De vrouw met de rode jurk

Door Rahim00 gepubliceerd op Friday 28 September 12:12

De vrouw met de rode jurk

Ik heb nog steeds slapeloze nachten als ik terugdenk aan die gruwelijke dag ergens op een heuvel ver hier vandaan …. De beelden herleven hier en nu weer in mijn hoofd, na een tijd van dertig jaar en een afstand van duizenden kilometers. Ze waren niet uit mijn geheugen gewist. Nee, ze zouden daar ook nooit worden gewist of uit zichzelf verdwijnen. Ze liggen ergens begraven tussen de miljoenen cellen van mijn hersenen. Af en toe worden ze wel tot leven geroepen als ik iets over de oorlog in mijn land hoor of lees. Maar dat ze de laatste tijd constant mijn gedachten regeren, dat ze zelfs dikwijls de slaap uit mijn ogen verbannen, dat heb ik nooit meegemaakt behalve in de tijd kort na die verschrikkelijke gebeurtenis. Hoe dat komt? Dat weet ik niet. Misschien is het een vraag, naast duizenden andere niet te beantwoorden vragen die een oorlog met zich meebrengt.
Wanneer je vanuit het vliegtuig naar beneden keek, zag het er uit als een droog en verdord gebied. Het leek op een rotsachtig schiereiland dat aan drie kanten omringd werd door een groene zee van uitgestrekte bossen. De vierde kant bestond uit hoge bergen die op hun beurt het hele dorp omsingelden.
Op de top van een aan de rand gelegen heuvel was onze militaire post gevestigd. Van daar keek je over het hele dorp dat van bovenaf bedekt werd door een loofmantel van eeuwenoude bomen. Ooit hadden de huizen vredig daartussen gestaan en onderdak gegeven aan hun eenvoudige en tevreden bewoners. Boven in de bomen huisden vele soorten prachtig gekleurde vogels die ook tot de bewoners van het dorp behoorden. Terwijl beneden een indrukwekkende rivier het landschap doorkruiste.
Het was eind jaren tachtig, toen ik op een dag net als honderdduizenden andere jonge mannen van straat werd opgepakt en afgevoerd om gedwongen in militaire dienst te treden. Zonder dat mijn familie wist waar ik heen zou gaan, werd ik uiteindelijk naar de bewakingspost op deze heuvel gebracht, honderden kilometers ver van huis. Vanaf deze strategische plaats hadden we zicht op het gehele dorp dat zich beneden ons bevond; rechts, links en aan de voorkant. Natuurlijk ook aan de achterzijde, maar daar keek je tegen de hoge bergen aan, die zelfs tot halverwege de zomer bedekt waren met sneeuw. Beneden aan de voet van deze heuvel lag een winkelcentrum en het gemeentehuis dat zwaar bewaakt werd door politieagenten.
Onze opdracht was om in de gaten te houden dat het gemeentehuis niet aangevallen zou worden door de rebellen. Gebeurde dat wel, dan draaiden wij de zware Russische kanonnen die we tot onze beschikking hadden, richting de plek waarvan de schoten kwamen en dan vuurden wij net zo lang totdat we zeker wisten dat de schutters naar de hel waren gegaan. Wij moesten dat doen om de revolutie te verdedigen, waarna vervolgens de communistische maatschappij doorgevoerd zou kunnen worden. Want iedereen moest zich neerleggen bij de historische wetten. Wetten die door een paar mensen waren ontdekt. En nog een paar anderen hadden de taak gekregen om deze uit te voeren. Wie deze wetten niet kende en erkende en niet de geschiedenis wilde meehelpen zich verder en sneller te ontwikkelen, diende ten onder te gaan. Want wij mensen waren niets en de geschiedenis had haar eigen verloop, onafhankelijk van ons. Zij diende ons slechts te gebruiken als middel om zich te verwezenlijken. De geschiedenis is als een trein, werd er gezegd, een trein die zijn eigen weg volgt en de mensen zijn slechts kolen die als brandstof dienen om de locomotief in beweging te houden.

Vroeger ten tijde van de koning, was het één van de mooiste dorpen van het land. Maar nu hadden we het met onze Russische kanonnen, samen met de gevechtshelikopters van onze internationale kameraden in een spookdorp veranderd. Er waren nauwelijks huizen te zien die niet door ons beschoten waren.
In de zomer als er groene bladeren aan de bomen hingen, liepen daaronder overal rebellen, die tegen de regering vochten. Maar in de winter trokken zij zich terug naar veiligere plekken of gingen naar het buitenland. En als het dorp helemaal leeg was, kwamen de arme families, die in de stad niet konden aarden, terug naar hun half gesloopte huizen.

