Sociaal-emotionele problemen bij kinderen

Door MarijkeBarten gepubliceerd op Friday 28 September 12:07

Sociaal-emotionele problemen bij kinderen: Hoe kunnen ze ontstaan, welke factoren spelen daarbij een rol, hoe kunnen ze worden gediagnosticeerd en hoe kunnen ouders en leerkrachten ermee omgaan?

Sociaal-emotionele problemen bij kinderen

Motivatie in de klas

Theoretische kaders van motivatiepsychologen:
prestatiedoelentheorie
soort doelen die leerlingen nastreven
zelfdeterminatietheorie
redenen waarom leerlingen studeren
waarde-verwachtingstheorie
zelf-effectiviteitstheorie
aandacht voor kwantiteit van motivatie

Zelfdeterminatietheorie (ZDT)
amotivatie: gebrek aan motivatie (willen vs. Moeten)
effectiviteitsverwachting: mate van geloof in eigen kunnen
uitkomstverwachting: mate waarin leerling gelooft dat de uitkomst samenhangt met de inzet en de prestatie.
Amotivatie gekenmerkt door non-regulatie

Vrijwillig studeren: 2 drijfveren
autonome motivatie
intrinsieke gedragsregulatie: activiteit op zichzelf is bevredigend
geïdentificeerde gedragsregulatie: leerling begrijpt waarom de stof relevant is, maakt zich de reden om de stof te bestuderen eigen
moeten studeren: 2 subtypen
gecontroleerde of verplichte motivatie
externe regulatie: verplichting, straf, beloning door ouders/leerkrachten
geïntrojecteerde regulatie: leerling zet zichzelf onder druk

4 groepen om variatie in motivatie te beschrijven (a=autonoom, c=gecontroleerd)
kwalitatief goede molivatie groep (a-hoog, c-laag)
sterke motivatie groep (a-hoog, c-hoog)
lage motivatie groep (a-laag, c-laag)
kwalitatief slechte motivatie groep (a-laag,c-hoog)
De groep kwalitatief goede motivatie scoort het best op schoolse vaardigheden.

Autonome motivatie bevorderende leerkrachtstijl:
autonomie-ondersteunend i.p.v. Controlerend. (→ autonomie)
Inleven in standpunt leerlingen
persoonlijk initiatief bevorderen
studietaken onderbouwen
je kan i.p.v. je moet
zoveel mogelijk keuze op systematische wijze implementeren
vermijden gebruik deadlines, openlijk belonen en onaangekondigde toetsen.
Aanbieden structuur. (→ competentie)
Verwachtingen duidelijk communiceren
leerprocedures structureren
regelmatig feedback geven
hoe leerlingen een leerkracht ervaren hangt ook af van hun eigen motivatie.
Prestatiedoelentheorie
taakdoelen
gericht op begrijpen en beheersen van het studiemateriaal
maximale inzet
procesgeoriënteerd
autonome motivatie
prestatiedoelen
gericht op verwerven van positieve competentiefeedback in vergelijking met hun medeleerlingen.
Prestatietoenaderingsdoelen: gericht op beter presteren dan medeleerlingen om goede indruk te maken.
Prestatievermijdingsdoelen: gericht op vermijden slechter te presteren dan medeleerlingen om lechte indruk te voorkomen.
Hoge inzet als compensatie voor lage bekwaamheid.
Met zo weinig mogelijk inspanning een maximum aan studieresultaten te halen.
Uitkomstgeoriënteerd
gecontroleerde motivatie

Nastreven taakdoelen: positieve leeruitkomsten.
Nastereven prestatievermijdingsdoelen: negatieve leeruitkomsten.

Diagnostisch proces:

Onderkenning:
Meer zicht krijgen op de specifiteit van motivationele problemen.
Taakspecifiek, vakspecifiek of domeinspecifiek.
Inzicht krijgen in de aard van het motivationele probleem.
Problemen in kwaliteit van motivatie, kwantiteit van motivatie of allebei.
Verklaring:
leerling zelf, sociale omgeving of interactie tussen beide.

Een multi-informant benadering is bij het in kaart brengen van de motivatie van een leerling het meest gewenst. Kanttekeningen hierbij:
het is maar de vraag of leerling, ouders en leerling het voldoende eens zouden zijn over de motivatie van de leerling om een valide beeld te krijgen.
Gevaar om waargenomen studiegedrag of prestatie op school i.p.v. studiemotivatie te beoordelen.
Inschattingsfouten en cirkelredenaties door derden.
De beoordeling door leerlingen zelf is vaak wel valide, omdat ze harde gedragsmaten als dropout voorspellen, en het is een subjectief construct in de gevoelswereld van leerlingen waar derden niet bij kunnen.

