomen.’ Zei Zeus en hij draaide zich om en liep weg. Langzaam begonnen een paar Cyclopen achter hem aan te lopen, steeds meer, en toen ook de honderdarmige reuzen Zeus volgden, liep weldra de hele stoet achter hem, onder de groene hemel de bergen in.


8. De bestorming van de Olympus
Zeus, zijn broers Hades en Poseidon, zijn zussen Hera, Hestia en Demeter, de Cyclopen en de honderdarmige reuzen beklommen de hoogste berg van Griekenland de Olympus en van daaruit zagen ze hoe de verschrikkelijke Titanen omhoog klommen. De honderdarmige reuzen pakten in iedere hand een steen, telden af: ‘één, twee, drie’, en driehonderd stenen suisden de berg af. De Titanen probeerden weg te duiken, maar een paar waren te laat en rolden met steen en al de Olympus af. Tegen zoveel stenen waren ze niet opgewassen. Toen de Titanen verder wilden klimmen, hadden de reuzen alweer nieuwe stenen verzameld. De Cyclopen kwamen naar Zeus toe gerend, ‘Zeus, Zeus, we hebben wat voor je gemaakt.’ Duizenden bliksemschichten hadden de Cyclopen gesmeed. Zeus pakte er eentje en gooide hem zo hard als hij kon naar de Titanen. De bliksemschicht flitste door de lucht en raakte de voorste Titaan, die gillend, met zijn billen in brand de naar beneden viel. Zonder te stoppen gooide Zeus de bliksemschichten de berg af terwijl de Cyclopen al nieuwe bliksem aan het smeden waren, en ook de honderdarmige reuzen gooiden onophoudelijk grote stenen naar hun broers. Toen ze geen stenen meer konden vinden, braken ze gewoon stukjes van de bergtop af om mee te smijten. De Titanen konden onmogelijk winnen: ze klommen naar boven, en als ze halverwege waren werden ze door een steen of door de bliksem geraakt en tuimelden ze weer naar beneden. Als het er al eentje toevallig lukte om heelhuids boven te komen, stonden daar Hades en Poseidon, of anders wel zo’n enge Cycloop te wachten om hem terug naar zijn makkers te slaan. Dan konden ze weer van vooraf aan beginnen. Ze keken moedeloos naar de hoge berg. ‘Dat lukt nooit,’ somberde één van de Titanen, ‘Die berg is nog hoger dan die twee bergen die er naast staan.’ Een heel slimme Titaan die hem gehoord had kreeg plots een plan: ‘Als we die twee bergen nou eens op elkaar zetten?’ opperde hij, ‘Dan kunnen we misschien wel bij die vervelende goden komen.’ De Titanen tilden met z’n allen de bergen op elkaar. ‘Naar boven allemaal!’ Schreeuwde Kronos, en alle Titanen stormden de berg op. De Cyclopen hadden ondertussen talloze nieuwe bliksemschichten voor Zeus gemaakt en met welgemikte worpen joeg Zeus met zijn bliksem de Titanen terug. Na de zoveelste keer naar beneden te zijn gerold, konden de Titanen echt niet meer en lagen uitgeteld aan de voet van de Olympus. Zeus kwam de berg af: ‘Stelletje gemeneriken! Ik stuur jullie allemaal naar de Tartarus.’ Zei hij, ‘en omdat ik jullie voor geen cent vertrouw, worden jullie allemaal vastgebonden, dat zal jullie leren!’ ‘Oooh, nee!’ Jammerden de Titanen. Maar Kronos fluisterde in het oor van een andere Titaan: ‘Die kettingen krijgen we heus wel los als we ons best doen.’ Zeus ging verder: ‘En om er voor te zorgen dat jullie niet stiekem proberen de kettingen los te maken, gaan de Cyclopen mee om jullie te bewaken.’ Een oorverdovend gehuil, gesnik en gesnotter steeg op uit de menigte. De Titanen wisten dat ze voor altijd in de Tartarus zouden moeten blijven.



