Een onverwachte gast

Door Hemelsblauw gepubliceerd op Friday 28 June 19:57

Soms heeft het leven zulke onverwachte wendingen.... lees hier wat een zonderlinge vrouw overkomt op een doodgewone dag...

Ze staat zonder jas in de deuropening en laat haar ogen glijden over het landschap. Er hangen dunne nevelslierten boven de glooiende heuvels. Onder het pluizige vest dat om haar magere lijf hangt rilt ze. Ze gaat het huis binnen en neemt plaats op een oude houten stoel. Haar rug doet pijn. Daarbij heeft ze ook nog haar handen opengehaald aan een roestige spijker die uit de binnenkant  van een oud keukenkastje stak. Hoelang ze daar zit weet ze niet. Buiten wakkert de wind even aan en de takken van de struiken zwiepen tegen het keukenraam.

Ze hoort druppels uit de kraan oneindig traag in de gootsteen vallen en de klok slaat driemaal in het niemandsland waar zij zich gevestigd heeft. In de stilte vindt ze troost en heeft knellende banden uit de bewoonde wereld van zich afgeworpen. Soms spoken de herinneringen aan die worsteling nog door haar dromen als vleermuizen in de schemering. Een tijdje staart ze naar buiten. Ze wil van de tuin een paradijs maken, een paradijs voor haar alleen.

Een paar uur later loopt ze over het hobbelige pad dat door de tuin leidt naar het kleine schuurtje om een zak aardappelen te halen. Plotseling blijft ze staan. De schrik slaat haar om het hart. Er zit iemand op het gammele tuinhek dat de kale voortuin omheint. Ze loopt er naar toe. Het is een kind dat met de rug naar haar toe gekeerd zit. Zijn rode bloesje bezaaid met vlekken bolt op in de wind. Wanneer ze voor het kind staat staren twee donkere vochtige ogen haar geschrokken aan. "Wat doe je hier", bromt ze en haar eigen stem klinkt haar vreemd in de oren. Er komt geen antwoord maar hij schenkt haar een voorzichtige glimlach. "Waar kom je vandaan?", vraagt ze. Met zijn lippen op elkaar geklemd kijkt hij haar verwachtingsvol aan. Er zitten gaten in zijn rafelige blauwe broek en hij is blootsvoets. Er zit niet veel vlees op zijn botten; geen kindervet op zijn wangen. Hoe oud de jongen is vindt ze moeilijk in te schatten.

Er staat een gure wind en het kind draagt geen jas. Ze mompelt wat in zichzelf en bedenkt dat ze hem zo snel mogelijk naar huis moet sturen. Maar eerst moet hij het weer warm krijgen. Ze neemt hem mee naar binnen en zwijgend gaat hij zitten bij het vuur dat brandt in de open haard in de voorkamer. Hij staart in de vlammen en zij geeft hem wat eigen gebakken brood dat hij in een paar happen naar binnen schrokt. Daarna pakt ze resoluut zijn hand vast en leidt hem naar buiten. Ze slaat de deur dicht. Haar hart bonst terwijl ze wacht. Ze hoort niets. Na tien minuten opent ze vertwijfeld de deur en daar staat hij nog steeds, zijn neus rood van de kou.

Wrevelig brengt ze het kind naar bed; dekt hem zwijgend toe en verlaat hem zodra zijn lange wimpers als spinnenpoten op zijn bleke wangen liggen. Ze slaapt nauwelijks. De aanwezigheid van het kind baart haar zorgen die door het hoofd blijven dwalen. Ze is nog wakker zodra de eerste zonnenstralen de kamer binnenvallen en een waas van stofdeeltjes in het licht laat dansen. Niet veel later staat ze maar op en kookt havermoutpap, een dikke brij waar de jongen zijn vingers in doopt hoewel er een lepel naast zijn bord ligt.

Af en toe ruikt ze al het voorjaar in de lucht. Er komt niemand om het kind te halen en ze geeft hem nog geen naam omdat hij niet van haar is. Toch heeft ze een broek genaaid uit een oud gordijn en hij draagt een nachthemd van haar waar ze een stuk van af heeft geknipt. Ze zwoegt in haar toekomstig paradijs, gebogen over de aarde met een bezweet gelaat en zwarte nagels. Ze spit, zaait en schoffelt. Vecht met doornige struiken, kortwiekt ze en haalt de dode takken eruit. De jonge plantjes die al boven de grond verschijnen, mals en lichtgroen, koesteren  zich in de prille lentezon. Het eerste wat in bloei staat is de bruidssluier die zich langs de oude schutting slingert.

Zoals gewoonlijk zit het kind op het gras in de schaduw van de appelboom en wiegt heen en weer. Met argwanende ogen volgt hij haar gestalte terwijl ze in de tuin werkt of de was ophangt. Hij praat nog steeds niet. Soms wijst hij naar boven als er een vogel overvliegt en wappert met zijn armen. Op een heldere namiddag zwerven ze over de stille heide; zij draagt haar hoge zwarte schoenen met veters en het kind klampt zich aan haar lange rokken vast. Een rozige gloed verspreidt zich boven het paars dat zich kilometers voor hen uitstrekt. "Niet doen", zegt ze kriegel tegen hem. "Zo kan ik niet lopen", maar hij laat haar niet los. Tegen wil en dank praat ze soms nog tegen hem, hoewel ze er van overtuigd is dat hij niet kan horen of spreken.

's Nachts brengen haar dromen haar weer terug naar haar kindertijd en ze voelt opnieuw de ijskoude blauwe ogen van haar moeder op zich rusten. Met een droge mond schiet ze wakker en staart in het donker voor zich uit. Er komen geen antwoorden op haar vragen wie de jongen is of  waar hij vandaan komt. Maar zonder woorden die tussen hen staan is het na verloop van tijd alsof hij haar gedachten kan lezen. Verwonderd ziet ze hoe hij aardappelen uit de schuur haalt wanneer ze honger krijgt. Een omslagdoek om haar schouders legt wanneer ze onzichtbaar huivert onder haar kleren. Soms ligt er een boterbloem op haar kussen, op die momenten dat ze door sombere gedachten wordt gekweld en piekert over het lot dat haar een onverwachte gast had opgedrongen.

Op een lome middag zitten ze in de tuin; het kind en zij. Ze kijken naar de vogels en eten een sinaasappel. Met een onbewogen gezicht zit hij in de zon; zijn blonde lokken wapperen in de wind. Maar zijn ogen glimmen en er ligt een roze gloed op zijn wangen. Hij wiegt niet meer heen en weer.

Het wordt zomer; vlinders fladderen onbekommerd door de blauwe lucht en de jongen sprint met ontbloot bovenlijf door het hoge gras en de bontgekleurde bloemenpracht. Ze besluit hem een naam te geven. Ze denkt na  en kiest zorgvuldig iets dat bij hem past. Het wordt Eric, afgeleid van Erica (heide). Met krullerige letters schrijft ze de naam op papier en zet de datum eronder, alsof het een geboorte-akte betreft. Buiten blaast de jongen het pluis van een paardenbloem en voor het eerst schatert hij luid. Ze spitst haar oren en glimlacht terwijl ze opstaat om deeg te kneden voor het brood dat ze die avond gaan eten.

 

 

Reacties (17) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Nieuwe reacties weergeven
Het lijkt wel poezie. Zo mooi!
dat duimpje van mij staat er weer bij
mooi en leerzaam
Heel mooi.
Een heel mooi verhaal, jong en oud hebben elkaar gevonden. Prachtig.
geweldig om te lezen !
Mooi verhaal!