Instrumenten:
Nederlandse Academische Zelfregulatievragenlijst
zowel kwantiteit als kwaliteit van motivatie
motivatiemeting is gesitueerd op domeinniveau (algemene schoolse situatie).
Zowel geschikt als collectief screeningsinstrument als in het kader van individueel diagnostisch onderzoek.
Prestatiedoelenvragenlijst
meting taakdoelen, prestatietoenaderingsdoelen en prestatievermijdingsdoelen.
PrestatieMotivatieTest voor Kinderen. (PMT-K)
Conceptualisaties van prestatiebehoefte en faalangst.

De motivationele interventie hangt af van de geboden verklaring. Wanneer de oorzaak in het kind ligt, nagaan of het wel de juiste studierichting volgt. Als de oorzaak bij de aanpak van leraren ligt, nagaan welke factoren de docent belemmeren om autonomie-ondersteunend en structurerend te werk te gaan.

Zelfconcept

Zelfconcept: De verzameling van beoordelingen over het eigen functioneren op specifieke domeinen en over zichzelf als persoon.
Zelfwaardering: De evaluatie van de eigen persoon in zijn globaliteit.
Domeinspecifieke zelfwaarderingen of competentiebelevingen: de evaluaties van zichzelf op specifieke domeinen van het functioneren.

Faalangst: scala aan reacties in situaties waarin iemand de indruk heeft een prestatie te moeten leveren die aan een bepaalde norm of standaard moet beantwoorden.

Relatie tussen globale zelfwaardering en domeinspecifieke zelfevaluaties:
globale zelfwaardering wordt voor een deel voorspeld door de evaluaties van zichzelf op verschillende domeinen.
Sommige evaluaties wegen in die voorspelling zwaarder dan andere (zoals uiterlijk en sociale relaties).
Er is ruimte voor individuele variaties in de mate waarin de evaluatie van zichzelf in een bepaald domein meespeelt in de globale zelfwaardering.

Ook jongere kinderen vormen een concept en zelfevaluaties, maar de aard en de basis daarvan verschillen naargelang de leeftijd.
Ontwikkelingen hierin:
zelfconcept wordt steeds gedifferentieerder (meer domeinen en minder samenhang tussen de domeinen).
Steeds meer integratie (pas vanaf late adolescentie worden zelfevaluaties georganiseerd in een intern consistent beeld van zichzelf en worden contradicties en inconsistenties opgemerkt).
Toename in accuratesse van de zelfbeoordelingen (jonge kinderen overschatten zichzelf vaak).
Er is een toenemende mate van zelfreflectie (introspectie is nog niet groot voor de adolescentie).
Het is makkelijker en meer valide om adolescenten over hun gevoel van eigenwaarde te laten praten, dan jonge kinderen en kleuters. Toch is het meestal wel mogelijk met de juiste leeftijdsadequate instrumenten.

Lage zelfwaardering verhoogt de kans op latere problemen, met name op emotioneel, sociaal en academisch vlak. Een hoog niveau van zelfwaardering is echter op zichzelf niet genoeg voor een adaptieve ontwikkeling. De manier waarop men die zelfwaardering nastreeft en bereikt is ook van belang.

Determinanten van het zelfconcept:
Mate van aanvaarding door significante anderen.
Als anderen negatief over een kind praten is een kind geneigd die houding te internaliseren.
Mate van competentie
succeservaringen en succes in vergelijking met de groep

Lage competentie en lage zelfwaardering zijn transactioneel, vormen een vicieuze cirkel.

Schoolse prestaties en academisch zelfconcept beïnvloeden elkaar.
Skill development model: prestaties beïnvloeden zelfbeoordeling.
Self-enhancement model: zelfbeoordeling beïnvloed prestaties.
Leerkrachtverwachtingen hebben grote invloed op het academisch zelfconcept en op de prestaties van leerlingen. De mate van positiviteit en acceptatie in de leerling-leerkrachtrelatie speelt een belangrijke rol.

Internal-external frame of reference: Het academisch zelfconcept voor een bepaald vakdomein kan afwijken van de objectieve prestaties t.o.v. De groep, omdat de leerling ook de prestaties voor andere vakken laat meewegen.
Big-fish-little-pond-effect (BFLPE): Het gemiddelde prestatieniveau van een kals heeft negatieve invloed op het individuele academisch zelfconcept. Als een klas gemiddeld laag scoort, schat dezelfde leerling zich hoger in dan wanneer de klas hoog zou scoren.

