Een Kort Vehaal

Door Rahim00 gepubliceerd op Friday 28 September 12:09

Pechvogel, een kort verhaal

Pechvogel

De harde knal tegen het raam van de woonkamer deed mij, terwijl ik op de bank wat zat te dagdromen, plotseling terugkeren in de aardse werkelijkheid. Eerst dacht ik dat het een bal van de buurjongens was geweest, die wel eens voor ons huis op straat aan het voetballen waren. Maar tegelijkertijd bedacht ik me dat zij op dit moment op school zaten. Ik stond op, liep naar het raam en zag de afdruk van een vogel, met wijd open gespreide vleugels, dat als een fraai kunstwerk op de vensterruit was achtergebleven.

“Hmm, weer een vogel,” mompelde ik in mezelf. Het gebeurde wel eens dat er een vogel tegen de raam vloog pas als mijn vrouw de ramen had gelapt, maar zo een harde knal ik nog nooit meegemaakt. Ik deed nog een stapje naar voren en keek naar buiten. Ik zag daar een duif hijgend in het gras liggen. Zijn blik was op het raam gericht, of misschien op mij. We keken elkaar aan en het was alsof ik iets van herkenning zag, zoals oude vrienden die na een lange tijd plotseling weer oog in oog met elkaar staan. Toen mijn vrouw opeens naast me verscheen, schrok de duif en probeerde weg te vliegen. Maar dat lukte niet. Waarschijnlijk had hij door de klap te veel kracht verloren. Hij probeerde het nog een keer, maar het ging weer mis. Bij de derde poging slaagde hij erin een paar meter los van de grond te komen en streek neer op een tak van de kastanjeboom, die voor ons huis stond. Een heel oude en grote boom die ouder was dan alle bewoners van de wijk.

Hij bleef de hele dag daar zitten en keek bijna onafgebroken naar het raam waar hij tegenaan was gevlogen. Maar de volgende dag zag ik hem niet meer, hij was weg.

Ik ging weer terug op de bank zitten, pakte de krant die voor me op tafel lag en begon te lezen. Hoofdschuddend en met een glimlach om mijn mond, ging ik in gedachten terug naar iets wat ik lang geleden had meegemaakt. In een tijd die verleden wordt genoemd, en gelukkig voorgoed achter me lag.

Het was de eerste keer dat ik was uitgenodigd voor een sollicitatie gesprek. Tot mijn verbazing werd ik na afloop ook meteen aangenomen bij dit bedrijf. Kort daarvoor had ik weken lang een sollicitatietraining gevolgd, waarbij ik heel veel dingen had geleerd en geoefend. Bijvoorbeeld hoe ik me moest voorstellen, hoe ik op de juiste wijze de vragen zou kunnen beantwoorden, hoe ik bij navraag naar mijn zwakke punten het gesprek kon ombuigen naar het belichten van mijn sterke eigenschappen, hoe ik oogcontact moest maken en nog meer van dit soort technieken. Ook had men mij uitgelegd dat we slechts voor twintig procent verbaal en tachtig procent non-verbaal, d.w.z. middels onze zogenaamde lichaamstaal, met elkaar communiceerden. Daarnaast werd me aangeraden om me netjes te kleden, omdat ook de persoonlijke presentatie een belangrijke rol zou spelen bij zo’n interview. Het best kon ik maar een net pak aantrekken, had de trainer me de avond van te voren nog gezegd, toen ik hem belde om te vertellen dat ik was uitgenodigd voor een gesprek.

Op die morgen, na al talloze keren in mijn dromen te hebben gesolliciteerd, werd ik wakker vóór de wekker. Ik stond op, nam een warme douche, scheerde mijn gezicht, deed mijn zwarte pak aan. Het enige kostuum dat ik had, want ik had altijd een hekel aan pakken. Spoot ik wat extra parfum op om uiteindelijk een goede indruk te maken bij mijn gesprekpartners. Toen ik naar de spiegel keek kreeg ik een gemengd gevoel van trots en schaamte.

