Wandelen naar Santiago de Compostela deel 7

Door Wisdom Dance gepubliceerd op Friday 28 September 12:09

Sinds 1989 hebben zo'n 22.001 Nederlanders de wandeling door Spanje naar Santiago de Compostela gemaakt. Ik liep mijn Camino in 2002 en voltooide mijn wandeling op 21 juni na ruim 1100 km en 45 dagen genieten op Cabo Fisterra aan de Atlantische Oceaan. Dit is deel 7. Van O Cebrero in Gallicië richting Santiago.

In de eerste etappe heb ik over mijn wandeling van Lourdes naar de Spaanse grens verteld en in deel 2 mijn belevingen tussen de Spaanse grens en Puente la Reine. Ik heb me aangesloten bij de heel grote groep pelgrims die vanuit Saint-Jean-Pied-de-Port zijn vertrokken. Gelukkig verspreidt de groep zich over de lange route en ontmoet ik een aantal interessante mensen. Deel 7 gaat over de wandeling door de bergen van O Cebrero op de top van zo'n berg naar een nieuwe bestemming in het prachtige Gallicië.

 

De X faktor

O Cebrero is een bij velen bekend dorpje omdat daar de ontknoping plaats vind van Paulo Coelho's zoektocht naar zijn zwaard in het boek De Pelgrimstocht naar Santiago. Het kerkje en de sfeer zijn precies zoals hij het beschrijft, een beetje sinister, zelfs overdag. Maar dan geniet je van het prachtige uitzicht. Ik heb daar tijd genoeg voor want het duurt nog uren voordat Celine ook boven is. Overal waar je kijkt zie je bergen, een fantastisch wijds landschap en fris groen, want het regent hier vaak. Maar ik tref het met een stralend blauwe lucht en bijna windstil, zelfs boven op die berg.


Als Céline arriveert trekken we na een fikse pauze voor haar verder, nog verder omhoog waar een enorm standbeeld van een pelgrim staat. Heel stoer poseert Céline naast deze reus voordat we verder gaan om een plek om te slapen te vinden. De refugio is niet zo aangenaam als de naam van het plaatsje zou doen verwachten: Hospital. Geen restaurant of winkel te bekennen en dat wordt dus weer delen van onze voorraden met andere pelgrims waardoor het een heel gevarieerde maaltijd wordt. Céline heeft weer veel last van haar enkels en we besluiten de volgende dagen elk ons eigen weg te gaan. Het is namelijk slopend om het tempo van een ander over te nemen. Te snel en je bent heel snel uitgeput, te langzaam en je spieren gaan protesteren.
's Morgens ben ik heel vroeg op weg. Aanvankelijk loop ik op een provinciale weg, maar na een uurtje vind ik een pad dat dwars door de velden gaat, slingerend langs de berghelling. In de dalen hangt nog nevel en de uitzichten zijn plaatjes. Langs de paden staan enorme bremstruiken, soms wel een 

meter of vijf hoog en vol in bloei. Het landschap is nu heuvelachtig, dit waren de laatste echte bergen voor Santiago. Verder merk je aan de plaatsnamen dat je in Galicië bent. Veel namen met een X, zoals Seixo, Foxos, Tejxeira, San Xil en Queixadorio. Het doet me denken aan Asterix en consorten.

Het ruige land

Als ik om een uur of tien een dorpje uit loop komt er een armoedig geklede vrouw op me af met een bord. Ze biedt me een pannenkoek aan en kijkt gespannen toe als ik hem verorber. De smaak is minder dan het uiterlijk, maar een gegeven paard moet je dus niet in de bek kijken. Uit dankbaarheid geef ik de vrouw een euro, maar ze schud haar hoofd ten teken dat het niet goed is en steekt twee vingers op. Ik begrijp het, de pannenkoek kost twee euro. Ik moet lachen om haar handigheid en ga vrolijk een steile holle weg op die naar een dal leidt. 