Kinderen met leerproblemen hebben gemiddeld wel een lager academisch zelfconcept, maar geen lager algemeen zelfconcept. De schoolse setting maakt hier geen duidelijk verschil. In sommige studies valt het gedragsmatig en sociaal zelfconcept bij deze groep wel lager uit. Deze groep vertoont gemiddeld ook meer sociale en gedragsproblemen.
Het verband tussen internaliserende gedragsproblemen en een laag globaal zelfconcept is zeer sterk. Het veband met externaliserende problemen is minder eenduidig.

De meeste Leerlingvolgsystemen zijn alleen gericht op de leerontwikkeling, en minder op de sociaal-emotionele ontwikkeling en het zelfconcept.

Keuze van instrumenten:
Afhankelijk van ontwikkelingsfase.
Niet te zwaar tillen aan tegenstrijdige uitspraken die een kind over zichzelf doet.
Negatieve uitspraken zijn bij een jong kind verontrustender dan bij een adolescent.

Zelfconceptvragenlijsten van Harter:
Competentiebelevingsschaal voor Kinderen (CBSK)
5 domeinspecifieke competenties: schoolvaardigheden, sociale acceptatie, sportieve vaardigheden, fysieke verschijning en gedragshouding.
Best passende alternatief kiezen uit twee uitspraken
Competentiebelevingsschaal voor adolescenten
naast bovenstaande ook domein voor hechte vriendschap
Pictorial Scale of Perceived Competence and Social Acceptence for Young Children
niet het meest valide gebleken
Zelfconceptvragenlijsten van Marsh:
Gebaseerd op hiërarchisch, multidimensioneel zelfconceptmodel van Shavelson.
Self-Description-Questionnaire -I (SDQ-I) (kinderen groep 4-8)
fysieke/sportieve vaardigheden
fysieke verschijning
relaties met leeftijdsgenoten
relaties met ouders
lezen
rekenen
algemeen school
algemeen zelf
SDQ -II: voor adolescenten
toevoeging: relatie leeftijdsgenoten gedifferentiëerd in zelfde geslacht en andere geslacht
toevoeging domein emotionele stabiliteit
toevoeging domein eerlijkheid/betrouwbaarheid
SDQ -III: voor laat-adolescenten
SDQ for Pre-schoolers (nog geen Nederlandse versie beschikbaar.

Informatie over de zelfwaardering van een kind dat tot uiting komt bij observaties:
weinig initiatief nemen
veel hulp, raad of bevestiging vragen
lage doelen stellen
uitdagingen uit de weg gaan
negatieve uitlatingen doen over zichzelf
blijk geven van negatieve stemming
makkelijk opgeven
emotionele reacties
Ook gebruiken:
tekeningen van kinderen, handpopinterview, zsinaanvultest.

Advisering:
verbeteren feitelijke vaardigheden, en factoren die het verband tussen beide beïnvloeden
positieve beïnvloeding van de verwachtingen van leerlingen
verbaal/cognitief herkaderen
counselinggesprekken
training van leerkrachten en ouders
leerbegeleiding (werken aan leervaardigheden en strategieën)
goede afstemming met de onmiddellijke omgeving en de bredere samenleving
Positive Action

Emotionele en gedragsproblemen

Kinderen met emotionele- en gedragsproblemen: alle kinderen die zich zichtbaar ongewoon gedragen en dat afgezien van de ernst, oorzaak of context van het ongewone gedrag.

Onderscheid lichte of tijdelijke problemen en ernstige of chronische problemen.

4 criteria om de ernst van problemen te taxeren:
frequentie
duur
omvang
mate
waarin het kind zichzelf of de omgeving schade berokkent.

Bronfenbrenner:
microsysteem: gezin, school, buurt
mesosysteem: gemeenschap met voorzieningen
macrosysteem: ruimere maatschappelijke context
Ecologische, mulitfactoriële of transactionele modellen:
wisselwerking tussen veelheid van (protectieve- en risico)factoren.
Bidirectionaliteit van invloeden.
Kind als actor die zelf ook de omgeving mee beïnvloed.

Contextfactoren op microniveau: In het gezin en op school. Factoren op school liggen soms voor de hand. Problemen met een oorsprong buiten de school, bijvoorbeeld in de opvoeding of in het kind zelf, zijn vaak frequenter, intenser, langduriger en omvattender.

Theorie van Reid, Patterson en Snyder:
gebaseerd op sociale leertheorie.
Kinderen leren soms van jongs af aan agressief gedrag aan in de interactie met ouders. Ouders belonen negatief gedrag en houden het daarmee in stand.
Patronen van coërciviteit (dwang) gaan zich in de interactiepatronen installeren. Het kind gaat de situatie domineren.
Deze patronen gaat het kind uiteindelijk ook uitvoeren in de interactie met leerkrachten en leeftijdsgenoten en het wordt steeds agressiever als het zijn zin niet krijgt.