De afspraak was om tien uur, maar ik was al om negen uur op de plaats van bestemming. Ik besloot om een poosje in de bushalte te blijven wachten. Om kwart voor tien keek ik nog eens in het glas van het reclamebord, dat een vaag spiegelbeeld van mezelf liet zien. Ik wilde er zeker van zijn dat alles goed was. Eerst keek ik naar mijn pak, van boven naar beneden en omgekeerd. Daarna draaide ik me wat naar links en vervolgens naar rechts om mezelf van opzij te inspecteren. Prima, alles was piekfijn in orde! Tenslotte bracht ik mijn hoofd iets dichter bij het glas, maar ik zag dat het beeld daardoor alleen maar vager werd. Ik deed toen weer een stapje naar achteren. Gelukkig … ook mijn gezicht en mijn haar zagen er netjes uit. Precies zoals ik het wilde.

De hele ochtend bleef ik maar denken aan de gesprekstechnieken die ik geleerd had en die ik nu ook in praktijk wilde brengen. Totdat ik opeens ergens tegenaan botste, tegen een muur van lucht, tegen iets dat er niet was maar nu ineens uit het niets was opgedoken. Nee, het was er wel, maar misschien was ik er zelf niet op dat moment. Het was een grote glazen deur. Smetteloos schoon, wat hem nagenoeg onzichtbaar had gemaakt. Of zagen mijn ogen niet scherp genoeg - net als bij die vogel - om het glas te kunnen onderscheiden? Het dossier dat ik onder mijn arm droeg, gevuld met heel veel overbodige en lege papieren, met uitzondering van de uitnodigingsbrief, viel op de grond en al mijn ‘geleerdheid’ her en der werd verspreid. Dit droeg ik om een geleerde indruk te maken.
Hoewel ik een harde klap op mijn voorhoofd had gekregen, voelde ik op dat moment geen pijn. Nee, ik vergis me, die was er wel, maar ik wilde er geen aandacht aan besteden. Eerst keek ik haastig naar het glas. Daar was gelukkig niets aan te zien en dat stelde me gerust. Toen keek ik om me heen om vast te stellen of iemand mij in de gaten had gehad. Nee, gelukkig …. niemand, zei ik in mezelf. Ik bukte me voorover, pakte het dossier van de grond en stopte alle papieren terug in de map. Terwijl ik weer overeind kwam, keek ik even vanuit mijn ooghoek naar binnen. Ik zag iemand achter de balie van de receptie staan. Een vrouw, de receptioniste waarschijnlijk, dacht ik. Zelfs zij had me gelukkig niet gezien. Ze keek de andere kant op. Pas later toen ik naar binnen liep en haar begroette, keek ze me aan. Binnen in mij was de rust weliswaar enigszins teruggekeerd, maar ik voelde nog steeds het schaamrood op mijn wangen en het zweet op mijn rug staan.

“Goedemorgen meneer, kan ik u helpen?”, vroeg de dame vriendelijk.
“Ja, graag, mevrouw, ik… ik… ik heb een afspraak”, zei ik stotterend terwijl ik probeerde het briefje uit het dossier te halen.
“Hoe is uw naam?”, was haar volgende vraag.
“Ahmed. Ahmed Shaker. Shaker is mijn achternaam”, antwoordde ik.
“Met wie had u een afspraak?” ging ze verder.
“Ik had hier een brief, maar kan hem nu even niet vinden. Mevrouw of meneer Van der Wal, zoiets was het, geloof ik. Sorry, ” stamelde ik.
“Geeft niet hoor. Even kijken,” zei ze en typte vervolgens iets in op haar computer. “U komt uit Utrecht, klopt dat?”
“Ja, klopt”, zei ik.

Terwijl ze bezig was met zoeken en mijn achternaam zachtjes voor zichzelf herhaalde, keek ik stiekem naar haar gezicht. Het was een knappe jonge vrouw, met zwart krullend haar en helder blauwe ogen; een combinatie van oost en west, zag ik in haar. Een zeldzame combinatie? of misschien had ik daar nooit zo op gelet. Ze was slank en iets groter dan ik. Ze had een vrolijke uitstraling en als ze lachte, verschenen er kuiltjes in haar wangen wat haar nog aantrekkelijker maakte.

