Een huiselijke inbreker

Door Moneyq89 gepubliceerd op Friday 28 September 12:13

Verwachtingen worden overhoop gehaald. Niets is wat het lijkt...

De inbreker

“Shit.”

Hij vervloekte de regen die plots in dikke druppels uit de hemel viel. Hij vervloekte de donkere tuin. Hij vervloekte de onheilspellende schaduwen van bomen, struiken en gemeenogende kabouters. Hij vervloekte het licht dat tussen de gordijnen van het raam piepte. Hij vervloekte deze avond. Hij vervloekte het feit dat hij hier stond.

Het zou geen vreselijke avond zijn geweest. Als hij nu op het balkon zou hebben gezeten met een flesje Heineken in zijn hand en starend naar de sterren. Iets wat hij eens in de zoveel tijd deed wanneer hij behoefte had aan filosofisch gemijmer. Of als hij in bed had gelegen met de glazen schuifdeur op een kier. Het was zo’n zwoele avond die je langer deed opblijven omdat je anders je bed uitzweette.

Nu was het eindelijk gaan regenen. Liever luisterde hij binnen naar het zachte getik tegen het raam. Liever. Maar waren er niet veel dingen die hij op dit moment liever zou doen? Wat was er eigenlijk niet dat hij liever zou doen?

Maar hij had weinig keuze.

Het geluid van oude bladeren deed hem opschrikken, tot hij besefte dat hij het zelf had veroorzaakt door zijn gewicht te verplaatsen. Hoe lang stond hij hier al, gebogen achter een struik? Zeker al een half uur had in de stilte van de nacht staan luisteren. En wachten. En zich moed in sprekend. Je wilt dit zelf. Je moet het doen. Wees geen lafaard.

Voor eens zou hij geen lafaard zijn.

Maar nog steeds had hij geen aanstalten gemaakt zich te bewegen. Hij stond al ruim een half uur met gebogen rug bij het struikgewas dat de tuin van dit huis scheidde van de tuin van de buurman.

Wees geen lafaard.

En hij zette een stap in de richting. In de juiste richting?

Als een inbreker sloop hij door de nacht. Maar het was niet een kwestie van doen alsof. Het was niet zoals hij vroeger verplicht werd met zijn zusje vader-en-moedertje te spelen. Of doktertje met zijn buurmeisje, wat meer uit vrije wil was geweest. Het was niet als de musical in groep acht op de basisschool waarin hij ook zo onzichtbaar mogelijk had willen zijn. Zoals hij nu hoopte ook zo onzichtbaar mogelijk dichterbij te komen.

De ramen voor in het huis waren al donker. De gordijnen waren gesloten, maar daarachter was ook geen licht meer aan. Het was ook na middernacht. Hij wist dat de bewoonster van het huis nooit tot middernacht opbleef. En toch was er iets ongewoon aan deze avond.

Er brandde licht in een van de kamers verder naar achteren in het huis.

Maar eerst moest hij in de achtertuin terecht komen om via de achterdeur binnen te komen. Hij wist precies waar hij zijn moest. Hij wist waar hij de deur zou vinden om binnen te komen. Hij wist dat de deur nooit op slot zat, zodat de nieuwe pup ’s avonds zijn behoefte in de tuin kon doen. En omdat niemand verwachtte dat er een inbreker binnen zou sluipen. Voelde ze zich veilig, nu?

Hij wist wat hem te doen stond. Maar het doen was weer wat anders.

 

De tuin

Wees geen lafaard.

Als hij het maar vaak genoeg tegen zichzelf zou blijven zeggen, zou het hem dan genoeg wilskracht geven? Lang genoeg had hij over het idee nagedacht. Lang genoeg had hij plannen lopen maken. Maar dit was de eerste keer dat hij in de nacht door een tuin sloop. Dit was hopelijk ook de laatste keer.
De regen begon al door zijn coltrui door te dringen. Geheel in het zwart was hij gekleed, zoals je dat ook in de film zag. Hij was voorbereid. Zware, donkere sportschoenen die geen piepende geluiden maakte. Hij glipte door de tuin als een vos. Of een wolf. Of iets wat geen geluid maakte. Er was alleen het gestage geruis van de regen die neerviel op het gras, op de struiken, op de gevallen bladeren. Een lichte bui na een zwoele nazomeravond.

