Cellen en organellen (planten, dieren, bacteriën)

Door Hallom gepubliceerd op Friday 10 January 12:12

Dierlijke cel

Een cel is een klein, levend organisatie-eenheid waaruit een organisme (planten, dieren, schimmels) bestaat.

Cellen kun je onderverdelen in 

Prokaryoten: bacteriën. Deze cellen hebben circulaire chromosomen in het cytoplasma en ze hebben geen organellen zoals de celkern, mitochondria, plastiden, vacuole en vesicles. 

Eukaryoten: planten, dieren, schimmels, algen. Deze cellen hebben wél organellen als celkern en mitochondria. Daarnaast hebben plantencellen en schimmels een celwand. Ook hebben plantencellen plastiden zoals chloroplasten (bladgroenkorrels) en een vacuole. 

Organellen zijn celcompartimenten met bepaalde functies:

Celmembraan: deel van het membraanstelsel dat de cel aan de buitenzijde begrenst; ook organellen zijn door membranen omgeven.

Mitochondriën: boonvormige organellen met een dubbel membraan waarvan het binnenste sterk geplooid is. Functie: ATP-productie d.m.v. aërobe dissimilatie. 

Endoplasmatisch reticulum (ER): holten- en kanalensysteem gevormd door bijna tegen elkaar liggende membranen. Functie: transport van stoffen.

Rough (ruw) ER: met ribosomen

Smooth (glad) ER: zonder ribosomen

Ribosomen: bolvormige organellen op het endoplasmatisch reticulum en vrij in het cytoplasma. Functie: eiwitsynthese, hiervoor bevat DNA in de kern de code.

Golgisysteem: Stapels schijfvormige compartimenten die blaasjes langs de randen afsnoeren en opnemen. Functie: opslag en vorming van stoffen.

Lysosomen: kleine blaasjes met enzymen, gevormd door het Golgisysteem. Functie: vertering bij fagocytose en van afgestorven cel(onderdelen)

Peroxisoom: lijkt op Lysosomen. Een peroxisoom kan H2O2 maken en afbreken. H2O2 is zwaar giftig voor de cel, maar wordt omgezet in water door het enzym catalase.

Centrosoom: ook wel spoellichaam genoemd. Vanuit het centrosoom ontstaat in de celkern tijdens de celdeling een netwerk van vezels. Hieraan voorafgaand is het DNA in de celkern verdubbeld. Tijdens het delen van de cel trekken de vezels de twee DNA-kopieën uit elkaar. Op deze manier komt in iedere nieuwe cel één kopie terecht.

Centrioles: component van Centrosoom.

Microtubules: deze vormen de trekdraden, die de chromosomen van elkaar trekken.

Microfilamenten: kunnen invloed hebben op de stroming van het cytoplasma en de motoriek. Ze zorgen ook voor de cleavage furrow die het cytoplasma in tweeën deelt.

Intermediate filamenten: meest stabiele vorm van het cytoskelet. Deze spelen vanwege hun stabiliteit een rol bij het ondersteunen van het gehele cytoskelet.

Glycosomen: hierin wordt glucose afgebroken (energie).

Microvilli: uitstulpingen van het membraan en zorgen ervoor dat het oppervlak flink vergroot wordt. Dankzij het grote oppervlak kunnen stoffen makkelijker worden opgenomen. Denk aan de dunne darm.

Vacuole: blaasje met water voor het opslaan of transport van stoffen.

Chloroplast: plek waar fotosynthese plaatsvindt in planten & algen.

Celwand: voor structuur en stevigheid van de cel.

Kern: Dd kern van de cel heeft als functie het regelen van celprocessen en is opgebouwd uit kernplasma, kernmembraan en chromosomen.

Chromosoom: (uit het Grieks chroma = kleur en soma = lichaam; het aantal chromosomen wordt met de kleine letter n aangeduid) zijn kleurbare structuren die gedurende de celdeling als staafvormige lichamen waargenomen kunnen worden in een lichtmicroscoop. Chromosomen bestaan uit extreem lange strengen DNA materiaal en fungeren als de drager van genen en regulerende elementen. Het woord chromosoom geeft aan twee identieke zuster chromatiden zolang ze via het centromeer met elkaar verbonden zijn. Volgens gangbare definities wordt elke losse chromatide na scheiding van de chromatiden gedurende celdeling echter als een apart chromosoom beschouwd.

Chromatine: is de stof waaruit chromosomen zijn opgebouwd. Het bestaat voornamelijk uit DNA strengen, histonen (chromosoom-eiwitten) waaromheen het DNA gedurende condensatie (bij de celdeling) gedraaid is, en kleine hoeveelheden RNA.

Chromatiden: aantal chromatiden, dat is het aantal sets DNA moleculen, wordt aangeduid door een kleine letter n) zijn de twee delen (zusterchromatiden) waaruit een chromosoom na replicatie bestaat. Gedurende de mitose of meiose is de plaats waar de zusterchromatiden verbonden zijn (het centromeer) zichtbaar in de vorm van een insnoering. Gedurende de anafase in mitose en anafase II in meiose worden de twee zusterchromatiden bij het centromeer uit elkaar getrokken.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.