“Ja, u heeft gelijk, u heeft om tien uur een afspraak met Jan van der Wal”, zei ze. Ik knikte gedwee. “U gaat de trap op tot aan de tweede verdieping. Daar gaat u naar links de gang in. Het is kamer nummer …. nummer 12.”
“Oké, dank u wel mevrouw”, zei ik beleefd.
“Succes”, zei ze glimlachend en meteen wendde ze haar hoofd af alsof zij bang was om met mij oogcontact te maken.

Het interview met de heer Van der Wal verliep goed. Hij was enthousiast en besloot nog tijdens het gesprek mij aan te nemen waardoor ik de daarop volgende week in mijn functie als inpakmedewerker kon beginnen. Ik voelde me zeer gelukkig dat ik een baan had gevonden. ‘s Ochtends als ik naar mijn werk ging, voelde ik me trots, jong en energiek. Net zoals toen ik op mijn zesde jaar voor de eerste keer naar school ging.

Maar na een paar weken daar gewerkt te hebben kreeg ik door toedoen van een aantal collega’s regelmatig een beklemmend gevoel over me. Steeds vaker merkte ik dat zodra ik mijn werkplek verliet, men druk begon te praten en te lachen en als ik terug kwam viel er onmiddellijk een doodse stilte. Hoewel ze dan allen steevast hun mond bleven houden, zag ik aan hun houding en de uitdrukking in hun gezicht dat er over mij werd gesproken.
Dat ze af en toe in mijn bijzijn lachten als ik een woord niet goed uitsprak vond ik niet erg. Integendeel, ik vond het wel fijn dat ik hen aan het lachen maakte en soms deed ik het zelfs met opzet. Want daardoor voelde ik mezelf wat meer op mijn gemak, en durfde onder die omstandigheden ook wat spontaner te zijn. Alleen die stilte maakte me bang en dan had ik het gevoel dat de hele wereld mij nauwlettend in de gaten hield.

 

Rob, een collega, die vijf jaar ouder was dan ik, dus net vijftig, was iemand die meende met iedereen de draak te moeten steken. Hij had altijd een diplomaten koffertje bij zich, maar toen ik toevallig een keer achter hem langs liep, zag ik dat er, behalve een paar boterhammen met kaas en een banaan, niets anders in zat. Zelfs geen lege papieren zoals ik in mijn dossiermap had gestopt. Hij was de hele dag aan het praten en het maakte hem niet uit waarover. Soms vroeg ik me af hoe hij met zo’n kleine mondje in zo’n rap tempo al die woorden wist uit te brengen. Zijn mond was te klein voor zijn brede gezicht. Hij had zo’n hoofd waarbij de verhoudingen een beetje zoek waren, zoals je dat wel eens ziet op kindertekeningen. En telkens als hij aan het woord was, moest ik denken aan het goudvisje van mijn buurman, dat achter het glas van het aquarium, constant met zijn bekje naar lucht zat te happen. Bij alles wat er werd gezegd, begon hij ons meteen uitleg te geven als een schoolmeester die heel graag zich zelf hoort praten. Hij had overal een antwoord op. Niemand had hem ooit horen zeggen dat hij iets niet wist. Op zijn manier wist hij altijd alles. En als er niemand naar hem luisterde dan begon hij, als een klein kind, steeds harder te praten totdat hij aandacht kreeg en dan hield hij zich weer wat in.

