6. Ongeslachtelijke voortplanting

Door Zoefie99 gepubliceerd op Saturday 30 November 14:00

Zaadplanten planten zich voort met zaden. Een zaad ontstaat uit een zaadbeginsel waarvan de eicel is bevrucht. Als er bij voortplanting bevruchting plaatsvindt, spreken we van geslachtelijke voortplanting. Bij zaadplanten vindt geslachtelijke voortplanting plaats als de kern van een stuifmeelkorrel versmelt met de kern van een eicel. Zaadplanten kunnen zich ook voortplanten zonder dat daarbij bevruchting plaatsvindt. Een deel van de plant groeit dan uit tot een nieuwe plant. We spreken dan van ongeslachtelijke voortplanting. Bij dit soort planten groeien vaak aan de rand van de bladeren kleine plantjes. Als deze plantjes afvallen, kunnen ze elk uitgroeien tot een nieuwe plant. Er zijn nog vele ander manieren waarop ongeslachtelijke voortplanting kan plaatsvinden.

KNOLLEN

Bij aardappelplanten vind ongeslachtelijke voortplanting plaats door middel van knollen. Veel planten slaan in de herfst reservevoedsel op in hun wortels. Er zijn ook planten die reservevoedsel opslaan in het onderste deel van de stengel, dat onder de grond zit. Als zo’n stengel verdikt is, noemen we deze een knol. Een aardappel is een knol. Een knol heeft knoppen. Bij een aardappel worden die knoppen ‘ogen’ genoemd. In het voorjaar gaan de knoppen uitlopen. Uit een knop die uitloopt groeit een aardappelplant. Tijdens het begin van de groei verbruikt de aardappelplant het reservevoedsel uit de knol. De knol verschrompelt daardoor. De volwassen aardappelplant vormt nieuwe knollen. In de herfst sterft de aardappelplant boven de grond af. De knollen blijven in leven en kunnen in de grond overwinteren. In het voorjaar kan elk van deze knollen weer uitgroeien tot een aardappelplant. In de akkerbouw worden in het voorjaar aardappelen in de grond gestopt. We noemen dat ‘aardappelen poten’. Hieruit groeien aardappelplanten. In de zomer ontwikkelen zich aan deze planten nieuwe aardappelen. Deze worden in het najaar uit de grond gehaald. We noemen dat ‘aardappelen rooien’. Deze aardappelen worden verkocht en gebruikt voor consumptie.

BOLLEN

Uien, narcissen en tulpen zijn bolgewassen. Bij bolgewassen vindt ongeslachtelijke voortplanting plaats door bollen. Een bol bestaat uit een bolschijf met rokken. Rokken zijn verdikte bladeren met reservevoedsel. Tussen de rokken bevinden zich knoppen. Tulpenbollen worden in het najaar in de grond gestopt. Als in het voorjaar een tulpenbol gaat uitlopen, ontstaat uit een van de knoppen (de eindknop) een plant. Hierbij wordt een deel van het reservevoedsel verbruikt, waardoor de rokken verschrompelen. De andere knoppen ontwikkelen zich tot nieuwe bollen. Als de tulpenplant afsterft, wordt de oude bol uit de grond gehaald. Uit de oude bol worden de nieuwe bollen gehaald. Dit heet ‘bollen pellen’. De nieuwe bollen worden in het najaar weer geplant. Elke bol kan dan het volgende voorjaar weer uitlopen tot een nieuwe plant. Uit delen van een tulpenplant (de bollen) kunnen zo nieuwe tulpenplanten ontstaan.

UITLOPERS EN WORTELSTOKKEN

Aardbeienplanten vormen uitlopers. Dat zijn stengels waaraan op bepaalde plaatsen jonge planten ontstaan. Als deze jonge planten worden gescheiden van de ouderplant, ontwikkelen ze zich verder zelfstandig. Uit een deel van een aardbeienplant (een jonge plant aan een uitloper) kan zo een nieuwe aardbeienplant ontstaan. Bij een lelietje-van-dalen groeien jonge planten uit wortelstokken. Ook wortelstokken zijn stengels waaraan jonge planten ontstaan. Als deze jonge planten van de ouderplant worden gescheiden, ontwikkelen ze zich verder zelfstandig.

STEKKEN

Plantenkwekers maken veel gebruik van ongeslachtelijke voortplanting. Ze spreken dan van het vermeerderen van planten. Het vermeerderen van planten kun je ook zelf doen, bijvoorbeeld door een kamerplant te stekken.

WEEFSELKWEEK

Een bijzondere manier van stekken is weefselkweek. Hierbij snijdt een kweker met een scherp mesje okselknoppen of eindknoppen van een plant af. Zo’n afgesneden knop wordt een groeipunt genoemd. De kweker doet de groeipunten in buisjes met speciale voedingsbodem. De groeipunten groeien dan uit tot kleine plantjes. De voedingsbodem bevat alle stoffen die de kleine plantjes nodig hebben. Ook bevat de voedingsbodem speciale stoffen die zorgen voor een snelle groei van de plantjes. Na ongeveer zes weken zijn aan ieder plantje nieuwe groeipunten ontstaan. Door deze groeipunten opnieuw in buisjes met voedingsbodem te zetten, ontstaan er steeds meer plantjes. Als de kweker vindt dat er voldoende plantjes zijn, houdt hij een deel apart. Na enkele weken krijgen deze plantjes een nieuwe voedingsbodem die ervoor zorgt dat de plantjes groter en steviger worden. Daarna kunnen ze in gewone grond worden gezet. Binnen een jaar kunnen er op deze manier uit één plant meer dan 50.000 nieuwe planten worden gemaakt.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.