Zou er een buurman of een buurvrouw vanuit het raam naar hem staan kijken? Zou iemand de politie gebeld hebben? De vragen bleven voortdurend door zijn hoofd malen en maakte elk geluid in de verte onheilspellend. Maar het leek erop van niet. Hij hoorde geen sirenes, hij hoorde geen… Er was alleen de regen.

De schutting was zijn eerste hindernis. Hij had er een tijd bij stilgestaan. Met een stuk ijzerdraad het slot open zien te krijgen. Zoals in de film. Maar hij geloofde niet dat het hem zomaar zou lukken. Waarschijnlijk zou hij er uren mee bezig zijn, tot het licht werd en de buren kwamen vragen wat hij daar stond te doen.

Als je er niet doorheen kan, ga je erover. Zoals hij vroeger over daken en op schuurtjes klom. Maar vroeger was hij nog jong en lenig. Voeger was het een peulenschil geweest.

Deed ik maar aan krachttraining, dacht hij, terwijl hij zich met moeite omhoog hees aan de schutting. Hij probeerde zijn rechtervoet tactisch op een horizontale lat te plaatsen, maar hoorde ook het lichte gekraak van het hout. Bier en late avondsnacks waren niet zo bevorderlijk voor je figuur. Dat werd maar weer eens bewezen. Misprijzend klemde hij zijn lippen op elkaar. Ze had gelijk toen ze zei dat ik uit vorm was.

Gelukkig bleef het bij het gekraak. Hij zwaaide – hoewel dat woord waarschijnlijk een te voordelig beeld zou scheppen – zijn been erover en verplaatste zich zo dat hij zich aan de kant van de tuin weer omlaag kon helpen.

Maar het hout begon al glibberig te worden en zijn handen waren ook niet minder nat. Hij had bijna zijn andere been ook aan de goede kant toen de lus van zijn veter bleef haken.

“Shit,” mompelde hij weer. Er was niemand om hem te horen vloeken, of dat hoopte hij tenminste.
Verwoed probeerde hij zijn schoen los te rukken, maar dat ging uiteraard helemaal mis. In plaats van dat de veter loskwam, schoot de achterkant van zijn schoen van zijn hak. Het was vallen of de schoen laten gaan. En vallen was geen optie.

Op een lichtgrijze sok en een zwarte sportschoen belandde hij aan de tuinkant van de schutting en bleef een moment stil staan. Zo was het nooit gegaan in zijn gedachten. Maar niet alles was te voorzien, natuurlijk. Zijn schoen verliezen was niet per se een ramp, zolang hij hem maar niet vergat wanneer hij zo dadelijk weg ging. Denk aan de schoen.

De afstand van de schutting naar de achterdeur was kort en zoals verwacht stond deze op een kier. Ze is niets veranderd.

En de deur gelukkig ook niet. Geen gekraak of gepiep bij het openen. Hij wurmde zich naar binnen, want wagenwijd durfde hij de deur ook niet te openen. Het was al erg genoeg dat hij zo stiekem naar binnen moest komen.

 

Het huis

Hij rook de vertrouwde geur van wasverzachter in de bijkeuken, waar een rek met witte was stond te drogen. Natuurlijk had ze geweten dat het vannacht zou gaan regenen – natuurlijk. Zo was ze dan wel. Hij keek omlaag naar zijn druipende kleren en de doorweekte sok die een modderige plek achterliet op de roomkleurige tegelvloer. Wat doe ik daarmee? Hij voelde er weinig voor om de vloer te gaan boenen.

Het antwoord kwam met een bekend gesnuffel. De kleine grijze pup kwam na hem door de achterdeur en liet kleine natte pootjes achter op de tegels. Hij had ook de oorzaak kunnen zijn van deze vlek. Hij moest er alleen voor zorgen dat zijn afdrukken niet langer leken op mensenvoeten.

