De belangrijkste gebeurtenissen tijdens het interbellum

Door Suzannes gepubliceerd op Friday 28 September 12:14

Het interbellum is een belangrijke tijd in de geschiedenis wwaarin veel dingen zijn gebeurd. Wil je weten wat? lees dan verder.

De eerste 10 jaar van het interbellum waren voor Amerika een tijd van ongekende voorspoed. Voor WO1 waren ze al het rijkste land ter wereld en na de oorlog is dat alleen maar gegroeid.
De industrie veranderde, vooral de auto-industrie en elektrotechnische industrie. Door de opkomst van de elektriciteit waren bedrijven die met elektromotoren werkten niet meer afhankelijk van het lastig te vervoeren steenkool en werd het werk steeds efficiënter georganiseerd. Bijvoorbeeld door de invoering van de lopende band konden producten steeds sneller en goedkoper gemaakt worden  loonverhogingen  mensen gingen meer kopen.
Steeds meer Amerikanen kregen ook thuis elektriciteit, in 1929 al 66%. Ook kregen steeds meer Amerikanen een auto, in 1929 al 60%, in Europa waren er toen nog amper auto’s.
Mensen gingen ook korter werken en kregen veel meer vrije tijd. Ze gingen dan bijv naar restaurants of bioscopen.
Wie een product niet direct kon betalen, leende het. Live now, pay later. Amerika was een consumptiemaatschappij geworden.
Veel Amerikanen vonden de roaring twenties een prettige, opwindende tijd. Geld moest rollen en er moest plezier gemaakt worden. Uiterlijk werd steeds belangrijker en er kwamen allerlei moderages.
Er waren ook Amerikanen die zich zorgen maakten over het verlies van traditionele normen en waarden. Vooral alcohol was een probleem, daarom kwam er in 1920 een drooglegging. Werd geen succes. Er ontstonden allerlei illegalen dranklokalen, gangsters als El Capone werden er steenrijk van. In 1933 werd de drooglegging weer afgeschaft.

Veel mensen hadden aandelen gekocht van geleend geld, waardoor koersen stegen. Toen de markt verzadigd raakte, verminderden bedrijven hun productie en ontsloegen de eerste mensen  werd minder uitgegeven  andere bedrijven verkochten ook minder.
Op donderdag 24 oktober 1929 begon de beurskrach op Wall Street. Ineens gingen de aandelenkoersen hard omlaag  in paniek verkochten velen hun aandelen  verliezen namen toe  veel konden hun leningen aan de bank niet terugbetalen  veel banken gingen failliet  100.000den andere bedrijven volgden  miljoenen mensen werkloos en miljoenen boeren failliet.
De Amerikaanse economie raakte in een zware depressie. Een kwart van de bevolking was werkloos. Amerikanen gingen leningen in het buitenland opeisen, de importtarieven opvoeren en steeds minder uit het buitenland kopen, waardoor ook daar problemen ontstonden. Het was een echte wereldcrisis geworden.
Er was geen uitkering voor werkelozen. Miljoenen mensen woonden in parken of vervallen wijken aan de rand van de steden, die ze hoovervilles noemden, naar de republikeinse president Herbert Hoover. Hij vond dat ze moesten wachten tot de economie vanzelf herstelde. Werklozen kregen eten bij gaarkeukens, meer wilde hij niet doen. Hij kreeg de schuld van de crisis en in 1932 werd hij verslagen door de democratische Franklin Roosevelt. Hij voerde de New Deal in. De overheid greep in met subsidies, sociale wetten en grote werkverschaffingsprojecten. Banken werden met overheidsgeld gered, er kwamen werkloosheidsuitkeringen, hypotheken van huisbazen werden gegarandeerd en er werd in de industrie en landbouw geïnvesteerd. Langzaam ging het beter, hij werd driemaal herkozen. In 1945 stierf hij.


Italië voelden zich bedrogen na wo 1, velen werklozen vochten met socialisten en communisten, ze droegen zwarte hemden en noemden zich fascisten (fasces; een bundel roeden samengebonden rond een bijl). Hun leider was Mussolini, sterke leider. Kregen snel veel aanhang. Keerden zich tegen democratie, was slap geklets. Land moest door 1 partij met 1 krachtige leider worden bestuurd, de duce. In 1922 was de mars op Rome, Mussolini dreigde dat als de regering niet aftrad, ze de stad zouden veroveren. Uit angst voor burgeroorlog trad regering af en werd Mussolini premier.
Ze wilden een totalitaire staat. Met propaganda werden de Italianen geïndoctrineerd. Lukte niet helemaal. Ze veroverden wel Ethiopië, maar dat was oneerlijke strijd en duurde toch 7 maanden.