Andere factoren in het gezin:
kindermishandeling of verwaarlozing
psychiatrische stoornis bij één van de ouders
acculturatieproblemen in het gezin
factoren op school:
klimaat in de klas
klassenmanagenment
wijze van instructie
pestkoppen
factoren in het kind:
aandachtstekoertstoornis
leerstoornis
verstandelijke beperking
ontwikkelingsstoornis

implicaties voor diagnostiek:
diagnostisch onderzoek moet breed worden opgezet; niet blind staren op één soort van gedragsproblemen, omdat die bijvoorbeeld meer opvalt.
Er moet rekening gehouden worden met variabiliteit in gedrag en verschillen en perceptie. Daarom is het van belang meerdere informanten te vergelijken.
Er moet rekning gehouden worden met het feit dat er een veelheid aan factoren kan zijn, en tevens dat één factor de oorzaak kan zijn van verschillende gedragsproblemen.
De diagnostiek kan niet of niet volledig buitende omgeving van het kind plaatsvinden; diagnosticus moet het kind in de omgeving opzoeken, bv. Observeren op school of thuis.
I
Instrumenten:
ASEBA:
Achenbach System of Empirically Based Assessment
systeem dat bestaat uit gedragsvragenlijsten
Child Behavior Check List (CBCL)
Teacher Report Form (TRF)
Youth Self-Report (YSR)
8 syndroomschalen: (6-18 jarigen)
teruggetrokken/depressief
lichamelijke klachten
angstig/depressief
sociale problemen
denkproblemen
aandachtsproblemen
regelovertredend gedrag
agressief gedrag
syndroomschalen 1-5,5 -jarigen:
emotioneel reagerend
angstig/depressief
lichamelijke klachten
teruggetrokken
slaapproblemen
aandachtsproblemen
agressief gedrag
kritiek op het ASEBA-systeem:
de vragenlijsten dekken niet het hele spectrum van gedragsproblemen, maar alleen die die vaak voorkomen.
De vragenlijsten zijn relatief lang.
De vragenlijsten zijn voornamelijk gefocust op problemen.
Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ):
gericht op kinderen tussen 4 en 16 jaar
25 items
3 versies: ouders, leerkrachten, jongeren.
5 subschalen:
emotionele symptomen
gedragsproblemen
hyperactiviteit/gebrek aan aandacht
problemen in de peergroep
prosociaal gedrag
Behavioral Assessment System for Children (BASC):
versies voor kleuters, lagereschoolkinderen en adolescenten; elke vragenlijst heeft een ouder- en leerkrachtversie. Voor adolescenten is er een zelfrapportageschaal.
Van de versie voor lagereschoolkinderen is er een Nederlandse vertaling.
Bevat ook systeem voor in kaart brengen ontwikkelingsgeschiedenis van het kind en een systeem voor klasobservatie.
14 subschalen verdeeld over 5 domeinen:
externaliseren
internaliseren
schoolproblemen
adaptieve vaardigheden
andere problemen
dekt bijna het hele spectrum van gedragsproblemen.
Nadeel: de vragenlijsten zijn erg lang (126 tot 148 items)
werd ontwikkeld vanuit de schoolpsychologische praktijk


Schoolgedrag Beoordelingslijst (SCHOBL-R)
gericht op kinderen van 4 tot 11 jaar, meet het sociaal-emotioneel functioneren in de klas.
52 bipolaire items die het dagelijkse gedrag van het kind in de klas en de omgang met de leerkracht beschrijven.
4 subschalen:
extraversie
werkhouding
aangenaam gedrag
emotionele stabiliteit
raadzaam om scores van allochtone leerlingen te vergelijken met hun etnische referentiegroep, i.p.v. met Nederlandse leeftijdsgenootjes.
Social Competence and Behavior Evaluation – Preschool Edition (SCBE):
vragenlijst voor kleuterleerkrachten over de sociaal-emotionele ontwikkeling van 2,5 tot 6-jarigen.
Vragen over externaliseren, internaliseren en positief functioneren.
8 basisschalen:
3 over hoe het kind zich emotioneel uitdrukt
3 over de sociale interacties met leeftijdgenoten
2 over de relatie tussen het kind en de leerkracht