9. De Goden grijpen de macht
Zeus was zijn broers heel dankbaar voor hun hulp bij het gevecht, hij wilde ze belonen. ‘Hades, Poseidon, ik heb wat leuks voor jullie.’ Zei hij. ‘Oh ja? Wat dan?’ wilden de broers weten, ze waren natuurlijk hartstikke nieuwsgierig. ‘Hades, jij wordt de baas van de Tartaris.’ ‘Goh, echt?’ Vroeg Hades, ‘Wordt ik de baas van alle Cyclopen en alles in de onderwereld?’ ‘Ja,’ zei Zeus, ‘Ga maar gauw.’ En op een draf zocht Hades zijn weg naar zijn troon in de donkere onderwereld. ‘En jij, Poseidon,’ ging Zeus verder, ‘Jij krijgt de heerschappij over alle zeeën op de wereld.’ ‘Daar ben ik erg blij mee, Zeus, dankjewel!’ zei Poseidon en dook de golven in. Zeus riep zijn zus Hera en vroeg: ‘Wil je samen met mij op de troon van de hemel zitten? Met z’n tweeën zullen we oppermachtig zijn.’ Dat wilde Hera maar wat graag, en dolgelukkig huppelde ze over de top van de Olympus.




10. Godenkinderen
De eerste dochter van Zeus steeg op uit het schuim van de zee. Ze was de prachtigste en liefste verschijning die de goden ooit hadden gezien. Haar naam was Aphrodite.

Aphrodite was de god van de liefde en schoonheid. Zeus kreeg veel kinderen. Van Leto, een dochter van de Titaan Coeus, kreeg hij twee kinderen: de god Phoebus Apollo die de beschermheer was van de wet en alles wat goed is in de natuur en in de mensenwereld, en de god Artemis, zij gaf de natuur het frisse bloeiende leven. Van Hera kreeg Zeus een zoon die Hephaestus heette, maar toen hij geboren werd en Hera zag hem, vond ze hem zo ontzettend lelijk dat ze hem van de top van de Olympus naar beneden gooide. Hephaestus kwam gelukkig goed terecht en werd door zeenimfen op de bodem van de oceaan opgevoed. Hij leerde vuur bedwingen en kon de prachtigste dingen maken van metaal dat hij in het vuur smeedde.

Zeus was weliswaar een heel slimme god, toch was er een god die nog slimmer was dan hij. De dochter van Oceanus en Thetys, Metis, was de slimste van alle goden, en Zeus was slim genoeg om dat te toe te geven. Hij vroeg Metis regelmatig om goede raad als hij even niet meer wist wat hij moest doen, en ze had hem nog nooit teleurgesteld. Wat een slimmerik was die Metis! Maar op een dag gebeurde er iets ergs: Gaia voorspelde Zeus dat hij een kind van Metis zou krijgen dat machtiger zou worden dan hij. Zeus schrok, zou hem hetzelfde te wachten staan als zijn vader en de vader van zijn vader? Peinzend liep hij rondjes over de top van de Olympus. Hij moest zelf iets bedenken, hierover kon hij Metis niet om advies vragen. Dagenlang pijnigde Zeus zijn hoofd, hij had wel een ideetje, maar het was niet zo’n aardig ideetje. Tenslotte besloot hij maar dat hij het onaardige plannetje moest uitvoeren; hij kon echt niets anders bedenken. Hij liet Metis naar hem toe komen en zei tegen haar: ‘Je hebt me altijd heel goed geholpen met je wijze raad, Metis. Maar soms kan ik je niet vinden als ik wat wil weten. Zou het niet handig zijn als je altijd bij me bent?’ en voordat Metis had kunnen antwoorden had Zeus zijn mond wagenwijd geopend en slokte Metis naar binnen. ‘Nu kun je me altijd raad geven omdat je nu altijd bij me bent, slim he?’ Zei hij. ‘Best slim,’ liet Metis weten, ‘maar ik weet niet zeker of ik er echt heel blij mee ben.’
Niet lang daarna had Zeus een verschrikkelijke hoofdpijn. Hij had zo’n enorme hoofdpijn dat het leek of zijn hoofd uit elkaar zou barsten. Zeus brulde het uit van de pijn. Hij brulde zo hard dat het heelal ervan dreunde. Toen gebeurde het: het hoofd van de oppergod Zeus barstte open en de monden van de goden vielen open. Een mooie jonge vrouw kwam te voorschijn uit het hoofd van Zeus. Ze had een schitterende helm op, een prachtig versierd schild in haar hand en een lange scherpe speer in haar andere hand. Haar naam was Pallas Athene. Zij was minstens net zo slim als Zeus en werd de lievelingsdochter van Zeus. Pallas Athene heeft de mensen op de aarde veel nuttige uitvindingen gegeven zoals de wagen en de boot, en zelfs heeft Pallas Athene de mensen geleerd met getallen te werken.