Eigenlijk vocht bijna de hele bevolking tegen de regering. Maar voor de regering en de partij maakte het niet zoveel uit. Of zoals onze commandant zijn partijleider vaak citeerde: “Van die twintig miljoen mensen hebben we maar een kleine vijfhonderdduizend nodig om een communistische, vrije en menselijke maatschappij op te richten.” En de rest mocht van hem gewoon doodgaan, want dat waren allemaal ongeletterde en met bijgeloof vergiftigde mensen, waarvoor geen plaats was in een dergelijke maatschappij. Soms haalde hij een andere partijgenoot van hem aan met een nog mooiere uitspraak: “Ze smeken vijf keer per dag voor het paradijs. Help die zielige mensen gewoon naar hun paradijs te gaan en bevrijd hen van hun leed en pijn want hier in deze aardse wereld hebben ze niets te zoeken!”
Op een zonnige middag zat ik met vier collega’s in onze kamer thee te drinken. Dit was een ruimte opgetrokken uit stenen muren, het enige solide vertrek dat we hadden. Drie soldaten waren buiten met elkaar aan het praten en nog twee anderen stonden op hun bewakingsposities. In de kamer stonden vijf stapelbedden. Ik zat op mijn eigen bed. Naast mijn bed zat een klein raampje van ongeveer één vierkante meter. Ik keek even door het raam naar buiten. De zon stond nog boven de hoge bergen, maar zou daar weldra achter verdwijnen. De zomer was bijna voorbij en was bezig afscheid te nemen, terwijl de herfst al was begonnen met het overschilderen van de bladeren. Het zag er prachtig uit. In tegenstelling tot de zomer wanneer alles groen is, zag je nu allerlei kleuren, licht geel, geel, licht oranje, oranje, rood, donker rood, licht en donker bruin en nog veel meer tinten. Maar sommige bomen die net als ik zwak en gehoorzaam waren, hadden zich neergelegd bij de wetten van de natuur en hadden al hun bladeren laten vallen.
Aan de andere kant van de rivier, tussen de bomen door, zag ik een aantal mensen op het dak van een half gesloopt huis. Aan de lichte kleuren van hun kleding was duidelijk te zien dat het vrouwen en kinderen waren. Ze waren bezig de gedroogde was te verzamelen. 