Ook hier is het uitzicht spectaculair met nog steeds nevel in de dalen. Al gauw moet ik mijn pas inhouden en kom in een file van koeien terecht. Het is een vrij groot aantal en op zo'n holle weg is er geen passeren aan. Zo blijf ik een minuut of twintig achter de groep aansjokken.
Voorlopig gaat het nog steeds bergaf. Dat lijkt gemakkelijk, maar het is vermoeiender dan omhoog. Het is een zware belasting voor je knieën en je rugzak drukt extra zwaar op je bovenrug en schouders. Je moet dan letterlijk door de knieën en dat is voor sommige mensen heel moeilijk.
Rond het middaguur kom ik in Triacastela en kies ervoor om door te lopen naar Sarria om daar te overnachten. En zoals te verwachten gaat het nu weer omhoog. Mijn conditie is nu zo goed dat het me niets meer uitmaakt. Ik ben 36 dagen aan het wandelen en heb ongeveer 850 kilometer onder de zolen. 

Die zijn dan ook behoorlijk aan het slijten, vooral de hakken hebben het zwaar te verduren. Onderweg kom ik weer eens langs een prachtig kapelletje. Ik vind dit veel mooier dan de pracht en praal van een kathedraal. Dit is van en door de mensen. Voor mijn gevoel heeft onze lieve heer dit kerkje in zijn knuist gehad, tuurde door zijn wimpers en besloot het hier met een grote zwaai te deponeren. Boem, daar staat het dan, stevig en laag, bestand tegen weer en wind. En van binnen is het even sober, een plaats om tot jezelf te komen en een deel te worden van de aarde.
De streek wordt steeds ongecultiveerder en mooier. Dat merk je aan de kruisingen van paden en beken. Soms vallen ze samen en moet je, om droge voeten te houden, springen van steen op steen. Ik ben hier helemaal in mijn element. Hoe ruiger hoe leuker.
Aan het eind van de dag, na zo'n 10 uur wandelen, berg op en berg af, zie ik voor me de buitenwijken van Sarria. Dat betekent meestal nog een uurtje lopen en dat klopt ook dit keer. Het oude centrum bereik je via een brug over de Rio Sarria en dan ga je een paar trappen op en steegjes door tot je bij de herberg bent. Daar zie ik al een heleboel bekenden, dus de avond wordt weer laat en gezellig. 

Maar eerst een bed bemachtigen, douchen, schoenen verzorgen, wassen wat je de hele dag gedragen hebt en een waslijn in de zon vinden. Die is er dit keer niet, dus neem ik de natte boel mee de stad in. Ik ga samen met Mike terug naar de rivier en daar wisselen we liggend in het gras ervaringen van de dag uit. De was leg ik in het gras te drogen. We liggen vlak bij de brug en zien regelmatig bekenden hun weg zoeken naar de refugio. Zo nodig vertellen we de kortste route. De manier waarop we met elkaar omgaan doet denken aan dorpsgenoten in de Achterhoek. Je helpt wie dat nodig heeft en wordt geholpen als iemand dat nodig vindt. Internationaal noaberschap. Ik heb al met heel veel nationaliteiten kennis gemaakt: Fransen, Engelsen, Ieren, Schotten, Duitsers, Zwitsers, Oostenrijkers, Belgen, Amerikanen, Brazilianen, Canadezen, Australiërs, Spanjaarden, Italianen en ook Nederlanders. En dan sla ik vast en zeker nog een aantal nationaliteiten over.