Toen ik begon te werken was Rob op vakantie. Op een maandagmiddag toen hij net terug was, zat ik in het koffiehoekje een kopje koffie te drinken. Toen hij me daar zag, kwam op me af en stelde zich voor. Hij nam ook een kopje koffie uit de automaat en ging naast me zitten. Hij begon me meteen te ondervragen.
“Hoe lang woon jij al in Nederland?”
“Vijf jaar”, zei ik.
“Vijf jaar?” herhaalde hij mijn antwoord op een vragende en quasi vriendelijke toon. “Ik had minstens wel al twintig jaar verwacht, toen ik je zo hoorde praten. Je praat zelfs beter dan sommige Nederlanders. Perfect en helemaal accentloos. Goed gedaan jongen!” zei hij enthousiast.
“Dank je wel,” was alles wat ik wist te zeggen, terwijl ik maar al te goed wist hoe slecht en onbegrijpelijk ik soms sprak.
“Waar kom je vandaan?” was zijn volgende vraag.
“Utrecht”, zei ik.
“Nee, ik bedoel oorspronkelijk, wat is je vaderland?,” zei hij wat kribbig.
“Afghanistan”, antwoordde ik.
“Afghanistan? Mooi land, toch? Is het daar nog steeds oorlog?” ging hij verder.
“Ja, maar nu niet meer”, verzuchtte ik.
“Wàt niet meer? Geen oorlog meer?” vroeg hij verbaasd.
“Nee, ik bedoel geen mooi land meer.”
“Ja, ja, klopt, oorlog is nooit leuk. Het maakt alles kapot. Wij hebben ook ooit oorlog gehad hier, maar dat is gelukkig al lang geleden. En als de oorlog voorbij is ga je dan weer terug?” ging hij verder. “Teruggaan…?” Ik dacht even na. Eigenlijk hoefde ik er ook niet over na te denken, want dit waren de cliché vragen die ik, misschien zoals alle immigranten, altijd gesteld kreeg. “Ik heb daar eigenlijk nog niet zo over nagedacht.“
“Dus je gaat niet terug? Dat is misschien ook te gevaarlijk voor je,” opperde hij.
“Jawel, ik ga wel terug, maar weet niet wanneer”, verduidelijkte ik hem.
“Oké goed, jongen! Ik ben blij voor je dat hier bent en dat je werk hebt gevonden.”
“Dank je wel,” zei ik.

Daarna begon hij plotseling over Napoleon en Ataturk. Hij vertelde mij dat deze twee leiders goede vrienden van elkaar waren geweest. En dat ze heel veel met elkaar samengewerkt hadden. Ik luisterde aandachtig en moest mijn best doen om niet in lachen uit te barsten, toen hij dit zei, en begreep ook helemaal niet waarom hij dit verhaal aan mij meende te moeten vertellen.

Hij keek plotseling op zijn horloge, stond op, nam zijn koffiekopje dat halfleeg was, van tafel en liep weg, terwijl hij een al te enthousiast zwaaiend gebaar maakte als teken van blijdschap met mijn te hebben gesproken.

Na dit gesprek, zei hij iedere keer als ik binnenkwam: “Pas op, Ahmed!” Iedereen hield zich dan stil en als ik weg was, hoorde ik dat er weer gelachen werd. Ik had toen geen enkel idee waarom hij dat tegen mij zei.

Later toen Chantal, de receptioniste, beslot het bedrijf te verlaten, omdat ze ergens een andere baan had aangenomen, zei ze tijdens haar afscheidsreceptie toen we met z’n tweeën ergens in een hoekje van de kantine wat stonden te drinken, dat ze me had gezien toen ik bij mijn sollicitatiegesprek tegen de glazen deur was opgelopen. Toen ik dat hoorde, kreeg ik weer hetzelfde gevoel als dat ik op die dag had gehad. Mijn bloed begon als een kolkende rivier naar mijn gezicht te stromen en ik voelde me steeds warmer worden. Na een poosje stonden er zelfs zweetdruppeltjes op mijn voorhoofd en mijn bovenlip.
Ze zei dat ze toen heel erg had moeten lachen. Niet alleen op dat moment, maar iedere keer als ze er aan terug moest denken en het beeld weer voor haar ogen kwam. Ze zei ook dat zij en haar vriend ’s avonds thuis samen nog uren lang plezier daarover gehad.
“Ik keek toen bewust maar even de ander kant op”, zei ze met een meewarige blik in haar ogen. “En ben maar snel wat anders gaan doen, om jou niet te laten merken dat ik je had gezien. Je gezicht was zo rood als een biet! En ik zag een grote buil op je voorhoofd. Dat vond ik wel zielig.”