De pup snoof aan zijn voeten en natte broekspijpen. Geen gegrom. Geen geblaf. Gelukkig. De pup ging op zijn rug liggen en stak uitnodigend zijn buik uit, wilde geaaid worden. Maar daar was geen tijd voor. Deze keer niet.

Hij sloop verder de brede gang door. Er was weinig licht van buiten, want de donkere wolken verhulden de maan en sterren, en er brandden geen lampen. Maar hij vond de weg toch wel, op de tast en op zijn gevoel. Hij wist waar hij zijn voeten moest plaatsen, alsof hij een ervaren inbreker was.

De deur naar de tweede gang die naar de slaapkamer leidde stond op een kier. Een vaag licht viel tot halverwege die gang, vanuit de slaapkamer. Daar moest ze zijn. Zijn maag kneep zich samen. Over enkele seconden…

Wees geen lafaard.

Want hij zou zich maar wat graag omdraaien. Zolang hij het niet zou zien, zou het geen waarheid zijn. Zolang hij het niet onder ogen kwam, kon hij nog fantaseren over andere scenario’s. Zolang hij nog de onzekerheid had om te koesteren…

Maar was het niet juist de onzekerheid die hem deed doordraaien? Was het niet juist de onzekerheid die hem gek maakte? Was het niet juist de onzekerheid die hij zo haatte?

En hij sloop naar voren. Zijn sportschoen maakte geen geluid, zijn sok sopte bij elke keer dat hij hem optilde van de tegels. Maar ze zou hem niet horen, want er speelde een zachte melodie vanuit de kamer die hij nu zelf pas begon waar te nemen. De regen had het geluid overstemd.

Hij hoorde haar lach en slikte. Als dit een andere situatie was geweest, als hij hier niet had gestaan met druipende kleren en stiekem binnen geslopen, zou hij misschien tranen in zijn ogen hebben gekregen. Haar lach. Het was al een maand dat hij die voor het laatst had gehoord. Hij was het niet vergeten.

Maar het was niet haar normale lach. Het was een lach omringd door tranen, besefte hij. Het was als het hikken na een huilbui. Dat snapte hij niet. Waarom zou ze huilen? Maakte die ander haar dan ongelukkig?

 

De vrouw

Hij balde zijn vuisten. Ze had hem dan misschien wel weggestuurd; ze wilde hem dan misschien wel nooit meer zien, maar dat maakte het nog niet dat het hem niets meer deed als een ander haar verdriet deed. Hij moest iets doen. Hij moest…

Voorzichtig sloop hij dichterbij. Ook de slaapkamerdeur stond op een kier. Zo was ze. Geen gesloten deuren. Door de smalle opening kon hij net de hoek van het bed zien. En knieën in een donkerbruine mannenbroek. Dat moest de ander zijn. Die ander.

Maar hij had het zich anders voorgesteld. In zijn gedachten had hij ze betrapt in bed, gewikkeld in dekens, met geschokte ogen naar hem opkijkend. Daar leek het nu niet op.

“Ik kan het niet langer, Leon,” hoorde hij. Onmiskenbaar haar stem. Wat verlangde hij ernaar om het gezicht bij die stem te zien. Haar gezicht… “Ik ben boos, maar – nee, eigenlijk ben ik al lang niet meer boos. Ik wil hem weer terug. Ik wil weer bij hem zijn. Ik mis hem zo, zo, zo erg.”

Leon. Leon?

Wat deed hij bij haar? Was hij dan die ander? Was haar broer…

Er was geen ander.

Hier stond hij dan. Als een inbreker in zijn eigen huis. Een maand geleden had zijn vrouw hem na een knallende ruzie over wie weet wat het huis uitgestuurd. Al die tijd had hij geloofd dat ze een affaire had en gewoon een excuus had gezocht om met haar nieuwe minnaar samen te zijn. Hij was het gaan denken nadat een van zijn vrienden had verteld over de geheime relatie van zijn vriendin. Het verhaal was steeds groter en groter in zijn hoofd geworden en was zich daar vast gaan roesten.

Een ander?

“Shit.”

Hij vervloekte zijn eigen stommiteit.

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
heel mooi geschreven. spannend.
duim dubbeldik verdiend hoor