Vragenlijsten over specifieke emotionele- en gedragsproblemen binnen de onderwijscontext, vooral bruikbaar in verdere fasen van het diagnostisch proces:
internaliserende problemen:
Children Depression Inventory (CDI)
Vragenlijst over angst en bang zijn bij kinderen en adolescenten (SCARED-NL)
Sociale Angstschaal voor Kinderen (S.A.S.-K)
externaliserende problemen:
ADHD Rating Scale-IV
ADHD vragenlijst
De Vragenlijwst voor Gedragsproblemen bij Kinderen (VvGK)

2 elementen van belang bij de aanpak van de problemen:
voldoende inbedding in de context
focus op veranderbare positieve en negatieve factoren

Opvoedingsfactoren en gezinsfunctioneren

Ouderlijke opvoedingsstijl:
Baumring:
opvoedingsstijlen als configuraties van opvoedingsdimensies. De effecten van opvoeding zijn het gevolg van het patroon dat die dimensies samen vormen.
Democratische opvoedingsstijl: veel responsiviteit en warmte, en voldoende controle en toezicht.
Permissieve opvoedingsstijl: veel liefde en affectie, maar te weinig controle en regels
Autoritaire opvoedingsstijl: Veel regels en controle, maar een koud en afstandelijk klimaat.
De democratische opvoedingsstijl heeft in vergelijking met de andere opvoedingsstijlen positieve ontwikkelingsuitkomsten bij kinderen en adolescenten, en hangt ook positief samen met gevoelens van schoolse competentie en schools presteren.
Ouderlijke betrokkenheid bij het schools presteren van het kind heeft alleen positief effect als er ook sprake is van een democratisch opvoedingsklimaat.
Afzonderlijke opvoedingsdimensies:
responsiviteit → vele positieve ontwikkelingsuitkomsten, met name goede sociale ontwikkeling.
Gedragsmatige controle → hangt samen met positieve schoolse uitkomsten; lage gedragsmatige controle hangt samen met externaliserende problemen.
Psychologische controle (inspelen op schuldgevoelens van het kind, alleen liefde geven als het kind aan de ouderlijke normen en regels voldoet) → voorspeller van internaliserende problemen.
Autonomie-ondersteuning → positieve schoolse ontwikkeling, meer autonome motivatie voor school.

Ouderlijke stress: de ervaren moeilijkheden die voortkomen uit de vereisten van het ouderschap.
Hoe hoger de ouderlijke stress, hoe lager de sociale competentie en hoe meer internaliserend en externaliserend probleemgedrag het kind vertoont.
Lastig te bepalen wat oorzaak is en wat gevolg, maar uit een longitudinale studie blijkt dat ouderlijke stress een negatief effect heeft op de kinderlijke aanpassing. Dit gaat op 2 manieren:
de ouderlijke stress heeft negatief effect op het opvoedingsgedrag van de ouder.
Blootstelling aan voortdurende irritatie of prikkelbaarheid van de ouders, ook al is dat niet direct tegen het kind gericht, kan leiden tot problemen.

Transactionele theorieën van opvoeden:
ouder en kind beïnvloeden elkaar.
Kinderen hebben zelf ook invloed op de omgeving en op hun ouders. Met hun gedrag lokken ze een bepaalde reactie bij de ouder uit, die het gedrag van het kind juist weer versterkt. Dit geldt ook voor het schools functioneren.

3 theoretische benaderingen van het gezin als geheel:
de intergenerationele benadering:
nadruk op verstoorde relaties tussen ouders en kinderen. Centraal begrip: Loyaliteit. Er ontstaan problemen als de balans van geven en nemen tussen ouders en kinderen verstoord is.
De structurele benadering:
accent op de structuur van de interactiepatronen van het gezin.
Cohesie: mate van emotionele gebondenheid; 4 typen gezinnen:
kluwengezinnen (te sterke cohesie)
verbonden gezinnen (adequaat)
onderscheidbare gezinnen (adequaat)
los-zand gezinnen (te weinig cohesie)
adaptatie: vermogen van een gezinssysteem om de machtsstructuur, regels en rolverdelingen aan te passen aan de omstandigheden; 4 typen gezinnen:
rigide gezinnen (te laag aanpassingsvermogen)
gestructureerde gezinnen (adequaat)
soepele gezinnen(adequaat)
chaotische gezinnen (te weinig structuur)
gezinnen van jongens met leerproblemen zitten vaken in de extremen dan gezinnen van jongens zonder leerproblemen. Er is geen verband gevonden tussen leerproblemen en cohesie.
De strategische benadering:
focus ligt op de inhoud van de interactieprocessen.
Disfunctionele interactieprocessen: coërciviteit of wederzijdse dwang tussen ouders en kinderen is een verklaring voor antisociaal gedrag en het houdt elkaar in stand.