Ze zei nog veel meer, maar ik hoorde het niet meer, want ik dacht toen meteen aan het gezegde van Rob dat maar in mijn hoofd bleef spoken: “Pas op, Ahmed!” Vanaf die dag had ik geen moment rust meer. Ik piekerde de hele dag en soms ook ‘s nachts als ik in bed lag wat me dan urenlang uit mijn slaap hield.

Op een maandag morgen, na een weekend lang te hebben zitten tobben, kwam ik ons afdelingskantoor binnen, maar niemand zei iets. Niet alleen bleef het stil, maar iedereen keek me afwachtend aan. “Waarom zijn jullie opeens stil?”, vroeg ik terwijl ik mijn hart in mijn keel voelde bonzen. Iedereen hield zijn kaken stijf op elkaar, alsof men bang was voor mij. “Waarom praten jullie niet als ik binnen kom en als ik weg ben wèl?” herhaalde ik mijn vraag.

Jan, een klein en altijd nors kijkend mannetje, die heel zelden lachte, barste ineens onverwacht in lachen uit. Maar hield zich meteen weer in toen onze manager hem een afkeurende blik toewierp. “Gaat het wel goed met je, Ahmed?” vroeg de manager, terwijl hij opstond en naar me toe kwam.
“Ja, met mij gaat alles goed,” zei ik en probeerde zo kalm mogelijk te blijven.
“Oké, maar toch maak ik me zorgen om je en ik heb het idee dat je niet goed in je vel zit. Ben je ziek of is er iets anders?” ging hij verder.
“Nee, ik ben niet ziek,” zei ik en trok mijn mondhoeken omhoog om een kunstmatige glimlach op mijn bedrukte gezicht te toveren. “Alleen hier gaat iets niet goed”, vervolgde ik, “want elke keer als ik binnenkom, houdt iedereen zich plotseling stil. Ik wil graag dat jullie dan gewoon verder gaan met praten.”
“Oké, het is goed Ahmed,” zei de manager, “je hebt helemaal gelijk. Ga zitten,” en hij wees met zijn hand naar een lege stoel. “Ik ga koffie voor je halen.”
“Nee, ik wil niet zitten. Ik wil weten waarom jullie niet praten! En als jullie niet willen praten dan zal ik zelf iets zeggen!”.
Ik liep langzaam richting die lege stoel, maar ik ging niet zitten. De manager zette de koffie voor me op tafel, waarna hij mij een bemoedigend schouderklopje gaf en nogmaals met zijn hoofd gebaarde om te gaan zitten. Maar dat deed ik niet.

Terwijl ik daar stond, wilde ik mijn collega’s toespreken zoals ik dat tijdens de hele voorafgaande nacht mezelf had voorgehouden. Ik wilde alles zeggen. Ik wilde duidelijk maken dat ik geen onbenullig mens was, maar die toch zeker net als iedereen wel eens een foutje mocht maken. Dat ik niet dom was of niets geleerd had. Dat ik zelfs meer had gestudeerd dan onze manager en … en nog veel meer. Ik schraapte mij keel, rechtte mijn rug, keek even rond om met iedereen oogcontact te maken, zoals onze manager dat altijd deed als hij een toespraak wilde houden. Plotseling begon mijn hele lichaam te trillen, het bloed steeg naar mijn wangen. Mijn mond werd droog en ik probeerde door binnensmonds met mijn tong te bewegen, nog wat speeksel te produceren. Toen ik begon te praten, kwamen er echter heel andere woorden uit mijn mond, dan die ik had voorbereid: “Ik wil niet meer werken bij dit bedrijf. Ik stop vanaf morgen, nee vanaf nu, meteen!” Dat was alles wat ik zei. Ik draaide me om, pakte mijn spullen in en liep weg zonder afscheid te nemen. Toen ik buiten was, voelde ik dat mijn hele lichaam nat was van zweet.