Net zoals sommige kinderen onafscheidelijk zijn van hun speelgoed, was Najib, onze commandant, helemaal verknocht aan zijn verrekijker. Hij pakte hem van tafel en  vroeg mij of ik iets interessants had ontdekt omdat ik zo lang geboeid naar buiten had zitten kijken. “Nee, niets bijzonders,” zei ik, “maar ik vind die opkomende herfstkleuren altijd zo mooi om te zien”.
Hij stond op richtte zijn blik naar buiten, nam nog een laatste trek van zijn sigaret en gooide daarna de peuk in de asbak die op tafel stond. Bracht met één hand de kijker voor zijn ogen, draaide heel langzaam zijn hoofd van rechts naar links en weer terug. “Aha,” zei hij en bracht zijn linkerhand ook omhoog om met beide handen zijn speelgoed vast te houden. “Ik zie wel mooie duiven op het dak daarginds.” Hij gebruikte het woord duif voor een vrouw.
“Meen je dat? Ik geloof er niets van. Ik heb hier alleen maar vieze monsters met lange baarden en lang haar gezien,” reageerde zijn vervanger en goede vriend Kargar die op zijn bed lag te roken. Kargar was zijn achternaam en betekende arbeider, zijn voornaam was Mahmoed en hij was vertegenwoordiger van de partij en verantwoordelijk voor algemene inlichtingen en politieke zaken.
“Geloof me, deze keer,” zei Najib terwijl zijn hand zich uitstak naar de stoel achter zich als iemand die in het donker op de tast iets zoekt. Hij trok hem naar zich toe en ging erop zitten zonder zijn verrekijker voor zijn ogen weg te halen.
“Ik geloof je wel kameraad Najib, maar die duiven zijn misschien net zo vies en lelijk als hun mannen.”
“Weet ik niet, ik ben benieuwd naar hun gezichten, vooral van die ene met die rode jurk aan die heupwiegend heen en weer loopt. Ze lijkt wel een aardig lijf te hebben, maar ze kijkt jammer genoeg niet deze kant op.”
Naast zijn verrekijker was Najib ook gek op vrouwen en drinken. Overal waar hij keek, zag hij een vrouwenlichaam. In stenen, in bomen, in wolken, in alles. Hij beval dan iedereen er naar te kijken en zei: “Als je die en die tak van die boom afzaagt dan heb je een prachtig lichaam van een veertienjarig meisje en als je dat en dat stukje van die steen wegneemt dan zie je een jonge vrouw die met haar rug naar je toe zit”.
Hoewel hij niet veel at had zijn eigen lijf veel meer vet voor hem verzameld dan het nodig had. Zodat zijn buik te dik voor zijn lengte en te zwaar voor zijn benen was geworden. Zodra hij iets harder moest lopen dan normaal, begon hij al naar adem te snakken. 
Ooit was hij zes maanden in Rusland geweest. Maar als je hem hoorde praten, leek het alsof hij daar geboren en getogen was. Hij vertelde over de vrijheden die de mensen daar hadden, over de manier van leven, over de communistische partij, over de gebouwen, straten, bruggen…, en in het bijzonder over de wodka en de Russische meisjes en vrouwen, waaronder hij ontelbare vriendinnetjes had gehad. Hij was van zichzelf niet erg spraakzaam, maar als je naar zijn verblijf in Rusland  vroeg, dan praatte hij daar onvermoeibaar de rest van de dag mee vol. Hij genoot van zijn eigen verhalen, waarbij hij soms met zijn vuist op tafel sloeg om ze nog meer kracht bij te zetten. Ja het waren mooie tijden geweest en hij raadde iedereen aan om ook een keer naar Rusland te gaan.
“Kon je haar gezicht zien, kameraad Najib?” vroeg Kargar, die nog steeds in zijn bed lag, “of ben je in slaap gevallen?”
“Nee, niet in slaap gevallen, misschien is zij in slaap gevallen, of schaamt ze zich mij recht aan te kijken, zoals wanneer ik haar verloofde zou zijn.” Kargar kwam ineens overeind, liep naar Najib toe, sloeg met zijn hand op zijn schouder en zei: “Wat krijg ik van je kameraad Najib, als ik je haar gezicht laat zien?”
“Hoe dan? Heb je haar foto bij je, of wil je zeggen dat zij een vriendinnetje van je is geweest?” zei Najib glimlachend, terwijl hij zich naar hem toe draaide en zijn verrekijker op tafel zette. “Of kun je toveren?”
“Je moet mij niet vragen hoe, kameraad Najib, je moet gewoon zeggen wat ik van jou krijg, als ik je haar gezicht laat zien!” Najib bleef even stil en zei toen lachend: “Ik geloof je niet, maar zeg het maar, wat wil je?”
“Niet veel kameraad Najib, wees niet bang. Zo’n veeleisend iemand ben ik ook weer niet, toch? Je kent mij al heel lang, voor een fles wodka zou ik je de gezichten van alle vrouwen van dit dorp laten zien,” zei hij lachend, pakte een sigaret uit het doosje dat op tafel lag, stak hem aan, inhaleerde diep en pakte de verrekijker.
Hij zag twee vrouwen die op het dak met elkaar stonden te praten en nog een aantal kinderen die aan het spelen waren. Die twee vrouwen stonden zo tegenover elkaar dat hij het gezicht van geen van beiden kon zien. “Je hebt gelijk kameraad Najib, die ene met die rode jurk die met haar rug deze kant op staat, ziet er wel lekker uit en het is zeker de moeite waard haar gezicht eens te kunnen zien. Ze is vast goed genoeg om een avondje mee door te brengen. Maar eerst wil ik de wodka op tafel zien staan.”
Najib pakte een houten doosje dat onder zijn bed stond en haalde er een fles wodka uit. Hij opende deze zonder een woord te zeggen, pakte een glas, schonk in en zette alles terug op tafel. “Alsjeblieft kameraad Kargar en laat me nu je kunstje zien.”
“Geef me mijn geweer maar,” zei Kargar.
“Jouw geweer? Hoe bedoel je, kameraad Kargar? Ben je nu al dronken misschien?” “Vraag me niet hoe en wat; je wilde gewoon haar gezicht zien, toch? Ik ga niet jouw duifje doodschieten kameraad Najib, wees niet bang. Als je mij niet vertrouwt, dan laat ik je het zelf doen.”
“Hoe bedoel je kameraad Kargar” vroeg hij aarzelend.
“Kom hier, kijk, zie jij dat groene gordijntje voor het raam naast die vrouwen? Richt je geweer op dat gordijntje, schiet gewoon tegen dat raam en als het glas breekt dan schrikken ze en als in het nauw gedreven ratten zullen ze naar alle kanten rennen en om zich heen kijken, zeker ook deze kant op.”
“Goed idee kameraad Kargar, maar het lijkt me wel een beetje gevaarlijk.” “Gevaarlijk? Het is niet de eerste keer dat je schiet, kameraad Najib! Anders als jij je ogen en je handen niet vertrouwt, dan doe ik het zelf wel. En mag jij met je verrekijker naar je duifje kijken. Er gaan dagelijks duizenden mensen dood in dit land, alles door toedoen van deze vuile monsters. Bovendien zijn het allemaal hun vrouwen die hier komen om hun buiken door die monsters te laten vullen en daarna te bevallen van nieuwe monsters die tegen onze kinderen zullen gaan vechten.”