Tijdens Russische revolutie hadden communisten alle banken, landbouw en industrie in handen. Was hongersnood. Om dit te herstellen voerde Lenin de Nieuwe Economische Politiek (NEP) in. Banken en grote bedrijven bleven van staat, maar particulieren niet meer en boeren mochten deel van oogst op vrije markt verkopen. NEP werd succes. In Rusland kwam totalitaire staat waar communistische partij besliste.
Na dood Lenin (1924) kwam Stalin (‘man van staal’) aan de macht. In 1928 had hij alle concurrenten in partijtop weggewerkt en wilde van Rusland een industriële grootmacht maken. Merendeel was namelijk nog steeds boer. De opbouw van de zware industrie kreeg topprioriteit, op dat gebied werd de planeconomie een succes. Overal kwamen industriecomplexen, wegen en kanalen. Arbeiders maakten lange dagen van 16 uur en woonden in barakken. Dwangarbeiders moesten kanalen graven of in het poolgebied naar nikkel en goud zoeken.
Om iedereen te voeden werd de landbouwgrond gecollectiviseerd. alle kleine boerderijtjes werden opgeheven en er kwamen grote landbouwbedrijven (kolchozen). Boeren moesten gezamenlijk werken en opbrengst voor vaste prijs aan staat verkopen. Boeren kwamen in opstand. Stalin liet rijkere boeren (koelakken) uitroeien (dwangarbeider of ergens gedropt). In Oekraïne opstand het grootst. Stalin liet het gebied hermetisch afsluiten. Eiste volledige opbrengst en er mocht niet meer worden geoogst/gezaaid  hongersnood.
Van de ellende zag je niets in de buitenwereld. De Sovjet-Unie leek een land vol gelukkige boeren en arbeiders. Stalin begon in 1935 de ‘zuivering’ van de communistische partij van ‘verraderlijke elementen’. Kwamen rechtszaken waar ze werden gemarteld tot ze voor de raarste dingen bekenden. Miljoenen werden slachtoffer van het ‘stalinisme’.


Duitsland werd na WO1 een democratische republiek. Het parlement kwam bijeen in Weimar, waar de grondwet gemaakt werd, daarom wordt de eerste Duitse democratie ‘de republiek van Weimar’ genoemd. De eerste jaren waren moeilijk, er was gebrek aan alles en geen werd voor alle soldaten uit WO1. De democratie kreeg de schuld. Ze kregen ook de schuld van de Vrede van Versailles. Duitsland zou niet verslagen zijn, maar verraden door de democraten die hadden ondertekend. De bovenlaag voelde niks voor de democratie en wilde het keizerrijk terug. De republiek had vanaf het begin te kampen met geweld van links en rechts.
In 1919 probeerden communisten de macht te grijpen, maar mislukte. Daarna probeerden militairen een staatsgreep te plegen, mislukte ook. Er was voortdurend straatgeweld tussen rechtse vrijkorpsen en linkse knokploegen. Rechts-extremisten vermoordden democratische politici.
In 1923 dreigde de democratie te bezwijken, omdat Duitsland achterbleef met betalingen voor Frankrijk, daarom bezette de Fransen het Ruhrgebied. Duitse regering riep uit protest op tot stakingen en drukten geld bij om de stakers te betalen  enorme inflatie. Velen raakten alles krijt. Duitsland kwam er met Amerikaanse leningen weer bovenop. Volgden een paar jaar van onverwachte welvaart, vooral in Berlijn, en kreeg langzaam weer vertrouwen in de politiek.
De beurskrach maakte daar een einde aan. De Amerikanen eisten hun leningen op. Velen banken, bedrijven en winkeliers gingen failliet en miljoenen raakte werkloos. De democratische partijen waren alleen maar aan het kibbelen, 2 antidemocratische partijen profiteerden daarvan: de communistische partij en de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei  (NSDAP).