De dag daarna belde de manager me op om te zeggen dat ik terug moest komen op mijn werk. Maar dat deed ik niet. Kort daarna kwam hij ook bij me thuis en vroeg me waarom ik niet meer op het bedrijf verscheen. Maar ik vond dat het nu voor mij bijna onmogelijk was geworden om me daar nog te vertonen. Ik wilde gewoon ergens anders naar toe, bij een ander bedrijf werken waar niemand mij kende. Ik wilde opnieuw beginnen

Gelukkig had ik na vier weken een ander baan gevonden via een uitzendbureau. Deze keer deed ik alles anders: geen pak aan en geen dossier onder mijn arm. Toen ik bij het kantoor naar binnen ging, was ik veel minder gespannen dan de eerste keer. Natuurlijk was er ook geen glazen deur waar ik tegenaan liep.

Toen ik bij de receptie kwam, was de dame achter de balie op zoek naar iets in de la van haar bureau. Waarschijnlijk had me niet zien binnenkomen. Ik pakte een snoepje uit een glazen schaal die op de tafel stond en die ongetwijfeld voor bezoekers bestemd was. Ik stak het in mijn mond en fluitend wachtte ik op haar, terwijl ik naar het beeldscherm dat aan de muur hing, keek.

“Hé, Ahmed, wat is de wereld toch klein! Hoe is met jou?” hoorde ik plotseling achter me.
“Hé, Chantal!,” zei ik enthousiast, terwijl ik me omdraaide en mijn schrik probeerde te verbergen bij het herkennen van haar stem. “Wat doe jij hier?”
“Ik werk hier. Eerst heb ik drie maanden bij een ander bedrijf gewerkt. Maar dat was niks voor mij. Hier bevalt het me prima. Goede werkgever en leuke collega’s. Hoe is het thuis met je vrouw en de kinderen?”, vroeg ze.
“Goed…, goed, en met jou?” antwoordde ik.
“Ook goed, dank je. En hoe is het onze oud-collega’s verder vergaan? Werkt iedereen nog steeds daar?”
“Ja, behalve jij”, antwoordde ik.
“En nu jij ook niet meer, toch”, zei ze glimlachend. “De meesten zeggen me niet zo veel, maar jou zal ik nooit vergeten, Ahmed! Toen je voor het eerst op het bedrijf kwam, weet je nog?” vroeg ze met pretlichtjes in haar ogen. “Ja, ja, dat herinner ik me nog wel, dat vergeet ik nooit weer. Nee, nooit zal ik dat vergeten”, zei ik met een benepen stem.

Nadat ze mij mijn toegangspasje had geactiveerd, ging ik naar mijn afdeling en begon zo met frisse moed aan mijn nieuwe baan. Totdat ik ook dat bedrijf weer moest verlaten.

Reacties (10) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Een bekende van mij, keek iemand na die ze heel mooi vond. Ze bleef zo lang kijken, dat ze tegen een telefooncel aanreed.Humor.

Ik hoop dat je nu betere collega's hebt. duim.

Met zulke colega,s heb je geen vijanden meer nodig, maar dit verhaal zegt meer over hoe jij als mens in de maatschappij staat en dat is je goed gelukt een duim.
g.storm.
Dit heb je prachtig geschreven, heb het met veel plezier gelezen, en ja collega's pfffffffff soms een ramp!
Goed heftige artikel.
Hou vol....
Mooi verteld, dat lange verhaal leest heel gemakkelijk. Jammer dat je er niet achter bent gekomen waarom je collega's nou niet door wilden praten, dat soort dingen heeft de neiging zich te herhalen in een mensenleven...
Heb een soortgelijk geval meegemaakt...toen ook rode kop gekregen,maar....5 minuten later heb ik het zelf weggelachen! Goed geschreven...Duim!