Implicaties voor diagnostiek:
al in de intakefase moet ouders duidelijk gemaakt worden dat zij een aandeel hebben in de problemen en dat zij een betekenisvolle rol kunnen spelen door hun kind te ondersteunen.
Pas op voor 'parent blaming'. In elk afzonderlijk geval moeten de opvoedingsvaardigheden van ouders worden onderzocht om hun aandeel te kunnen bepalen.
Maak al in de intakefase duidelijk dat opvoeding een interactioneel proces is, en dat het kind hen dus ook beïnvloed. Dit kan verhelderen waarom zij bij het ene kind wel het probleem ervaren en bij het andere kind niet.
Het is belangrijk oog te hebben voor beschermende factoren.

Triangulatieprincipe: De waarde van onderzoeksbevindingen neemt toe naarmate ze meer consistent zijn over verschillende informatiebronnen.
Toch zijn er vaak veel verschillen in perceptie. Bijvoorbeeld tussen ouders en onafhankelijke observatoren. Dit komt doordat ouders hun gedrag over een langere periode beschrijven, observatoren zien meestal alleen een momentopname. Bovendien is het oordeel van ouders over hun opvoeding intrapersoonlijk, het oordeel van observatoren is interpersoonlijk: zij kunnen het ouderlijk gedrag vergelijken met dat van andere ouders in dezelfde situatie.

Instrumenten zijn vooral schriftelijke vragenlijsten. Deze geven niet een heel objectief beeld, maar kunnen wel goed de subjectieve beleving van de betrokkenen in kaart brengen. Mensen geven in een vragenlijst meer informatie dan in een interview, en ze gaan bijna altijd wel akkoord met het invullen ervan.

Instrumenten:
Nijmeegs Gezinsrelatietest (NGT) → individueel en mondeling afgenomen
Gezinssysteem Test (GEST) → idem.
Gezinsklimaatschaal (GKS-II) → enige instrument dat een 'goed' beoordeling van COTAN krijgt.
NVOS → enige genormeerde instrument dat ook de hulpverwachtingen inventariseert.
Verder: zie voor een overzicht blz. 206/207.

Advisering:
Centrale vraag: wat willen en kunnen de ouders en het kind veranderen?
Zoveel mogelijk gebruikmaken van empirisch onderbouwde interventies (evidence-based).
Soorten interventies met een sterke evidentie voor effectiviteit:
gedragsmatige oudertraining
vaardigheidstraining voor het gezin
gezinsterapie
thuisbegeleiding van ouders
kortdurende gezinsondersteunende interventies met gebruik van huiswerkopdrachten
Het is mogelijk door preventieve interventies de ouderlijke sensitiviteit en kinderlijke gehechtheid te verhogen.
In de context van leerlingbegeleiding is intensieve begeleiding van gezins- en opvoedingsproblemen vaak niet mogelijk. Andere, minder intensieve interventies kunnen wel haalbaar zijn.

Relaties tussen kinderen op school

Relaties tussen kinderen op school hebben een bijzondere aard omdat kinderen elkaar hier niet kunnen kiezen, zoals buiten school wel het geval is. Een belangrijke vraag hierbij is in hoeverre sytematische beïnvloeding van relaties tussen kinderen op school de ontwikkeling van kinderen kan bevorderen.

Er zijn heel veel verschillende soorten relaties en vriendschappen.
Sociometrische status: mate waarin klasgenoten elkaar aardig en onaardig vinden.
Populair: door veel kinderen aardig gevonden.
Afgewezen: door veel kinderen onaardig en door weinig kinderen aardig gevonden.
Controversieel: door veel kinderen aardig en door veel kinderen onaardig gevonden.
Genegeerd: door weinig kinderen als aardig of onaardig genoemd.
Vermeende populariteit: mate waarin klasgenoten denken dat een kind door de klas populair wordt gevonden. Blijkt sterk te verschillen van de daadwerkelijke populariteit van kinderen.

Sociale netwerkanalyse: hierin wordt ook nagegaan welke kinderen welke kinderen noemen.
Relaties hierin:
vriendschappen: kinderen vinden elkaar wederzijds aardig
asymetrische relaties: een kind vind een ander kind aardig, maar de ander vindt dat omgekeerd niet.
Groepen van kinderen die elkaar allen aardig vinden
cliques: groepen waarin ieder kind een deel van de groep aardig vind.
In een sociogram kan de aard van de sociale relaties in een klas worden weergegeven.