11. De wedstrijd tussen Poseidon en Pallas Athene
Bij het stichten van een stad wilden de mensen in die tijd graag dat één van de goden hun stad zou beschermen. De mensen zetten heerlijk eten en drinken neer en bouwden tempels als offer voor de goden en hoopten dat hun stad een beschermgod zou krijgen. Als eerbetoon aan die god zou de stad dezelfde naam krijgen als de beschermgod. Toen er een prachtige stad in Griekenland ontstond, wilden zowel Pallas Athene als Poseidon graag de beschermgod van de nieuwe stad worden. Zeus wilde ze allebei niet teleurstellen en besloot dat er een wedstrijd gehouden moest worden, de winnaar zou de beschermgod van de nieuwe stad worden. Pallas Athene en Poseidon moesten allebei iets maken voor de mensen in de stad, en alle andere goden speelden voor jury, zij moesten bepalen aan welk cadeautje de mensen het meest zouden hebben.
Poseidon mocht beginnen. Hij rees op uit de zee en sloeg met zijn drietand krachtig op de rotsen naast de stadsburcht en er ontsprong een zoutwaterbron, uit die bron sprong hinnikend het eerste paard. Wat een prachtig cadeau was dat! De goden applaudisseerden opgewonden voor Poseidon.
Het paard kon de mensen helpen met het zware werk, ze konden zich veel sneller verplaatsen, en ook nog een wagen achter het paard spannen waardoor ze heel zware spullen op een gemakkelijke en snelle manier konden vervoeren. De goden konden zich geen beter cadeau voorstellen dan dit. Hierna was het de beurt aan Pallas Athene. Met haar speer stak ze in de grond naast de zoutwaterbron, en de eerste olijfboom begon te groeien, het symbool van vrede. Ze legden de mensen uit wat ze konden doen met het hout van de stam en met de takken. Bovendien vertelde ze de mensen dat de vruchten niet alleen konden worden gegeten, maar ook uitgeperst konden worden. De olijfolie die eruit zou druppelen kon gebruikt worden voor eten, maar ook om lichamen mee in te smeren na een lange dag werken, voor ontspanning. Alle mannelijke goden kozen het paard van Poseidon als winnaar, maar alle godinnen kozen de olijfboom van Pallas Athene. De stad had nog steeds geen beschermgod. Daarop besloot Zeus dat de koning van de stad een winnaar mocht kiezen. De koning koos de boom van Pallas Athene omdat de stad daar niet alleen de komende jaren, maar voor de rest van zijn bestaan iets aan zou hebben en tot in de eeuwigheid rijkdom naar de stad zou brengen. Sindsdien is Pallas Athene beschermgod van de stad Athene, hoofdstad van Griekenland.


12. Een laatste beproeving
Gaia vond het verschrikkelijk dat haar kinderen zaten opgesloten in de onderwereld. Ze was erg boos dat Zeus alle Titanen had opgesloten en ze stuurde een honderdkoppig, vuurspuwend monster op Zeus af. Zeus schrok wel, maar won het gevecht gemakkelijk. Nog steeds gaf Gaia niet op; zij ging de Tartaris in en hitste de verschrikkelijke Giganten op de hemel te bestormen. De Giganten waren reusachtige monsters en verschrikkelijk om te zien; ze hadden geschubde drakenstaarten in plaats van voeten. Ze dachten al aan Athene en Aphrodite die ze tot hun vrouw zouden maken als ze de goden overwonnen hadden. De Giganten braken met hulp van Gaia vrij uit de onderwereld en er begon een gruwelijke strijd tussen de goden en de Giganten. De goden waren niet helemaal gerust op een goede afloop, want de Giganten waren nog sterker en veel groter dan de Titanen. Het waren de meest afschrikwekkende wezens die ze ooit hadden gezien. Zeus liet zijn zoon Hermes, de boodschapper van de goden, bij zich komen en sprak tot hem: ‘Ik heb een zoon op aarde. Zijn moeder is geen god, dus de jongen is niet onsterfelijk, maar zijn kracht is goddelijk. Geen mens is zo sterk als deze halfgod. Ga naar de aarde en haal mijn zoon Herakles naar de hemel om mee te vechten.’ Herakles kwam dolgraag mee met Hermes; hij was zo trots als een pauw dat hij met de goden mee mocht doen. Samen met Herakles versloegen de goden de Giganten en daarna durfde niemand meer de strijd aan te gaan met Zeus.

Nog steeds zit Zeus hoog op de top van de Olympus als oppergod in de kring van de goden. Er valt geen sneeuw, er is geen regen en je voelt er geen wind. Nectar en Ambrozijn is wat de Goden eten en dat voedsel zorgt ervoor dat de goden niet dood kunnen gaan en geen jaar ouder worden


Einde










 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.