Jacobus

Sarria is een leuk stadje, ingeklemd tussen twee rivieren. Het speelt een belangrijke rol in de pelgrimsroute naar Santiago. De pelgrimage wordt pas gehonoreerd met een Compostela, het bewijs dat je de pelgrimage hebt volbracht, als je 100 kilometer hebt gelopen. Van Sarria naar Santiago is iets meer dan 100 kilometer. Veel Spanjaarden lopen meerdere keren in hun leven het stuk van Sarria naar Santiago om hun compostela te verkrijgen. Vroeger was deze pelgrimstocht heel erg belangrijk. Als je hem had volbracht en je was weer thuis stond je meteen in hoog aanzien en als je je volgens de kerk had misdragen kreeg je met je compostela kwijtschelding. Edelen en rijken waren niet te beroerd om de pelgrimage tegen een vergoeding uit te besteden aan zwervers of bedelaars die in hun naam naar het graf van Jacobus liepen. De bedelaar wat geld en de edele zijn aflaat.
Zij liepen toen heel wat meer dan ik heb gedaan. Zij stapten thuis over de drempel en liepen dan vanuit Nederland ongeveer 2500 kilometer. Daar aangekomen moesten ze ook weer terug. En dat moest ook lopend. Vaak waren ze een jaar of meer onderweg. De wegen waren veel slechter dan nu en er waren nog maar heel weinig bruggen om de rivieren over te steken. Wat wij nu doen is dus een toeristische wandeling vergeleken met de pelgrimages van 800 jaar geleden. Ik ken iemand uit Goor die ook heen en terug liep. Op de terugweg werd hij steeds opnieuw er op gewezen dat hij verkeerd liep en om moest draaien. Soms werd hij zelfs met vriendelijk geweld tot omkeren gedwongen, tot hij een bord maakte met in het Spaans de tekst: "Ik ga naar huis".
Santiago betekent Jacobus. Jacobus de meerdere was één van de discipelen van Jezus. Hij zou voor de kust van Spanje zijn gestorven en op de plek waar nu de kathedraal staat zijn begraven. De legende zegt dat hij toen hij aan land werd gebracht helemaal bedekt was met schelpen, inderdaad met Jacobschelpen. Elke zichzelf respecterende pelgrim draagt nu zo'n schelp op zijn rugzak of vastgebonden aan zijn wandelstaf.

Niet ver meer

De avond in Sarria was inderdaad gezellig en het werd heel laat. Toch ging voor mij de wekker om half vijf en om vijf uur zag ik Sarria onder mij liggen. De route van deze dag was vlak en niet erg moeilijk. Ook liepen we door veel dorpen, zodat we genoeg te eten hadden en regelmatig water konden kopen. Dat hoefde je dan niet mee te sjouwen zoals op de stille stukken. In dit landbouwgebied staan kleine huisjes op palen, hórreo genaamd. Het zijn voorraadschuren waarin graan en dergelijke worden bewaard. Ze staan op poten zodat muizen en ratten niet bij de voorraden kunnen komen en de wind kan er doorheen waaien om het in de zomer te koelen. Ze worden nog steeds gebruikt.
Kort voor Portomarin, mijn bestemming voor die dag, zie ik een jonge man in het weiland naast de weg zitten. Zodra hij mij ziet staat hij op en komt naar me toe voor een omhelzing.  Ik heb hem een week of drie geleden in Azofra behandeld aan zijn benen omdat hij niet meer verder kon en van plan was om naar huis te gaan. Na de behandeling had hij nog twee dagen rust gehouden en kon toen weer verder. Nu was hij weer helemaal fit.
Kort na de middag zag ik een prachtig stuwmeer voor me, omgeven door beboste bergen. Dwars over het meer ligt een enorme brug en daarachter het plaatsje Portomarin. Toen het stuwmeer vol liep hebben de bewoners een aantal gebouwen steen voor steen afgebroken en op de huidige plaats weer opgebouwd. Het stadje lijkt dan ook heel oud te zijn en de sfeer is er heel erg goed. Vanaf de brug leidt een trap rechtstreeks naar de hoofdstraat. Nadat ik me heb ingeschreven in de refugio ga ik terug naar de brug. 

Ik geniet van het uitzicht op het water, want dat heb ik tijdens mijn tocht heel erg gemist. Regelmatig komen bekenden over de brug en het zal wel weer net zo gezellig worden als in Sarria.
Boven het meer is aan de rand van het stadje een groot park. 

 

Het is daar heerlijk toeven, want er is daar schaduw en wind, wat best aangenaam is als je bij een graad of dertig hebt gewandeld. Samen met Mike, Myra, Loretta en anderen hebben we een gezellige middag. Het niveau van de conversatie is niet altijd even hoog en de beste opmerking van de dag komt van Mike, die een verhandeling houdt over "the fart you cannot trust" (de wind die je niet kunt vertrouwen). Dat zijn voor pelgrims inderdaad belangwekkende onderwerpen, want het zal je maar gebeuren.

Wordt vervolgd met deel 8

Als je de andere delen wilt lezen geef dan "camino" als zoekopdracht.

Reacties (3) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Schitterende impressie goed verhaal en mooie overzichtelijke foto's duim en pluim van Taco
Geweldig artikel weer!
erg mooi verhaal en beleving !