Najib schonk ook wat wodka in de andere glazen. De ene hield hij voor zich zelf de rest zette hij op tafel voor ons. Hij gebaarde met zijn hoofd naar mij en zei: “Opdrinken, Kleintje,” hij noemde mij Kleintje omdat ik qua leeftijd en ook qua lengte de kleinste was. “Je moet drinken om van het leven te kunnen genieten, je bent pas een echte man als je drinkt.” Ik pakte het glas en gaf hem aan een andere collega en zei dat ik niet dronk omdat ik dan hoofdpijn zou krijgen. Eigenlijk was ik bang om dronken te worden en de controle over mezelf te verliezen want ik had nog nooit alcohol gehad.
Najib pakte weer zijn verrekijker, richtte zijn blik naar buiten en zei: “Godverdomme, ze staan nog steeds net zo.” En toen dronk hij zijn glas met één teug leeg en zette het terug op tafel.
Kargar richtte zijn loop vanuit het raampje van de kamer waar wij zaten op het groene gordijn en zei: “Kijk goed naar je duifje, kameraad Najib, anders mis je haar!” Toen telde hij, één… twee… drie en trok de trekker van zijn geweer over. Maar tot zijn schrik, verlieten er ineens een hele serie kogels achter elkaar de loop van zijn geweer. “Godverdomme, ik wilde maar één kogel schieten!”

Tot nu toe dacht ik dat ze grapjes maakten, maar nu hij had geschoten, ging ik snel naar buiten om te kijken wat er gebeurd was. Ik zag rookwolken en vogels die naar alle kanten vlogen. Dat was het enige wat ik kon zien. Ik rende terug naar binnen. Pratend, lachend en drinkend zaten ze met elkaar rond de tafel. “Het was niet mijn bedoeling,” zei Kargar, “maar ik weet niet hoe het kwam dat er zoveel kogels ineens gingen terwijl ik maar één kogel wilde afschieten”. Najib schonk weer wat wodka voor zijn vriend en voor zichzelf in en deed alsof er niets was gebeurd.
Ik pakte de verrekijker en ging terug naar buiten. Toen de rook was opgetrokken zag ik twee van de kinderen bewegingsloos op het dak liggen. De vrouwen en ook de andere kinderen renden wanhopig en huilend heen en weer, zoals Kargar had voorspeld. Als in het nauw gedreven ratten, liepen ze van de ene kant naar de andere van het dak en sloegen met beide handen op hun hoofd en in hun gezicht. Weer een ander vrouw zat naast één van de kinderen die roerloos op de grond lag en trok haar haren uit. Ze boog zich over het lichaam en sloeg daarna met haar hoofd tegen de grond. Ik kon het niet meer aanzien en ging terug naar binnen. De mannen hadden nu een tweede fles wodka opengemaakt en het kamertje stond blauw van de sigarettenrook.

Reacties (15) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
mooi! dikke duim
Bedankt Trudybrinkman.
Bedankt allemaal voor het lezen en de hoopgevende en mooie complimenten.
Goed geschreven, confronterend en beeldend neergezet deze waanzinnige wereld...
Niet een verhaal waar ik vrolijk van wordt maar wel goed geschreven.
Au wat een verhaal............ wel mijn complimenten want het heeft je vanaf het begin te pakken, zie alle beelden voor me (daar word ik dan weer niet blij van)! Triest maar heel mooi neergezet!