Pesten: een herhaalde vorm van agressie waarbij een of meer machtige kinderen intentioneel andere minder machtige kinderen pijn doen.
Pestrollen (sociale relaties die bij pesten een rol spelen):
daders: nemen initiatief tot pesten
mededaders: doen hieraan mee
supporters: bekrachtigen het pestgedrag
slachtoffers: worden gepest
verdedigers: nemen het op voor de slachtoffers
buitenstaanders: houden zich actief afzijdig van het persten.

Resource Control Theory (Hawly):
Pestrollen ontstaan doordat kinderen sociale waarderingen willen bemachtigen. Kinderen zijn hier in verschillende mate voor gemotiveerd. Er zijn 2 strategieën om resources (sociale waarderingen) te bemachtigen:
agressie
prosociaal gedrag
3 groepen kinderen:
kinderen die gebruikmaken van agressie
kinderen die gebruikmaken van prosociaal gedrag
bi-strategische kinderen die afhankelijk van de situatie beide strategieën kunnen gebruiken. Zij verwerven in de klas de meeste resources.
Pesten levert dus iets op voor daders en meelopers.

Sociale competentie: De mate waarin iemand in staat is de sociale relaties aan te gaan en te onderhouden die hij wil, op een manier die door die relaties gewaardeerd wordt.

Sociale informatieverwerking: De informatieverwerkingsprocessen die sociaal gedrag aansturen. Mensen reageren in dezelfde situatie verschillend omdat ze de aanwezige informatie anders waarnemen en interpreteren. Daardoor streven ze andere doelen na en hebben ze verschillende emoties en reacties. Dit kan deels veroorzaakt worden door eerdere sociale ervaringen.

Sociale ontwikkelingen:
Babytijd:
sterke fascinatie voor het sociale gedrag van andere kinderen
sociale communicatie d.m.v. Gezichtsuitdrukkingen
Peutertijd:
fysieke agressie
imiteren, voorspellen en inschatten van gedrag van anderen
parallel spel
Kleutertijd:
conflicten voorkomen en sociale relaties onderhouden
inschatten intenties, wensen en ideeën van anderen
kennis van sociale regels
emotieregulatie
frustratietolerantie
vrij stabiele gedragspatronen herkenbaar
Midden kindertijd:
meerdere vriendschappen, groepen en cliques.
Zone van naaste ontwikkeling voor aanleren sociale vaardigheden en bron sociale steun
verwachtingspatronen van eigen gedrag en de reactie daarop van anderen.
Self fulfilling prophecies
Adolescentie:
experimenteren met verschillende meer zelfgekozen relaties
rolverwarring

Deviancy training: afwijkend gedrag wordt de norm binnen een groep jongens die de groepsleden bij elkaar bekrachtigen.
Co-rumination: meisjes stimuleren elkaar binnen de groep in agressie, delinquentie, middelengebruik en depressie.
→ in dit kader lijkt het onverstandig groepen jongeren met dezelfde problemen bij elkaar te zetten in een speciale school, instelling of jeugdgevangenis.

Implicaties voor diagnostiek:
problemen in sociaal functioneren kan men vroeg op het spoor komen door systematisch inschattingen van het sociaal functioneren te verzamelen bij leerkrachten en ouders, bv. d.m.v. een leerlingvolgsysteem.
Diagnostiek van sociaal functioneren kan nooit beperkt blijven tot het individu, maar moet altijd betrekking hebben op kenmerken van en oordelen over het individu in zijn sociale omgeving.
Bij onderkennende diagnostiek moeten hypothesen worden gevormd over het sociaal functioneren van het kind in verschillende sociale contexten.

Sociometrische nominaties: Elk kind wordt gevraagd andere kinderen uit de klas te noemen die hij of zij aardig of onaardig vindt. Andere vragen kunnen worden toegevoegd.
Sociale preferentie: de gestandaardiseerde score voor 'aardig' minus de gestandaardiseerde score voor 'onaardig. (hoe hoger, hoe aardiger een kind wordt gevonden)
Sociale impact: De optelsom van 'aardig' en 'onaardig'. (hoe hoger, hoe vaker een kind wordt genoemd voor aardig of onaardig).
Gestandaardiseerde scores: 0 is gemiddeld, 1=standaarddeviatie boven gemiddelde, -1=standaarddeviatie onder gemiddelde.

Sociometrische ratings: elk kind wordt gevraagd alle kinderen in de klas te beoordelen op ratingsschalen. Deze metingen zijn ook tussen klassen en over tijd vergelijkbaar.

Gevaren van statusclassificatie (labelen):
anderen veranderen hun oordeel over deze persoon snel in de richting van de toegedichte rol.
Personen neigen ertoe zichzelf naar hun rol te gaan gedragen en zo kan het een self-fullfilling prophecy worden.
Daarom moet hiermee uiterst zorgvuldig worden omgegaan (liever geen opname in rapportages aan ouders en vrij toegankelijke leerlingrapportages.