Adolf Hitler werd na 4 jaar vrijwillig in het leger zitten de korporaal. In 1920 sloot hij zich aan bij het NSDAP. Hij werd omdat hij goed kon spreken leider van de partij, stond voor nationaalsocialisme, bijnaam  Nazi’s. Het nationaalsocialisme leek erg op het fascisme, alleen het fascisme deed niet aan rassenleer. In 1923 wilde de nazi’s eerst München veroveren en dan met een mars op Berlijn heel Duitsland maar ze werden in München al tegengehouden door het leger. Hitler moest een jaar in de gevangenis wegens het verstoren van de politiek, de rechters waren niet streng genoeg. In de cel schreef Hitler het boek Mein Kampf, vervuld met (joden)haat.
De daaropvolgende jaren ging het heel slecht met de NSDAP en Hitler gaf de joden en democraten de schuld. Toch bleef hij strijden en in vurige toespraken deed hij fraaie beloftes dat hij het ‘dictaat van Versailles’ zou uitwissen. Toen ging het weer beter. Het straatgeweld van de Sturmabteilung (SA) leefde weer op. Dit was het leger van de NSDAP die bruine pakken droeg. Ook had het NSDAP het onderdeel Schutzstaffel (SS) de elitetroepen en vooral bewakingsdienst werd ook populair. Onder leiding van Himmler groeide deze organisatie tot een gevreesde en wrede organisatie.
Bij de verkiezingen van 1932 werd de NSDAP gekozen tot de grootste partij. Toch hadden ze geen meerderheid. De conservatieve elites vonden Hitler maar een ordinair mannetje. Maar ze gebruikten hem wel omdat ze dachten dat ze zo van de democratie af konden komen. In 1933 werd Hitler rijkskanselier. Hitler ontbond direct het parlement en schreef nieuwe verkiezingen uit. Geholpen door de rijksdagbrand kreeg hij 44% van de stemmen. Door intimidatie keurde de tweederde meerderheid zijn nieuwe grondwet goed en had hij dus voor 4 jaar alle macht.
Na de machtsovername werden alle partijen behalve de NSDAP verboden en werd Duitsland een totalitaire staat. Er kwam een ministerie van propaganda onder leiding van Goebbels. Alle kinderen moesten lid worden van de Hitlerjugend. Hitler lied zich Führer van het Duitse volk noemen, hij liet zich graag vereren door de Hitlergroet en het hakenkruis was het teken van de nazi’s. Hij begon met een enorm bewapeningsprogramma waardoor de werkeloosheid daalde. Hitler was erg populair, maar veel mensen zagen of wilden al het terreur tegen politieke tegenstanders en de joden niet zien. Van de communistische partijen was na een jaar de helft afgevoerd naar concentratiekampen.


Door de neutraliteit was Nederland na WOI alweer snel de oude. Er was doordat de andere landen waren verwoest een grote vraag naar de industrieproducten van Nederland dus tussen 1919-1929 was er weinig werkeloosheid!
Tijdens het interbellum werd NL geregeerd door de confessionele partijen. Ze hadden de absolute meerderheid in de regering. Ze maakten zich zorgen om de industrialisatie en de moderne samenleving. Maar de meeste mensen bleven christenen die minstens een keer per week naar de kerk gingen. Katholieken hadden een Maria beeld in de kamer en een kruis aan de wand en protestanten hadden stichtelijke wandteksten en een harmonium (huisorgel)
In Nederland was verzuiling. Je had 4 zuilen: protestants-christelijk, katholiek, socialistisch en liberaal (ook wel algemeen of neutraal). Liberaal wilden helemaal geen groep zijn, maar omdat de andere dat deden moesten zij ook wel. De katholieken en protestanten deden alles in hun eigen zuil. Ze gingen alleen maar met geloofsgenoten om en gingen naar katholieken/protestanten kerken. Toen de radio in 1920 kwam had  elk geloof hun eigen radiostation: de NCRV en KRO voor de christenen en de VARA voor de socialisten. Toch had de Algemene Vereniging Radio Omroep (AVRO) de meeste leden. Zij maakten tv voor iedereen. Zij vonden dat zij het meeste zendtijd moesten krijgen. De regering besloot in 1930 dat ieder zuil even veel zendtijd kreeg over de twee zenders.
Na de beurskrach in NY ging het in NL ook mis. Als eerste kreeg de landbouw de klappen en daarna de industrie. Heel veel mensen verloren hun baan. Werkelozen kregen een zeer beperkte uitkering en moesten twee keer per dag naar een loket om hele rare tijden om hun kaart te laten stempelen om te zien of ze niet zwartwerkten.
Toen de crisis heel erg was werd APR-leider Hendrik Colijn minister. Van hem moest de overheid niet meer uitgeven dan er binnen kwam. Deze aanpassingspolitiek leidde tot bezuinigingen. Terwijl de in de rest van de EU met de economie beter ging, ging het in NL nog steeds bergafwaarts. Colijn besloot van de gouden standaard af te stappen. Hierdoor waren hun producten goedkoper geworden in het buitenland. Veel landen hadden dit al veel eerder gedaan en omdat de NL producten zo duur bleven ging de export achteruit. Maar na het loslaten van de gouden standaard leefde de economie weer op.
In 1931 werd in Nederland de extreem rechtste partij de Nationaalsocialistische beweging (NSB) opgericht door Anton Mussert. Hij was een bewonderaar van Mussolini en liet zichzelf graag leider noemen. De NSB richtte een partijleger op, de WA, in zwart uniform. Veel Nederlandse mensen moesten er niets van hebben. Ze kregen maar 4% van de stemmen. De totalitaire partijen deden het zo slecht doordat Nederland amper had geleden in WOI, ook was er geen woede over de afloop en vonden ze de verzuiling wel fijn. Ook voelde ze zich veilig bij Colijn.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.