Kenmerken van het sociaal functioneren van kinderen die vastgesteld kunnen worden met sociometrische tabellen:
vriendschappen en vriendengroepen
cliques
antagonie (wederzijdse negatieve nominatie)
ongelijkheden (een vind ander wel aardig, ander een niet)
relaties tussen groepen

Pestrollenvragenlijst: maakt gebruik van sociometrische nominaties voor de verschillende perstrollen.

Ook zelfraportage is interessant, juist om de discrepantie tussen hoe het kind zichzelf ziet en hoe de sociale omgeving het kind ziet te zien.
Zelfrapportage is wel lastig omdat het zelfreflectie en metacognitie van kinderen vraagt. Pestkoppen kunnen zich bovendien mooier voordoen dan ze zijn, of zelfs zichzelf als slachtoffer zien.

Advisering:
Directe beïnvloeding van sociale relaties door de groepssamenstelling te veranderen.
Training van sociale en sociaal-cognitieve vaardigheden.

Interacties tussen leerkrachten en kinderen

Theoretische perspectieven op leerling-leerkrachtrelaties:
Motivationle benadering:
zelfdeterminatietheorie
motivatie van leerlingen kan geoptimaliseerd worden als de leerkracht aan 3 psychologische basisbehoeften tegemoet kan komen:
behoefte aan gevoelens van verbondenheid,
competentie,
en autonomie.
Leerkracht kan deze behoeften bevredigen door:
betrokkenheid (verbondenheid)
structuur (competentie)
autonomie-ondersteuning. (autonomie)
verschillende vormen van leerkrachtondersteuning hebben positief effect op motivatie van leerlingen en op hun academische prestaties en/of sociaal-emotioneel functioneren.
Gehechtheidsbenadering:
relationeel gedrag van jonge kinderen t.o.v. Hun leerkracht toont gelijkenis met dat t.o.v. Hun primaire gehechtheidsfiguren (ouders).
Dimensies in leerkracht-kindrelaties:
nabijheid: mate van genegenheid, warmte en open communicatie
conflict: negatieve interacties
afhankelijkheid: leeftijdsinadequate afhankelijkheid van de leerling t.o.v. De leerkracht.
Affectief negatieve relaties met leerkracht vormen risicofactoren voor de schoolse aanpassing, terwijl affectief positieve relaties met de leerkracht deze aanpassing bevorderen.
Interpersoonlijke benadering:
gedrag van mensen in relaties kan exhaustief beschreven worden op 2 orthogonale dimensies, namelijk:
Dominantie: mate waarin mensen macht op elkaar (willen) uitoefenen. Polen: dominantie en afhankelijkheid.
Affiliatie: mate waarin mensen op elkaar betrokken zijn. Polen: erg gesteld zijn op de ander, en vijandig tegenover de ander staan.
Roos van Leary (blz. 234)
Stressbenadering:
goodness-of-fit idee: kwaliteit van de interactie wordt afgemeten aan de mate van afstemming tussen het gedrag van de leerling en de karakteristieken van de leerkracht.
Leerkrachten bieden verschillende vormen van didactische of instructieve ondersteuning om de leerling de leerstof zo goed mogelijk te doen beheersen.
Als er geen adequate match tot stand komt, kan dit resulteren in leerkrachtstress, die effect heeft op leerling-leerkrachtinteracties. Er is samenhang met probleemgedrag bij kinderen, maar de oorzaak-gevolgrelatie is lastig vast te stellen.

Instrumenten:
Leraar vragenlijsten:
Teacher As Social Context (TASC) Teacher Report
Student-Teacher Relationship Scale, nederlandse versie: Leerling-Leerkracht Relatie Vragenlijst (LLRV)
Teacher Relationship Interview
Interactiewijzer
Index of Teaching Stress
Leerling vragenlijsten:
Teacher As Social Context (TASC) – Student Report
SchoolVragenLijst
Vragenlijst voor Interpersoonlijk Leraarsgedrag
Observatie:
Classroom Assessment Scoring System (CLASS)
3 dimensies:
emotionele ondersteuning
organisatie van het klasgebeuren
kwaliteit van instructie

Advisering:
Inadequate opvattingen van leraren verhelderen in de intakefase. Verlenen van informatie aan de leerkracht over de specifieke behoeften van de risicoleerling. Ook positieve elementen in de interactie of leerkrachtondersteuning belichten.
 

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Goed uitgelegt artikel!